achttiende eeuw
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
achttiende eeuw
3. Amerika
3.1 Noord-Amerika

Na 1783 (Vrede van Versailles) wordt de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika, bevochten in de acht jaar durende Amerikaanse Vrijheidsoorlog tegen de Britten, internationaal erkend. In de jaren hierna zijn unieke staatsrechtelijke maatregelen getroffen, met name de Constitutie van 1787 met haar van Montesquieu overgenomen driedeling der macht, de driemachtenleer.

3.1.1 Massachusetts

De bakermat van de Amerikaanse vrijheid, in het noorden van de bondsstaat, is Massachusetts, middelpunt van handel en cultureel leven. De hoofdstad, Boston, is de afgelopen eeuw getuige geweest van gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor de loop der geschiedenis: in 1770 de zgn. Boston massacre en drie jaar later de Boston tea party. Beide waren op zich geen wereldschokkende voorvallen, maar zij hebben toch een belangrijke stimulans gegeven aan het vrijheidsstreven. In de stad is een bekende universiteit gevestigd, Harvard University, die met enige honderden studenten en een bibliotheek van ongeveer tienduizend boeken de belangrijkste van het land is.

De staat New York heeft in de jongste geschiedenis niet zo'n voorname rol gespeeld. Wel opvallend is de snelle groei van de stad New York: in tien jaar is het bevolkingsaantal verdubbeld, het bedraagt nu 60 000.

3.1.2 Philadelphia

De meeste inwoners (70 000) telt Philadelphia (Pennsylvania), sinds kort hoofdstad van de Verenigde Staten. In 1776 is hier de onafhankelijkheidsverklaring afgekondigd, waarvan de staatsman Thomas Jefferson (1743-1826) de geestelijke vader is. De stad is in 1793 getroffen door een epidemie van gele koorts, waaraan een kleine tienduizend mensen zijn gestorven. Deze ramp heeft de autoriteiten ertoe aangezet de hygiëne en de levensomstandigheden te verbeteren. Sinds 1791 is in Philadelphia het hoofdkantoor van de Bank of the United States gevestigd. Pennsylvania, bolwerk van de pacifistisch gezinde quakers, herbergt vele inwoners van Duitse en Iers-Schotse afkomst, die mede aan de welvaart van deze staat hebben bijgedragen.

3.1.3 Virginia

Virginia heeft evenals Massachusetts een grote rol gespeeld in de vrijheidsstrijd: hier heeft in 1781 de laatste veldslag van de oorlog plaatsgevonden. Samen met Virginia bezitten North en South Carolina en Georgia zeer veel Afrikaanse slaven; dit is tevens het geval in de nieuwe staten Tennessee en Kentucky.

3.1.4 Slavernij

De laatste jaren lijkt in de noordelijke staten de slavernij meer weerwerk te krijgen: nadat in 1775 de eerste vereniging tegen deze vorm van vrijheidsberoving is opgericht, zijn met name in Pennsylvania en Massachusetts juridische maatregelen getroffen. In de laatstgenoemde staat heeft het hoogste gerechtshof in 1783 in een zaak waarin een slaaf zijn eigenaar aanklaagde, de volgende overweging uitgesproken: 'Het recht van christenen om Afrikanen in blijvende slavernij te houden en te verkopen was een gebruik dat zijn oorsprong vond in de praktijk van enige Europese volken en in de bepalingen van de Britse regering betreffende de toenmalige koloniën, ten bate van de handel en welvaart. Maar welke gevoelens in deze ook vroeger hebben geleefd of door het voorbeeld van anderen zijn binnengeslopen, er is een andere opvatting onder het Amerikaanse volk ontstaan, die voorstaat de natuurlijke rechten van de mensheid en dat aangeboren verlangen naar Vrijheid waarmee de Hemel (zonder zich te bekommeren om huidkleur, aanzien of vorm van de neus) heel het menselijke ras heeft begiftigd. Op grond hiervan ... verklaart onze Regeringsconstitutie... dat alle mensen vrij en gelijk berechtigd worden geboren ... dat iedere onderdaan recht op vrijheid heeft... de idee dat er geboren slaven zijn, is onverenigbaar met deze constitutie... De levenslange slavernij van een denkend wezen is niet toegestaan, tenzij hij zijn vrijheid verspeelt door enig misdadig gedrag of opgeeft door persoonlijke toestemming of via een contract. '

3.1.5 De zuidelijke staten

In de zuidelijke staten is van dergelijke opvattingen nauwelijks sprake, eerder lijken de slavenbezitters hun houding te verharden. Het gebied ten westen van de kuststaten, Northwest Territory, is het object van landspeculatie op grote schaal. Ofschoon de regering verdragen probeert te sluiten met de hier wonende Indianen, breken er keer op keer gevechten uit met de westwaarts oprukkende kolonisten. In het zuiden worden de Indianen gesteund door de Spanjaarden, in het noorden door de Britten. De laatste jaren zijn door generaal Wayne, bijgenaamd 'Mad Anthony', successen behaald bij de grens met Canada; zijn overwinning in de slag bij Fallen Timbers is beroemd. Veel indruk, zowel in Amerika als in Europa, heeft de redevoering van het Mingo-opperhoofd Logan in 1774 gemaakt, wiens gezin door blanken was uitgeroeid. De staatsman Thomas Jefferson geeft de rede in zijn boek Notes on the State of Virginia als volgt weer: 'Ik (Logan) tart elke blanke man te beweren dat hij ooit Logans hut hongerig is binnengekomen en dat hem geen vlees is gegeven, dat hij koud en naakt is gekomen en hem geen kleding is gegeven. Gedurende de loop van de laatste lange en bloedige oorlog bleef Logan rustig in zijn hut, een pleiter voor vrede. Zo groot was mijn liefde voor de blanken, dat mijn landgenoten naar mij wezen als zij langskwamen en zeiden: 'Logan is de vriend van de blanken'. Maar de afgelopen lente heeft Col. Cresap in koelen bloede en zonder aanleiding al de familieleden van Logan vermoord, hij spaarde zelfs niet de levens van mijn vrouwen en kinderen. Er stroomt geen druppel bloed van mij meer door de aderen van enig levend schepsel. Dit riep bij mij wraak op en ik heb naar haar ook gedorst: ik heb velen gedood, ik heb mijn wraakgevoelens volledig bevredigd...’

Soms wordt er gespeculeerd op de lust tot geldelijk gewin die onder blanken en Indianen leeft om tot een doeltreffende bestrijding van vijandige stammen te komen. In 1755 – ten tijde van de Brits-Franse oorlog – werd door de kapitein-generaal van de Britse koloniale provincie Massachusetts-Bay geld aangeboden voor het gevangennemen of scalperen van oorlogszuchtige Indianen: 'Voor elke mannelijke Indiaanse gevangene boven de leeftijd van twaalf jaar, die gevangengenomen en naar Boston gebracht wordt, vijftig pond. Voor elke scalp van een Indiaanse manveertig pond. Voor elke vrouwelijke Indiaanse gevangene... en voor elke mannelijke Indiaanse gevangene beneden de leeftijd van twaalf jaar... vijfentwintig pond. Voor elke scalp van een Indiaanse vrouw of Indiaanse man beneden de leeftijd van twaalf jaar... twintig pond‘.

De positieve aspecten van de Indiaanse gemeenschappen worden door de meeste blanken niet onderkend. Een uitzondering is de Engelsman John Lawson, die in de beginjaren van deze eeuw verschillende tochten door Indiaans gebied heeft ondernomen. Drie jaar voor zijn dood in 1712, ironisch genoeg veroorzaakt door de door hem zo bewonderde Indianen, verscheen zijn History of North Carolina, waarin de volgende regels voorkomen: 'Zij (de Indianen) hebben geen afrasteringen om de percelen in hun velden te scheiden, maar elke man kent zijn eigen grondstuk. Het komt uiterst zelden voor dat zij elkaar ook maar van een korenaar beroven; als iemand toch wordt betrapt, wordt hij door de Ouden ertoe veroordeeld voor degene die is beroofd, te werken en te planten, net zolang tot al de schade is vergoed... Het komt vaak voor dat een vrouw van haar echtgenoot is verstoken en een groot aantal kinderen te onderhouden heeft; zo iemand helpen zij altijd, zij laten hun jongemannen planten, oogsten en alle dingen doen waartoe zijzelf niet in staat is... Nooit vechten zij met elkaar, behalve als zij dronken zijn, noch kan men hen ooit tegen elkaar horen kijven. Ze zeggen dat de Europeanen altijd zeuren en onrustig zijn en ze vragen zich af waarom zij niet deze Wereld verlaten, aangezien ze zich hier niet op hun gemak voelen en ontevreden zijn. Al de rampen en verliezen (die de Indianen treffen) eindigen in gelach; al vatten hun hutten vlam en verbranden al hun goederen ... toch loopt zulk een ramp altijd uit op een hartelijke lachbui, behalve als familieleden of vrienden hun levens hebben verloren ... Een elders veel voorkomende ondeugd heb ik nooit bij hen aangetroffen, namelijk het benijden van andermans geluk.’

3.1.6 Canada

In Canada zijn er sinds het einde van de French and Indian War (1756–1763) geen door Fransen bestuurde gebieden meer, maar er leeft nog wel een aanzienlijke hoeveelheid Franstaligen, die zich niet altijd even inschikkelijk betonen tegenover de Britse overheersers. Sinds 1791 is het land verdeeld in een Franstalig deel (Neder-Canada) en een Engelstalig deel (Opper-Canada).

3.2 Midden- en Zuid-Amerika

Nieuw-Spanje, de grote Midden-Amerikaanse kolonie der Spanjaarden, is in zijn export geheel op het moederland gericht. De macht is er in handen van de grootgrondbezitters en de mijneigenaars; zij bezitten in de praktijk meer invloed dan de voormalige corregidores (districtsambtenaren) – waarvan er ongeveer 200 waren aangesteld – en de huidige intendanten en subdelegados. In deze eeuw zijn twee nieuwe vice-koninkrijken tot stand gekomen: Nieuw-Granada (Colombia, Ecuador, Venezuela en Panama) en La Plata (Argentinië, Uruguay en Paraguay). In Paraguay zijn de reducciónes van de jezuïeten verwaterd na de uitwijzing van de orde, in 1767, uit Zuid-Amerika.

De jezuïetenpater Dobritzhoffer heeft in 1774 over zijn verblijf tussen de Guaraní in Paraguay een verslag geschreven. Over de levensgewoonten van deze Indianen meldt hij onder meer: 'In deze wouden is er een verbazingwekkende productie van maïs en andere groenten, evenals van tabak. Voor zij naar bed gaan, zetten zij hun potten vol vlees of groenten op het vuur, opdat hun ontbijt gereed is als zij ontwaken: want bij het krieken van de dag beginnen de mannen boven de zeven jaar met bundels pijlen door het woud te trekken op zoek naar het wild waarvan zij die dag moeten leven. De moeders leggen hun zuigelingen in gevlochten manden en dragen ze op hun schouders wanneer ze door het woud trekken. Uit de bijennesten, waarmee de bomen volhangen, verzamelen zij hoeveelheden voortreffelijke honing, die als eten en als drank dienst doet. Hun naam voor God, in de Guarani-taal, is Tupa, maar van die God en zijn geboden willen zij maar weinig weten. Zij zijn even onwetend van de verering van afgoden als van het Opperwezen. De geest van het kwaad noemen zij Ananga, maar zij aanbidden hem niet. Ze hullen hun doden in grote vaten van klei, overeenkomstig een oude Guaraní-rite. Zij doen nooit moeite erover na te denken wat hun lot na dit leven zal zijn. Zij voeden zich niet met mensenvlees, hoewel de naburige Indianen het als een delicatesse beschouwen. Elke vreemdeling - Indiaan, Spanjaard of Portugees - verdenken zij van vijandige bedoelingen ... Op vragen betreffende hun woonplaats antwoordden ze dat die heel ver weg lag en alleen bereikt kon worden door vele moerassen te doorwaden; een slim antwoord dat gedicteerd werd door hun zorg om zich zelf en hun vrouwen ... Opdat hun voetsporen hun toevluchtsoord niet zouden verraden, pasten zij op de terugtocht de volgende list toe: als zij via een zuidelijke weg heengingen, keerden zij via een noordelijke weg terug en omgekeerd, zodat de Spanjaarden zich geen idee konden vormen van de plek waar zij zich schuilhielden.’

Het oude vice-koninkrijk Peru is in de jaren tachtig geconfronteerd met een Indianenopstand onder leiding van de Inka Tupac Amarú. Sindsdien lijken de autoriteiten de Indianen serieuzer te nemen en worden er voorzichtige hervormingen doorgevoerd die een taalkundige en later misschien ook culturele assimilatie tot doel hebben.

De Portugese kolonie Brazilië heeft deze eeuw een bloei doorgemaakt als gevolg van de ontdekking van enorme goudaders in Minas Gerais en Mato Grosso en van de verrassende diamantvondsten. De koortsachtige activiteiten die dit alles mee heeft gebracht, hebben evenwel geleid tot verwaarlozing van de landbouw; met name de suikerrietcultuur is achteruitgegaan.