achttiende eeuw
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
achttiende eeuw
5. Azië
5.1 India
5.1.1 Het Mogolrijk

In Voor-Indië valt de neergang van het Mongoolse keizerrijk deze eeuw samen met de onderwerping van een groot deel van het subcontinent door Europese handelsmaatschappijen. Na de dood van Aurangzeb in 1707 zetten de Mongoolse keizers hun uiterst weelderige hofleven voort, alhoewel de economie op de rand van de afgrond staat en het ene gebied na het andere verloren gaat. Mohammed Sjah, die na een reeks snel op elkaar volgende troonoverdrachten een tijdlang in grote stijl regeert, blijkt inderdaad voor niets anders aandacht te hebben dan voor pralerige hoffestijnen. Hij lijkt Madame de Pompadours filosofie 'après nous le déluge' (‘na ons de zondvloed’) tot de zijne te maken en laat de boerenbevolking het gelag betalen. Dit is een van de oorzaken van het dalend aantal boeren-landeigenaars, van wie er velen wegvluchten en zich in roversbenden organiseren. Een andere oorzaak is de herverdeling van het land waarbij de boerengezinnen die de belastingen niet meer kunnen opbrengen, de grond afstoten. Dorpshoofden krijgen op die manier meer land en meer invloed over de dorpsgemeenschap. Tegen het midden van de eeuw roepen ondergeschikte gouverneurs in hun provinciehoofdsteden Murshidabad (Bengalen), Hyderabad (Galconda) en Lucknow (Audh) onafhankelijke prinsdommen uit en wanneer Mohammed Sjah in 1748 sterft, controleren de Mongolen eigenlijk niet veel meer dan een klein gebied tussen Delhi en Agra.

5.1.2 De Mahratten

Het zijn nu met name de Mahratten, en in mindere mate opnieuw de Afghanen, die hun aanspraken op controle over het Indiase subcontinent willen laten gelden. In Centraal-India ontstaan grote Mahrattenprinsdommen, onder meer geleid door de Sindhia's in Gwalior en de Gaekwars in Baroda. De Mahrattenfederatie, onder leiding van de Peshwadynastie, verovert vanuit de hoofdplaats Poona tijdens de eerste helft van de eeuw Centraal-India en rukt op naar het noorden. Hun leger wordt in 1761 in Panipat echter tot de laatste man verslagen en uitgemoord door de Afghaanse legers onder leiding van Ahmad Sjah, die inmiddels zijn oog eveneens op het subcontinent heeft laten vallen, zoals zovele Afghaanse prinsen voor hem. Maar Ahmad Sjah wordt op zijn beurt uitgeschakeld door de Sikhs onder leiding van Ranjit Singh van Lahore. Dan heeft hij echter de Mongolenhoofdstad Delhi al tot een steenwoestijn herschapen. In een tijdspanne van een kwart eeuw zijn nu drie grote militaire en politieke machten door elkaar uitgeschakeld en het machtscentrum in het subcontinent heeft zich verplaatst naar Bengalen en naar Zuid-India.

5.1.3 De East India Company

In Zuid-India woedt omstreeks deze tijd met de Britten een hevige strijd om de hegemonie. De Engelse East India Company (EIC) heeft met name in Bengalen een stevige positie opgebouwd, sinds in 1660 aan de rivier de Hugli in het moerassige gebied van Calcutta de eerste versterkte nederzetting werd gevestigd: Fort William. Naast de handel ontplooit de EIC activiteiten als feodaal leenheer: van de Mongoolse keizer heeft de compagnie dergelijke zamindari-rechten gekregen over ongeveer veertig dorpen rond Calcutta. Het tribuut dat de EIC aan de Mongoolse keizer dient af te staan, is vastgesteld op drieduizend roepies per jaar, een bedrag dat schril afsteekt tegen de driehonderdduizend pond belastingvrije inkomsten die tijdens de eerste helft van de eeuw jaarlijks worden verworven. Door met de hulp van Indiase handelaren en geldwoekeraars geld voor te schieten kunnen de Engelsen de verbouwers van suiker, opium, katoen, zijde, indigo en rijst aan zich binden en brengen ze tienduizenden ambachtslieden als schuldslaven onder hun controle.

De nawab van Bengalen slaat met argwaan de groeiende monopoliepositie van de Britse handelaren gade. Hij heeft zich ondertussen vrijgevochten van de Mongoolse keizer, heeft Bihar en Orissa geannexeerd en wil de East India Company tot minder gevaarlijke proporties terugdringen. Met zijn legers loopt hij een aantal versterkte factorijen onder de voet, maar in 1757 wordt hij in Plassey door Britse troepen aangevallen. Kapitein Clive verslaat met zijn drieduizend manschappen het zeventigduizend man sterke Bengaalse leger, dat overigens wel met een omgekochte bevelhebber ten strijde trekt. De overwinning heeft tot gevolg dat de Britse territoriale heerschappij stevig gevestigd wordt: de EIC is nu tegelijkertijd handelaar en regeringshoofd. Deze situatie, die aanleiding geeft tot onbeteugelde corruptie, plunderingen en machtswellust, duurt ongeveer twintig jaar.

5.1.4 De India Act

Pas nadat in debatten in het parlement in Westminster de wanpraktijken van de EIC-regering in Bengalen aan de kaak zijn gesteld, vaardigt Pitt in 1784 de India Act uit. In het kader van de nieuwe wetgeving krijgt de EIC vanuit Londen een commissie van toezicht aangesteld. De eerste aldus benoemde gouverneur-generaal, Cornwallis, houdt grote schoonmaak in het bestuur, vooral met het oog op het innen van belastingen. De compagnie treedt onverbiddelijk op tegen de verslagen feodale families: in de periode na de overwinning bij Plassey wordt jaarlijks twee miljoen pond naar Engeland afgevoerd, een bedrag dat volgens schattingen meer dan vijf procent van het Engelse nationale product vertegenwoordigt.

De geleidelijke uitschakeling van de oude feodale machthebbers is gedeeltelijk het gevolg van de landbouwhervormingen die door Cornwallis worden doorgevoerd. In de vorige eeuwen was het zo dat de zamindars in een bepaald gebied belastingen mochten innen, mits ze een klein bedrag afstonden aan de centrale regering en mits ze een paraat leger op de been hielden. Cornwallis maakt de zamindars tot landeigenaars, met als verplichting het betalen van landbelasting. Zamindars die de gevraagde bedragen niet kunnen overmaken, worden onteigend en vervangen door commercieel ingestelde stedelingen. Het resultaat is niet alleen dat de oude verhoudingen waarin ambachten en landbouw op elkaar waren ingesteld, worden doorbroken, maar ook dat grote hoeveelheden voedsel en geld aan de plattelandseconomie worden onttrokken en worden afgevoerd naar Calcutta en naar het buitenland.

De uitschakeling van de oude feodale heersers heeft dan ook een belangrijk economisch gevolg: de ambachten die gericht waren op de behoeften van de pralerige prinsen en zamindars, raken in verval. Hun producten dienen, onder bedreiging met geweld, te worden afgestaan aan de agenten van de East India Company. Door de noodgedwongen trek van onder meer wevers naar de dorpen neemt het aantal deelpachters zienderogen toe. Van de aldus groeiende dorpsbevolking, die op steeds kleinere lapjes grond dient te werken, worden door de compagnie en haar hiërarchisch net van agenten voortdurend zwaardere belastingen geëist.

Vanaf 1770, wanneer in Bengalen tien miljoen mensen – ongeveer een derde van de bevolking – van de honger omkomen, zijn de hongersnoden elkaar met de regelmaat van de klok opgevolgd, zonder dat de uitgevoerde belastinginkomsten daaronder hebben geleden. Ondanks de veroorzaakte ontreddering neemt de landbelasting tot aan het einde van de eeuw met ongeveer tien procent per jaar toe.

Tegen het einde van de eeuw is een derde van de vruchtbare Bengaalse bodem door de jungle overgroeid: waar vroeger gewassen stonden, trekken nu de tijgers rond. De fabelachtige parel van het oosten is niet meer. Boerenrevoltes zijn aan de orde van de dag. Met name van de zijde der Santhals, de Chuars en de Sanyasis heeft de niets ontziende EIC-regent Warren Hastings het hard te verduren. Zijn aanpak spreekt boekdelen over de ernst van de situatie: teneinde de boeren te intimideren laat hij de opstandelingen in hun dorpen fusilleren, legt hij die dorpen onmogelijk hoge geldboetes op en laat hij de familieleden van de opstandelingen als slaven afvoeren. Maar ook de onafhankelijke Indiase prinsdommen kampen met interne onlusten en machtsaanspraken. Warren Hastings is gul met het aanbieden van zijn diensten, in ruil voor economische en politieke concessies. Op die manier krijgt hij Benares en een groot gedeelte van Audh in handen. De compagnie, die de gepaste bijnaam Company Bahadur, moedige compagnie, meekrijgt weet zich, behalve in Bengalen, nu ook in Noord-India op te werken tot de belangrijkste politieke macht.

5.1.5 Mysore

De onderwerping van Zuid-India gaat met veel meer moeilijkheden gepaard. Naast de niet onbelangrijke Hollandse en Franse invloed in dit gebied speelt vooral het verzet vanuit Mysore een rol. Dit prinsdom ligt veilig besloten tussen de Oost- en de West-Ghats en de rivier de Krishna. Gelegen buiten het slagveld van de herhaalde botsingen tussen de Mahratten en de Mongolen in de vorige eeuw kon Mysore zich een sterke positie opbouwen en de hoogontwikkelde landbouw en de handel in onder meer ijzeren voorwerpen en glasproducten droegen – en dragen nog steeds – bij tot een relatief hoge welvaart. De boerenbevolking gaat niet gebukt onder de extreem opgevoerde uitbuiting die elders op het subcontinent heerst.

In 1761 komt de moslimlegeraanvoerder Hyder Ali aan de macht. Met de steun van voornamelijk Franse officieren organiseert hij een regulier leger dat door zijn discipline, beweeglijkheid, wapenuitrusting en moderne tactieken sterk afsteekt bij de andere Indiase legers. Hij annexeert een aantal gebieden, waaronder Malabar, hetgeen hem in conflict brengt met onder meer de Mahrattenfederatie en Hyderabad. Deze rijken zijn uiterst verzwakt door interne verdeeldheid en de niet aflatende plundering van de eigen bevolking, maar met Britse steun kunnen ze aan Mysore een zekere weerstand bieden en zelfs tot de aanval overgaan. Hyder slaagt er aanvankelijk in de aanvallen uit de vier windrichtingen op meesterlijke wijze af te slaan. Hij dwingt de Britten zelfs terug tot Madras. Maar de East India Company laat nieuwe versterkingen aanrukken, weet met praktisch alle Zuid-Indiase prinsdommen een bondgenootschap te sluiten en maakt de twee andere Europese grootmachten grotendeels onschadelijk. De Franse vloot wordt onderschept en de sterke Hollandse nederzetting in Negapatnam wordt ingenomen. Mysore is nu op zichzelf aangewezen.

Tipu Sultan, die zijn vader in 1782 opvolgt, moet uiteindelijk het onderspit delven en er worden hem zware herstelbetalingen opgelegd. Nadat hij tegen het einde van de eeuw zijn laatste gelden aan de EIC heeft overgemaakt en hij zijn twee door de Britten als onderpand meegenomen zonen heeft teruggekregen, blijkt de weerstand van deze koning van Mysore echter nog niet gebroken. Hij sluit een geheime alliantie met de Fransen en wordt in zijn hoofdstad Seringapatam een voorman van de libertijnse club der jakobijnen. Door deze ontwikkeling verontrust valt het Britse leger in 1799 opnieuw aan en maakt een einde zowel aan het leven van citoyen Tipu en de jakobijnse ideeën als aan de luister van Seringapatam en de onafhankelijkheid van Mysore. Na een heroïsche strijd, die dertig jaar heeft geduurd, is de laatste Indiase grootmacht nu uitgeschakeld. Geheel Zuid-India ligt voor de Britten voor het grijpen.

5.2 China
5.2.1 Binnenland

In het jaar 1700 regeert K'ang-si, de tweede keizer van de Tj'ing-dynastie, die in 1644 gesticht werd, over het Chinese rijk. Hoewel de Tj'ing als Mantsjoe een niet-Chinese dynastie vormen, regeren zij toch voornamelijk volgens het Chinese bestuurssysteem, waarbij zij ook gebruikmaken van Chinese ambtenaren. Keizer K'ang-si blijft tot zijn dood in 1722 op de troon. Hij wordt opgevolgd door zijn vierde zoon, die als keizer Joeng Tsjeng in 1723 de troon bestijgt. Over deze troonopvolging doen vele verhalen de ronde. Oorspronkelijk zou K'ang-si zijn eerste zoon als zijn opvolger hebben aangewezen; diens vele broers, die allen keizer wilden worden, zouden deze toen echter met behulp van zwarte magie krankzinnig hebben gemaakt.

Hierna heeft K'ang-si zich echter tot zijn dood toe niet meer willen uitspreken over een opvolger, maar hij liet wel op schrift vastleggen wie hij daarvoor op het oog had. Toen K'ang-si op 61-jarige leeftijd op zijn ziekbed lag, kwam zijn vierde zoon er echter toch, als enige van de prinsen, achter dat de veertiende zoon als opvolger was uitgekozen. Deze vierde zoon heeft toen op slinkse wijze kans gezien het woord veertiende, dat in verschillende documenten voorkwam, te veranderen in vierde, waardoor hij na de dood van K'ang-si keizer is geworden. Om te voorkomen dat zijn broers het bedrog ontdekken, tracht Joeng Tsjeng direct na zijn troonsbestijging alle documenten die betrekking hebben op de rechtmatige opvolging van K’ang-si, in handen te krijgen. Ook zorgt hij ervoor dat hij van de kant van zijn vele broers geen gevaar meer te duchten heeft door hen óf gevangen te zetten óf onder toezicht van goede vrienden van hem te plaatsen. In politiek en bestuurlijk opzicht blijkt keizer Joeng Tsjeng een goed heerser. Onder hem wordt de positie van de keizer nog verstevigd: hij stelt een speciale raad in die direct onder de keizer staat en die dagelijks de belangrijkste zaken met hem bespreekt. Verder gaat Joeng Tsjeng de corruptie onder de ambtenaren op grote schaal tegen en herziet hij een aantal financiële maatregelen. Hij regeert echter niet lang: in 1736 overlijdt hij. Over zijn plotselinge dood wordt veel gespeculeerd. Geruchten doen de ronde dat hij door een onbekende vrouw vermoord is.

Hij wordt opgevolgd door keizer Tj'ièn-loeng, en onder deze laatste komt de periode van bloei van de Tj'ing-dynastie, die onder zijn twee voorgangers begon, op velerlei gebied tot een hoogtepunt. Binnenslands is de politieke toestand stabiel; het bestuur functioneert goed en het militaire apparaat wordt vergroot.

5.2.2 Buitenland

Buiten de grenzen brengt het Chinese rijk een enorm gebied onder zijn gezag. Vanuit Buiten-Mongolië, waartegen de Tj'ing-legers sedert de vorige eeuw al herhaalde malen zijn opgetrokken, blijft de stam van de Dzjoengaren invallen doen in het Chinese Rijk. Keizer Tj'ièn-loeng voert rond 1750 een aantal campagnes tegen hen uit, waarbij de Dzjoengaren verpletterend worden verslagen. In dezelfde tijd vestigt de Tj'ing-dynastie haar gezag over Tibet, waarmee sinds de vorige eeuw contact wordt onderhouden. Er heerst hier een enorme chaos. Diverse malen zijn dalai lama's afgezet en verjaagd. Bovendien onderhoudt Tibet contact met de Dzjoengaren, hetgeen de Tj'ing natuurlijk niet goedkeuren. Wanneer de Dzjoengaren een inval in Tibet doen, verjagen troepen van de Tj'ing hen. Sindsdien verblijven er een Chinees garnizoen en twee Chinese residenten in Lhasa, de hoofdstad van Tibet, om de dalai lama 'voor verdere gevaren te behoeden'. In deze eeuw worden Korea, de Ryukyu-eilanden, Vietnam en Birma tribuutstaten van China. Ook Nepal moet jaarlijks schatting aan de Tj'ing betalen, nadat een stam vanuit Nepal Tibet is binnengevallen en vervolgens door de Tj'ing-legers is verjaagd.

5.2.3 Contacten met het Westen

De Chinese handel met het buitenland, vooral met Europa, ontwikkelt zich verder. In tegenstelling tot vorige eeuwen zijn het nu voornamelijk de Engelsen die met China handel drijven. Zij worden vertegenwoordigd door hun Oost-Indische Compagnie. Door de Chinese regering zijn voor de handel met buitenlanders een aantal regels ingevoerd. Zo staat al deze handel onder het oppertoezicht van de zgn. Hoppo (zoals de buitenlanders de naam van deze Chinese instelling verbasteren). Niet alle kooplieden mogen als handelspartner van de buitenlanders optreden, maar alleen zij die behoren tot de Cohong (= Officieel Gilde) en direct onder de Hoppo staan. Sinds 1757, na een decreet van keizer Tj'ièn-loeng, mag handel met buitenlanders bovendien alleen nog in Kanton plaatsvinden. Vanwege de vele voorwaarden die China stelt, ontstaan geleidelijk steeds meer problemen.

Verscheidene delegaties vanuit het Westen, waaronder een aantal Nederlandse, proberen de zaak te bespreken, maar geen van hen boekt enig resultaat. Er wordt veel gesproken over het bezoek van de Engelse afgezant Macartney aan het hof in Peking, waar deze weigert de traditionele kowtow tegenover de Chinese keizer te verrichten. Dit 'kowtowen', een aantal gecombineerd knielende en buigende bewegingen, is in China een teken van eerbied tegenover een meerdere. Zo kowtowen kinderen tegenover hun ouders, leerlingen tegenover hun leraren en iedereen natuurlijk tegenover de keizer. Macartney weigert te kowtowen omdat hij kowtowen op één lijn stelt met knielen. Het incident tekent het cultureel onbegrip tussen China en het Westen, dat de voornaamste oorzaak vormt voor de problemen. Ook in de contacten met westerse missionarissen, die sinds de vorige eeuwen in groten getale China zijn binnengekomen, beginnen moeilijkheden te ontstaan. De jezuïeten, die als eersten naar China reisden, hebben zich tamelijk veel invloed weten te verwerven, voornamelijk omdat zij Chinees lezen en spreken en zich goed kunnen inleven in de Chinese gedachtenwereld. Bovendien veroordelen zij niet alle Chinese riten. Vooral onder keizer K'ang-si genieten zij veel aanzien. Wanneer de paus hun echter verbiedt het christendom aan te passen aan de confucianistische riten, begint de invloed van de jezuïeten te tanen. Onder keizer Joeng Tsjeng en zijn opvolger Tj'ièn-loeng worden uiteindelijk alle missionarissen vervolgd. Tj'ièn-loeng, die in zijn beginperiode als keizer zijn taak zeer serieus opvat, gaat geleidelijk aan steeds meer vertrouwen stellen in He Sjen, een hoge officier, die hij ten slotte tot eerste-minister benoemt. Onder He Sjen vindt corruptie onder ambtenaren op nog veel grotere schaal plaats dan voorheen. Pas als de opvolger van Tj'ièn- loeng, keizer Tjia Tj'ing, in 1796 de troon bestijgt, komt er een einde aan de macht van He Sjen en wordt deze onthoofd.

5.2.4 Neergang van de Tj’ing-dynastie

Onder deze Tjia Tj'ing begint de neergang van de Tj'ing-dynastie. De corruptie in het bestuur van het rijk is nauwelijks meer te bestrijden en er ontstaan steeds meer problemen bij het heffen van de belastingen, waarvan een groot deel bij de inners blijft hangen. In 1796 nog is dit tot uiting gekomen in de opstand van de Witte Lotus. De Witte-Lotusbeweging bestaat ten dele uit leden van een soort geheim genootschap, maar het merendeel wordt gevormd door bandieten. De leiders van de opstand zijn fel tegen het Mantsjoe-bewind en zeggen de corruptie in het rijk te willen tegengaan. Hoewel de opstand voornamelijk het karakter van elkaar bevechtende bendes heeft, is het de Tj'ing tot dusver niet gelukt hem neer te slaan.

5.2.5 Cultuur

In cultureel opzicht staat deze eeuw in het teken van een geweldige bloei. Vooral het porselein dat onder de keizers K’ang-si en Tj'ièn-loeng geproduceerd wordt, is beroemd en het wordt in grote hoeveelheden naar het Westen uitgevoerd. De schilderkunst, die zich in de vorige eeuw steeds verder ontwikkeld heeft, wordt op zeer grote schaal beoefend. In literair opzicht is er ongekend veel gecompileerd: er zijn grote keizerlijke uitgaven van historische en schriftgeleerde werken verschenen, encyclopedieën, enz. Onder keizer Tj'ièn-loeng wordt een aantal geleerden benoemd die de 'Volledige bibliotheek van de klassieken, de geschiedenis, de filosofie en de literatuur' (de Se k'oe tj'iuan sjoe) moeten samenstellen. Dit werk is na ongeveer tien jaar gereed en bestaat dan uit 79 339 delen. De ontwikkeling van de roman zet zich voort. Beroemde werken zijn o.a. de Hoeng-low meng (= De droom van de rode kamer), die een zeer grote, rijke familie beschrijft, en de Zjoe-lin wai-sje (= De geleerden), een satirische roman over de (geestelijke) corruptie van de confucianistische geleerden.

Een zeer beroemd dichter in deze eeuw is Juan Méi (1716–1797). Behalve poëzie schrijft Juan Méi ook veel proza, o.a. Tse Poe Ju, een verzameling van korte stukjes waarin wonderbaarlijke gebeurtenissen beschreven staan. De titel geeft dit al aan: 'Dat waar meester Confucius niet over sprak'. Ter illustratie hiervan volgt hieronder een vertaling van een van die stukjes, getiteld Het vat klonk:

Buiten de noordelijke poort van Nanking verbleef een tauïst van het Klooster van de Drie Helderheden die monsters kon vangen. Eens had hij een monster gevangen in de plaats Sing Hwa, en hij had dit opgesloten in een aardewerken vat onder het beeld van de Drie Helderheden in het klooster. (De Drie Helderheden zijn de Gele Keizer, Lau-tse en Tsjwang-tse.) Het jaar daarop hielden een paar studenten een afscheidsfeest voor een van hun vrienden, die naar Nanking zou gaan om deel te nemen aan de examens. Dronken geworden, zeiden zij tegen het vat: 'AIs onze vriend slaagt, zul jij nu klinken.' Toen klonk het vat eenmaal. Nadat de gasten vertrokken waren, zag de student toen hij 's nachts zat te studeren een in het wit geklede man op de drempel zitten, die hem met een gebaar feliciteerde. De student probeerde hem met een lineaal te slaan, maar de geest sloeg alleen maar luid lachend zijn handen ineen en vertrok. En inderdaad slaagde de student dat jaar.

5.3 De Indische archipel
5.3.1 Mataram

Hoewel de afgelopen eeuw in commercieel opzicht een groot fiasco voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) is geweest, heeft deze een duidelijk stempel op de politieke, economische en sociale structuur van de Indische archipel weten te drukken. De compagnie heeft haar grondgebied vergroot door steeds meer staatkundige bevoegdheden (ter controle van de overeenkomsten met de plaatselijke vorsten) naar zich toe te trekken. In ruil voor militaire bijstand tegen opstandelingen geeft Mataram eerst een aantal handelsmonopolies aan de VOC: de invoer van opium en lijnwaden en de uitvoer van suiker uit Japara en Semarang vallen haar toe. Na de Eerste Javaanse Successieoorlog (1705) staat Mataram Preanger, een deel van Madura en Tjirebon, aan de VOC af. In 1743 wordt zelfs een verdrag met Mataram gesloten waarin wordt bepaald dat de VOC voortaan het recht heeft ambtenaren en regenten te benoemen. Opnieuw worden nu gebieden aan de VOC afgestaan: Semarang, Japara, Surabaya, de rest van Madura, Rembang en de oosthoek van Java. Na de Derde Javaanse Successieoorlog (1755) wordt het hele rijk van Mataram door de sunan aan de VOC overgedragen. Het rijk wordt dan gesplitst in een vorstendom Yogyakarta en een vorstendom Surakarta. De VOC weet haar politiek van verplichte leveringen door te voeren door steun te verlenen aan machtige vorsten en de adel, en slaagt er daardoor in een relatie van wederzijdse afhankelijkheid te scheppen, die de stabiliteit ten goede komt. Anderzijds worden op deze manier ook de bestaande sociale structuren in de archipel ‘bevroren’.

5.3.2 De VOC

De VOC ontwikkelt zich langzamerhand tot een soort soeverein over de archipel; men kan de verplichte leveranties die aan de verschillende gebieden worden opgelegd, in de praktijk opvatten als het heffen van belastingen door een overheid. Het succes op staatkundig-territoriaal gebied staat echter in schril contrast met de commerciële ontwikkeling van de VOC. In 1779 heeft zij een schuld van 87 miljoen gulden, die lange tijd door leningen is gedekt. Tussen 1737 en 1782 wordt jaarlijks gemiddeld nog 16,5% dividend aan de aandeelhouders uitgekeerd, ondanks de zorgwekkende financiële situatie waarin de onderneming verkeert. De laatste twintig jaar van deze eeuw hebben anderen dan ook vrij spel in de archipel gekregen, met name de Engelsen. De Nederlandse controle van de zee is voorbij – als daar in deze contreien al ooit echt sprake van is geweest. In de zeventiende eeuw floreerde hier de zeeroverij immers al en thans zijn het de zgn. Moro's die de wateren van de archipel onveilig maken. Door het slechte beheer – de ambtenaren van de VOC zijn vaak corrupt – en de daarmee samenhangende slechte financiële situatie wordt het octrooi van de compagnie dat in 1798 afloopt, niet meer verlengd. Daarmee is een eind gekomen aan de VOC.

5.4 Vietnam
5.4.1 Mac Cu’u

In het begin van de eeuw weet de Nguyen-dynastie vanuit het zuiden van Vietnam het gebied waarover zij zeggenschap heeft, uit te breiden tot de Golf van Thailand. In het uiterste zuiden van Vietnam heeft zich aan het eind van de vorige eeuw een Chinees uit Kwangtoeng gevestigd, Mac Cu'u. Dit gebied was tot dan toe een verzamelplaats voor smokkelaars en zeerovers. Doordat de gouverneur van Cambodja hem vergunning voor het opzetten en exploiteren van gokhuizen verleent, weet Mac Cu'u in korte tijd een fortuin te vergaren. Hij investeert zijn geld in een tiental door hem opgezette nederzettingen, en om deze te beschermen tegen piraten roept hij de hulp van de Nguyen in. Van hen krijgt hij de titel gouverneur van Ha-Tien.

Vanaf die tijd wordt, tot de tweede helft van deze eeuw, met wisselend succes door verschillende partijen om dit gebied gevochten. Thailand en de Nguyen stonden hier steeds tegenover elkaar. De Nguyen weten het gebied uiteindelijk voorgoed onder controle te krijgen en hiermee heeft de expansie van de Vietnamezen naar het zuiden toe, die in de 10de eeuw is begonnen, haar uiterste grens bereikt. De Nguyen beginnen na de verovering van het zuiden de moerassen droog te leggen en binnen enkele decennia ontstaat hier het huidige, rijke rijstgebied.

Binnenslands probeert de Nguyen-familie, die formeel nog steeds ondergeschikt is aan de Lê-vorsten, autonomie te verwerven. Het gelukt Nguyen-Phu'o'c, die in 1702 een gezantschap naar Peking stuurt, echter niet de titel vu'o'ng (vorst) te krijgen. Hij kan slechts de titel công (hertog) voeren. In 1744 geeft zijn opvolger, Nguyen-Phu'o'c-Khoat, zich zelf de titel vu'o'ng. Als Vo-vu'o'ng reorganiseert hij de bestuurlijke indeling van het land. Daarnaast houdt Vo-vu'o'ng er echter veel vrouwen en een grote kostbare hofhouding op na en treedt hij nauwelijks tegen de corruptie van de ambtenaren op. Door huwelijk weet een minister zijn zoons en dochters aan die van de vorst te binden en bij Vo-vu'o'ngs dood, in 1764, zet deze minister de twaalfjarige opvolger aan de kant en benoemt in diens plaats een regent.

5.4.2 De Tay-Son-broers

Na enige tijd komt door de corruptie, het slechte bestuur en het tirannieke optreden van de regent de bevolking in opstand onder leiding van drie broers uit Tay-Son, een onherbergzame streek in het centrum van het land die door militaire kolonisten toegankelijk is gemaakt. De Trinh in het noorden maken van deze opstand gebruik om de Nguyen in het noorden aan te vallen en de broers uit Tay-Son, die hun machtsbasis in het gebied van de Nguyen gestaag zien groeien, steunen hen. Na enkele successen worden de Trinh-legers echter door epidemieën getroffen en gedecimeerd en moeten zij zich naar het noorden terugtrekken.

De Tay-Son-broers zijn in hun strijd tegen de Nguyen succesvol. In 1778, twee jaar na de inname van de hoofdstad, roept de oudste broer, Nguyen Nhae, zich in Quinhon tot keizer uit. De aandacht van de drie broers richt zich nu op het noorden. In 1786 wordt de provincie Thuan-hóa bezet en komen de Trinh ten val. De ondergang, een jaar later, van hun hoofdstad Thang-long betekent tevens het einde van de Lê-dynastie. De jongste van de Tay-Sonbroers, Nguyen Hué, wordt uitgeroepen tot keizer. Hij weet zich te handhaven door onder meer een Chinese invasiemacht terug te slaan.

Aangezien de langdurige oorlogen de economie van het land totaal hebben ontwricht, maakt de nieuwe keizer een plan voor herstel van de economie. Er wordt een nieuw kadaster opgezet en een hervorming van het belastingstelsel doorgevoerd. Hierdoor kunnen kleine boeren die hun land verloren hebben, weer grond krijgen en wordt de corruptie van ambtenaren enigszins teruggedrongen. Het braak laten liggen van land wordt strafbaar gesteld en de keizer probeert de handel te stimuleren door speciale aandacht te schenken aan het opzetten van markten. De Tay-Son komen echter te weinig aan de behoeften van de boerenbevolking tegemoet – ondanks alle beloften. De sociale structuur blijft intact en al snel vormt zich een nieuwe oligarchie. Ondanks de hereniging van het noorden en het zuiden onder één keizer blijft het in beide delen van het land onrustig, waaronder met name de boeren te lijden hebben.

5.4.3 Cultuur

Op cultureel gebied is in deze eeuw een hoogtepunt bereikt. Grote prestaties op literair en wetenschappelijk gebied worden geleverd door Lê-Quy-Dôn, vooral beroemd door zijn Geschiedenis van Dai-Viêt. Dit historische werk is wat betreft analyse, rijkdom aan gegevens en literaire stijl onovertroffen. De meeste werken worden nog in het Chinees geschreven, maar daarnaast komt het schrijven in de eigen taal, het nôm, deze eeuw in zwang. De traditionele verachting van intellectuelen voor de eigen taal begint te verdwijnen. Het boeddhisme beleeft een nieuwe bloeiperiode. In opdracht van vorsten is deze eeuw een groot aantal pagoden gebouwd. Ook in vele andere kunstuitingen zijn in toenemende mate boeddhistische invloeden te onderkennen.

5.5 Japan

De afgelopen eeuw is in Japan een eeuw van bijna volmaakte rust geweest. De Tokoegawa-familie, waaruit de sjogoen voortkomt, heeft alle sectoren van het maatschappelijk leven onder controle en weet haar isolatiepolitiek praktisch totaal door te voeren. De negatieve effecten hiervan - stilstand in de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling - zijn onmiskenbaar. Zelfs op demografisch gebied is er sprake van een stilstand: de omvang van de bevolking aan het begin van de eeuw was ongeveer gelijk aan de huidige: 30 miljoen. Hevige spanningen en conflicten, zoals die de voorgaande eeuwen hebben gekenmerkt, blijven achterwege. In de kunst en de literatuur is dit duidelijk waarneembaar, evenals bij de opkomst van een klasse van handwerkslieden en handelaren in de geleidelijk groeiende steden. Heroïsche samoerai-taferelen worden schaars; de kunst ondergaat een zekere verburgerlijking. Zie ook Japanse architectuur en beeldende kunst.