| Zoekweergave | achttiende eeuw | Terug |
| Introductie |
achttiende eeuw. De bevolking van Europa neemt sterk in aantal toe. Na de Franse Revolutie voert Frankrijk een agressief beleid. In Noord-Amerika zijn de Verenigde Staten sinds 1783 officieel onafhankelijk.
| 1. De wereld in vogelvlucht |
| 1.1 Europa |
| 1.1.1 De grote mogendheden |
Aan het einde van de achttiende eeuw telt Europa meer dan 180 miljoen inwoners, 70 miljoen meer dan aan het begin. Op politiek terrein hebben zich enorme verschuivingen voorgedaan, vooral in het laatste decennium. Na de Franse Revolutie van 1789 heeft Frankrijk zich ontwikkeld tot de meest agressieve mogendheid: onder leiding van Napoleon I Bonaparte voert het oorlog tegen Rusland, Oostenrijk, Groot-Brittannië, Portugal, Napels en het Osmaanse Rijk. Deze sterke expansiedrift doet zich voor aan het einde van een eeuw die juist een verlies van Franse macht op het continent en in de koloniën te zien heeft gegeven. Groot-Brittannië heeft zich ontwikkeld tot de sterkste mogendheid in Europa, hoewel deze positie nu door Frankrijk wordt aangevochten. Vooral de omvang van het Britse koloniale rijk is toegenomen (Voor-Indië, Canada), ondanks het verlies van de nu onafhankelijke Verenigde Staten. Oostenrijk is evenals Groot-Brittannië een van de meest vooraanstaande en verbeten tegenstanders van het revolutionaire Frankrijk; het land heeft de afgelopen eeuw een voorname rol gespeeld in de strijd om de Europese hegemonie. Het andere belangrijke Duitse land, Pruisen, houdt zich afzijdig van de Europese troebelen. Het land heeft zich vooral door zijn sterke interne structuur de afgelopen honderd jaar kunnen opwerken tot een van de machtigste mogendheden. De kolos in het oosten, Rusland, heeft zijn grenzen verder naar het westen verlegd en speelt nu eigenlijk voor het eerst in zijn geschiedenis daadwerkelijk een rol van betekenis in de Europese politiek. Deze vijf landen - Frankrijk, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland – bepalen grotendeels het politieke gezicht van Europa in de achttiende eeuw.
| 1.1.2 De rest van Europa |
Dan zijn er de grote verliezers van deze honderd jaar. Spanje, in de vorige eeuw nog in het bezit van een machtig leger en van uitgestrekte gebieden op het continent, is nu een verkommerd land in een uithoek van Europa. Polen, aan het begin van de eeuw nog een staat van reusachtige omvang, is aan het einde ervan (na 1795) verdwenen en opgesplitst tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk. De hegemonie van Zweden in het noorden is sinds de rampzalige oorlogen van Karel XII volledig teniet gedaan. De trotse onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden is verloren gegaan: zij is nu onder de naam Bataafse Republiek een vazalstaat van Frankrijk. De Zuidelijke Nederlanden staan, na bijna een eeuw Oostenrijkse overheersing, onder Frans bewind. In Zuidoost-Europa heeft het Osmaanse Rijk verdere verliezen moeten accepteren; het speelt nauwelijks meer een rol in de continentale politiek.
| 1.2 Economie |
In deze eeuw is zich een mondiale economie gaan ontwikkelen met Europa als middelpunt; dit continent, met name het noordwesten, is dan ook onvergelijkbaar rijker dan welk ander werelddeel ook. De dankzij talrijke uitvindingen ontwikkelde techniek, die haar uitwerking op de landbouw en de industrie niet mist, stelt vele Europeanen in staat een grotere greep te krijgen op vroeger niet te beïnvloeden omstandigheden. De meeste mensen wonen en werken nog op het land, alleen Londen (900 000 inwoners) en Parijs (600 000 inwoners) kan men grote steden noemen; slechts 50 steden hebben meer dan 50 000 inwoners.
| 1.3 Invloed van de Verlichting |
De ideeën der Verlichting zijn een voortzetting gebleken van het al in de vorige eeuw in kleine kring opgekomen geloof in de vooruitgang. Deze denkbeelden – waarop volgens de wijsgeer Immanuel Kant de leus: 'durf je eigen verstand te gebruiken' van toepassing is – zijn niet beperkt gebleven tot een filosofie voor een kleine elite, maar hebben een grote invloed uitgeoefend op het maatschappelijke en politieke leven van deze tijd: zo zijn de verlichte despoten Frederik de Grote van Pruisen, Catharina de Grote van Rusland en Jozef II van Oostenrijk sterk door deze ideeën beïnvloed en is de Franse Revolutie moeilijk voor te stellen zonder de ideële bovenbouw der Verlichting.
| 1.4 Gebieden buiten Europa |
In Noord-Amerika zijn de Verenigde Staten sinds 1783 officieel onafhankelijk; Canada is een Britse kolonie. Midden- en Zuid-Amerika staan grotendeels onder Spaans bestuur. De Portugezen koloniseren Brazilië. Het noorden van Afrika staat deze eeuw bijna geheel onder suzereiniteit der Turken. De Europese invloed is op het Afrikaanse continent nog gering, alleen in het uiterste zuiden is sprake van kolonisatie op grote schaal.
Azië kent deze eeuw grote veranderingen. In India is de macht van het Mongoolse keizerrijk verdwenen, en de Britse invloed groeit er. In de Indische Archipel zijn de activiteiten der Verenigde Oost-Indische Compagnie gestaakt. Vietnam beleeft in 1787 het einde van de Lê-dynastie. Het Chinese rijk maakt onder de Tj'ing–dynastie een periode van expansie door. Japan ziet deze achttiende eeuw in rust verstrijken.
| 2. Europa |
| 2.1 Frankrijk |
| 2.1.1 De Verlichting |
De ideeën der Verlichting winnen in de tweede helft van de eeuw in Frankrijk snel terrein. Montesquieu, die in 1722 in zijn satirische briefroman Lettres persanes al de sociale en staatkundige misstanden in Frankrijk had gehekeld, publiceert in 1748 zijn De l'ésprit des lois, een verhandeling over de wetgeving die binnen korte tijd talloze herdrukken beleeft. De schrijver ontwikkelt hierin de belangwekkende stelling dat wetten de gewoonten, de godsdienst en de maatschappelijke verhoudingen moeten weerspiegelen, wil de staat stabiel zijn. De staatsmacht verdeelt hij, voortbordurend op stellingen van John Locke, in drie elementen: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Jean-Jacques Rousseau, telg uit een naar Genève uitgeweken hugenotenfamilie, toont zich in zijn werk voorstander van de 'natuurstaat' en ziet eigendom als de oorzaak van alle ongelijkheid en uitbuiting. De 'staat', een schepping van de machtigen, dient slechts om de bestaande toestand te bestendigen. Nadat in 1762 de uitgave van zijn Contrat social ou Principes du droit, waarin de soevereiniteit van de vrije burgers wordt verdedigd, de positie van Rousseau in Genève al bijna onhoudbaar had gemaakt, leidt de publicatie van de roman Émile ou De l'éducation, in datzelfde jaar, tot zijn vlucht. Het boek wordt verboden. Vooral het laatste deel van Émile, waarin Rousseau zich bekent tot de natuurlijke godsdienst, het deïsme, heeft de autoriteiten in dit besluit gesterkt. Overigens ontwikkelt de schrijver interessante pedagogische denkbeelden in zijn roman, waarvan het belangrijkste is de idee om de experimentele methode ook in de opvoeding toe te passen.
Twee jaar later valt ook de in het dicht bij Genève, maar nog in Frankrijk gelegen plaatsje Ferney wonende Voltaire de clerus en de geïnstitutionaliseerde godsdienst aan in zijn Dictionnaire philosophique, waarin hij de bijbel absurd en amoreel noemt. Ondanks deze vroeger ondenkbare stelling is de respons op Voltaires boek enorm, hetgeen in deze steeds rationalistischer wordende tijd niet verwonderlijk is. Voltaires scherpe pen heeft hem eerder in grote moeilijkheden gebracht: in 1717 werd hij in de Bastille gevangengezet vanwege een satire op het leven van de regent, Filips II van Orléans. In 1734, na acht jaar tevoren overigens weer gevangene in de Bastille geweest te zijn, moest hij als gevolg van de publicatie van de Lettres anglaises, waaruit een anti-Franse gezindheid sprak, zijn toevlucht nemen tot een verblijf op een afgelegen landgoed in Lotharingen. Voltaires naam is in 1764 echter al zo gevestigd dat repercussies op het persoonlijke vlak bij de publicatie van zijn Dictionnaire uitblijven.
Montesquieu, Rousseau en Voltaire hebben intussen, samen met D'Alembert en vele andere geleerden, meegewerkt aan de totstandkoming van de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers, waarvan het laatste deel verschijnt in 1772. De encyclopedie omvat dan zeventien delen tekst en elf delen illustraties. Het doel van de uitgave heeft Denis Diderot, die de algemene leiding in handen heeft gehad, in 1750 als volgt beschreven: 'Het gaat erom de onderlinge samenhang der dingen bloot te leggen... en een algemeen beeld van de bemoeienissen van de menselijke geest op alle gebieden en in alle eeuwen te schetsen'.
Reeds in 1752 werd het werk onder druk van jezuïeten en jansenisten verboden. Het verbod werd opgeheven, maar in 1759 kwam de uitgave wederom in gevaar door de heftige kritiek uit kerkelijke kringen.
| 2.1.2 Oorzaken van de Revolutie |
De achttiende eeuw eindigt in Frankrijk met onrust en troebelen. Voor wie terugkijkt op de nu verstreken honderd jaar, laat zich de onvermijdelijkheid van de tegenwoordige gebeurtenissen moeilijk loochenen. Het verlicht absolutisme, waarvan koning Lodewijk XIV de ultieme belichaming was, heeft geen veranderingen aan kunnen brengen in de verouderde feodale ordening van de staat, waarin geestelijkheid en adel de toon aangaven. De derde stand, de bourgeoisie, keek met afgunst naar de privileges van de beide hogere standen. De gewone mensen, vooral loontrekkenden, werden getroffen door de sterke inflatie, die niet gecompenseerd werd door hogere lonen. De zelfstandige boeren waren er niet zo slecht aan toe, in tegenstelling tot de landarbeiders, ongeveer de helft van de bevolking uitmakend, die onder een bestendig toenemende druk moesten leven.
Op het gebied van de buitenlandse politiek is Frankrijk geleidelijk aan zijn vooraanstaande positie kwijtgeraakt aan Engeland. Er zijn wel kleine successen geboekt, zoals de inlijving van Lotharingen en Corsica, maar deze zijn volkomen overschaduwd door het verlies van Canada en Louisiana en het teloorgaan van de invloed in Voor-Indië. Een laatste punt van ontevredenheid in het land is het voortdurende staatsdeficit geweest, dat ondanks het ingewikkelde belastingsysteem niet opgeheven kon worden.
Zo is het niet verwonderlijk dat de met de ideeën der Verlichting gevoede bourgeoisie - en niet alleen zij - zich in 1789 losscheurt van het verouderde staatsbestel en geleidelijk aan zelf de macht in handen neemt, de Franse Revolutie.
| 2.1.3 De Terreur |
In 1792 wordt de republiek uitgeroepen; in de twee daaropvolgende jaren siddert Frankrijk en vooral Parijs onder een regime dat niet zonder reden La Terreur wordt genoemd. Allereerst wordt koning Lodewijk XVI onthoofd door de guillotine, een nieuwe manier van terechtstellen die men humaner acht dan de vroegere methode. Enkele maanden later komt de advocaat Robespierre aan de macht, daartoe in de gelegenheid gesteld door het radicale proletariaat, dat in de bourgeoisie slechts uitbuiters en onderdrukkers ziet. En ondertussen is Frankrijk in oorlog gekomen met bijna alle grote Europese mogendheden.
Onder deze woelige omstandigheden blijkt de tijd rijp voor een uitbarsting van alle vroeger onderdrukte haatgevoelens jegens de hogere klassen: veertigduizend mensen komen om in deze 'tijd der verschrikking', vooral in de Vendée, waar zich vele girondijnen (gematigde volksvertegenwoordigers) en royalisten hebben teruggetrokken. Ook in grote provinciesteden als Lyon vinden vele executies plaats, niet alleen van edelen en hogere bourgeois, maar merkwaardig genoeg vooral van eenvoudige landarbeiders.
In de hoofdstad worden meer dan 1200 mensen geguillotineerd, onder wie koningin Marie Antoinette. Robespierre heeft de terreur in een rede tot de Conventie als volgt verdedigd: 'Indien in vredestijd de beweegreden van de regering van het volk de deugd is, dan is die beweegreden in revolutietijd tegelijk de deugd en de terreur: terreur zonder deugd is funest; deugd zonder terreur is onmachtig. De terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare justitie. Zij is dus een uitvloeisel van de deugd. Zij is niet zozeer een beginsel op zichzelf, als wel een consequentie van het algemene beginsel van de democratie, aangepast aan de meest dringende behoeften van het vaderland. Men zegt dat de terreur de drijfveer was van het despotisme. Lijkt uw regering dus op het despotisme? Ja, op dezelfde manier als het ene zwaard, blinkend in de handen van de helden van de vrijheid, lijkt op het andere, waarmee de satellieten van de tirannie bewapend zijn ... De regering van de Revolutie is het despotisme van de vrijheid tegen de tirannie. Bestaat het geweld alleen om de misdaad te beschermen? En is de bliksem niet bestemd om trotse hoofden te treffen?'
Vlak voor de val van Robespierre, die hetzelfde lot ondergaat als zijn slachtoffers, hebben de enragés nog getracht het christendom af te schaffen en daarvoor in de plaats een cultus der rede in te voeren. In juli 1794 komt een einde aan deze periode van terreur. De 's-Gravenhaagsche Courant van 25 juli bevat een beschrijving van de laatste dagen van deze glorietijd der enragés: 'Parijs, 14 juli. Te midden van al deze treurtonelen ... die Parijs van bloed doen stromen, vind een ieder, die niet strafschuldig is, thans zijn aanwezen zo verdrietig en smertlijk, dat iedere dag de ijselijkheden des doods in zijn oogen verminderen... Een ieder leeft slegts onder bewilliging van elken dag te sterven. En egter, bij de eerste stralen van een schoonen dag en bij elke nieuwe vertoning, comedie of toneelstuk, ziet men de menigte en de nieuwsgierigen de wandelplaatsen en de schouwburgen overstromen. Men verzaakt geen van zijn ontwerpen noch van zijn gebreken en ondeugden: wispelturigheid en mode nemen derzelver regten weder. Men bouwt alom nieuwe huizen met dezelfde vaardigheid als de misdaaden gepleegd worden; men pronkt dezelve op met de uitgezogtste meubelen. Een argwaan komt den onvoorzigtigen eigenaar van alles beroven, wiens droevig geval eenen nog onvoorzigteren aankoper niet terug houd. Nooit zag men grooter begeerlijkheid en nooit was dezelve gevaarlijker. Lekkere maaltijden, keurige wijnen worden in alle openbaare plaatsen gezogt. Men haast zig, om nog eenen dag bij zijnen vermaaken te voegen; men ziet onverschilliglijk ongelukken, aan welken men zig reeds onderworpen heeft. Nauwelijks heeft de ongelukkige het slagtoffer naar het bloedtoneel zien lijden, of hij loopt naar eenen der twintig schouwburgen van vermaak welken de menigte telkens vervult, om een oogenblik de ijslijkheden, en gevaaren, die hem van alle zijden omringen, te mogen vergeten; en weer te zijnen te keren, waar de verzegelij en gevangenschap hem, misschien, weer wagten.'
| 2.1.4 Economie |
Als reactie op de volksdictatuur is nu een behoudend regime ingevoerd, waarbij de bourgeoisie weer ongehinderd haar belangen kan bevorderen. Niet alleen de oude burgerij viert triomfen, maar vooral ook parvenus en nouveaux riches, omhooggeklommen speculanten die nu het uitgaansleven domineren. Sinds kort heeft Napoleon I Bonaparte, die enige jaren geleden als generaal in Italië triomfen vierde, als eerste consul een positie met praktisch onbeperkte macht. De Franse provincie is deze eeuw meer opengelegd voor handel en verkeer. Reeds in 1681 kwam het Canal des Deux-Mers gereed, dat de Atlantische Oceaan verbindt met de Middellandse Zee. De kosten bedroegen 17 miljoen livres, maar het 241 km lange kanaal heeft niet geheel aan de verwachtingen voldaan: de drukke handelsscheepvaart bleef uit. Daarentegen werpen later minder ambitieuze projecten wel hun vruchten af; op het ogenblik is het hele noordoosten bedekt met een netwerk van kanaaltjes. De havensteden profiteren van de toegenomen koloniale handel: Nantes, Bordeaux, Marseille en Rouen hebben deze eeuw een periode van bloei doorgemaakt.
Ook de industriële activiteit is groter geworden: zo is Rouen een voornaam producent van tinglazuuraardewerk: achttien fabrieken bieden werkgelegenheid aan tweeduizend arbeiders. De belangrijkste industrie op het gebied van keramiek is gevestigd te Limoges, dat na de ontdekking in zijn omgeving van kaolien - onmisbaar voor de vervaardiging van porselein - een ongekende welvaart geniet. Fraaier porselein evenwel wordt geproduceerd te Sèvres bij Parijs (Sèvresporselein), waar men door het keramiek op een lagere temperatuur te bakken een weliswaar brozer, maar verfijnder resultaat verkrijgt.
Zijde-industrie vond men tot voor kort in Lyon, de stad die zo zeer te lijden heeft van de uitwassen der Revolutie. De opstand tegen de Nationale Conventie, aangesticht door de hier doorgaans royalistische industriëlen, heeft enige jaren geleden geleid tot een bloedbad, aangericht door een revolutionair bezettingsleger. De Place Bellecour is het centrum van Lyon, een reusachtig plein dat tot de grootste van Europa behoort. Maar alle pracht van deze vroeger zo levendige stad komt enigszins niet ter zake doend over nu economische stilstand de Lyonese vitaliteit heeft lamgelegd.
| 2.2 Spanje en Portugal |
Sinds 1700 wordt Spanje geregeerd door het koningshuis der Bourbons, dat deze eeuw weliswaar weinig indrukwekkende vorsten heeft opgeleverd, maar toch niet zulke dégenerés als de laatste telgen uit het Huis Habsburg. De troonopvolging van Filips V gaf dadelijk aanleiding tot een van de omvangrijkste oorlogen die de wereld tot op heden gezien heeft; niet alleen vele Europese landen waren erbij betrokken, maar ook overzeese gebieden. Voor Spanje resulteert deze Spaanse Successieoorlog in het verlies van zijn Europese bezittingen.
Na de oorlog (1714), kon het land zich op zijn interne problemen gaan toeleggen; sindsdien zijn de Cortes niet meer bijeengeroepen en hebben de Bourbons het absolutisme gevestigd.
Na het midden van de eeuw beleeft het land een economische opbloei en ook een verlichting van de vanouds zware geestelijke druk van de Kerk: in 1767 zijn bijv. de jezuïeten, die in Spanje altijd de vooruitgang geremd hebben, het land uitgezet. Het laatste decennium van de eeuw lijkt deze positieve ontwikkeling weer teruggedraaid te worden onder het bewind van minister Godoy.
| 2.2.1 Madrid |
De hoofdstad Madrid wordt in de eerste helft van de eeuw verfraaid met vele gebouwen in een weelderige barok, die hier de churriguereske stijl genoemd wordt. Vooral aan de Plaza Mayor laten zich meesterwerken van het kunstenaarsgeslacht Churriguera bewonderen. Latere gebouwen getuigen van een minder zelfbewuste Spaanse cultuur. Vooral het Franse classicisme doet zich gelden in de vele paleizen die de stad rijk is. Op de plaats waar het in 1734 door brand verwoeste alcázar heeft gestaan, is nu het koninklijke paleis verrezen, dat door buitenlandse kunstenaars verfraaid is, o.a. de Italiaan Giovanni Battista Tiepolo. Deze heeft grote invloed uitgeoefend op de enige hedendaagse Spaanse schilder die boven de middelmaat uitreikt: Francisco de Goya. Goya is sinds 1786 aan het hof werkzaam, waarvan hij in zijn schilderijen vaak een amusant beeld toont. Ook de belangrijkste muzikale impulsen komen van buitenlandse kunstenaars: de Italiaan Domenico Scarlatti heeft tijdens zijn jarenlang verblijf in Madrid de Spaanse klaviercompositie gestimuleerd; zijn landgenoot Luigi Boccherini is van belang door zijn invloed op het hoofdstedelijke kamermuziekleven.
| 2.2.2 Portugal |
Portugal vertoont deze eeuw nagenoeg dezelfde ontwikkeling als Spanje: Braziliaans goud geeft enige economische verlichting, de macht van de Kerk wordt hardhandig teruggedrongen en de cultuur wordt grotendeels verlevendigd door buitenlandse kunstenaars. Lissabon is in 1755 het toneel van een van de verschrikkelijkste natuurrampen van deze eeuw, een aardbeving die een groot deel van de stad verwoest.
| 2.3 Italië |
De staatkundige verdeling van het Italiaanse land heeft in de achttiende eeuw vele veranderingen doorgemaakt, met als resultaat dat Savoye, met zijn strak bestuur en hechte militaire organisatie, enige tijd de belangrijkste staat vormt. De andere Italiaanse staten, behalve misschien het verlichte Toscane, hebben een proces van politiek en maatschappelijk verval doorgemaakt; de armoede en het banditisme, die reeds in de vorige eeuw wijd verbreid waren, zijn alleen nog maar toegenomen.
Sinds de veldtocht van Napoleon I Bonaparte in 1796 in Italië zijn de ontwikkelingen evenwel in een stroomversnelling geraakt: op het ogenblik bestaat Italië voor het overgrote gedeelte uit van Frankrijk afhankelijke republieken: de Cisalpijnse en de Ligurische Republiek in het noorden, de Parthenopeïsche Republiek in het zuiden en in het midden de Romeinse Republiek, eens de Kerkelijke Staat. Rome wordt in 1798 door Franse troepen bezet en vervolgens van veel kunstschatten beroofd. Het ziet er de laatste tijd echter naar uit dat een nieuwe paus - Pius VI is onlangs te Valence in ballingschap overleden - spoedig weer in het Vaticaan kan resideren, want Napolitaanse troepen zijn in opmars naar het noorden.
| 2.3.1 Napels |
Napels is van 1735 tot de napoleontische inval hoofdstad geweest van een gelijknamig koninkrijk. Het is met 500 000 inwoners na Londen, Parijs en Istanbul de vierde stad van Europa. Opvallend zijn hier de vele bedelaars, de lazzaroni, die in groten getale de straten bevolken: 'Het merendeel van de bedelaars heeft geen huis; zij vinden een nachtverblijf in grotten, stallen of ruïnes van huizen, of anders, weinig verschillend met deze laatste behuizing, in huurwoningen..., waar men voor een grano (Napolitaanse munt van geringe waarde) of iets meer de nacht kan doorbrengen. Men ziet hen daar, liggend als weerzinwekkende beesten, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, zodat men zich alle lelijkheid en alle gevolgen van deze situatie wel kan voorstellen. Ze vermenigvuldigen zich sterk, hebben geen gezin en geen enkele binding met de staat behalve via de galg; ze leven in zo'n warboel dat alleen God zich te midden van hen zou kunnen oriënteren.'
Napels telt op zijn minst 100 000 van deze verworpenen. In schrille tegenstelling hiermee staat het leven van de hovelingen, de hoge geestelijkheid, de ambtenaren en de juristen, die zich door vaak corrupte praktijken een heel wat hogere levensstandaard kunnen permitteren. Daarentegen heeft weer de grote geschiedfilosoof Giambattista Vico in Napels een uiterst armoedig bestaan geleid. Deze in 1744 gestorven universele geleerde ontving als hoogleraar het schamele bedrag van veertig ducaten per jaar; door het geven van privé-lessen wist hij nog juist te voorkomen onder het bestaansminimum te geraken.
| 2.3.2 Pompeji |
Ten zuidoosten van Napels, aan de voet van de Vesuvius, worden sinds 1738 opgravingen verricht. Men heeft hier de resten van twee Romeinse stadjes gevonden, Herculaneum en Pompeji, waarvan vooral het laatste nog grotendeels intact is omdat het bedolven werd onder een asregen van de vulkaan Vesuvius. Deze ontdekking van een stad die niet langzaam is vervallen, maar midden in haar vitale bestaan is versteend, heeft grote indruk gemaakt op heel geletterd Europa. Er is de laatste jaren - zeker mede ten gevolge van deze ontdekkingen - een toenemende interesse te bespeuren voor de klassieke oudheid. Men is blijkbaar uitgekeken op de overdaad van barok en rococo en verheft de eenvoud van vorm weer tot norm.
| 2.3.3 Venetië |
In Venetië heeft de schilderkunst opnieuw een hoogtepunt bereikt. Vooral de stad en haar inwoners worden door de vedutisti vereeuwigd, meestal ten behoeve van de toeristen, die de lagunenstad in groten getale bezoeken. De meest geroemde Venetiaanse schilder in deze eeuw is Giovanni Battista Tiepolo, wiens fresco's vele Europese vorstenhoven sieren. Aan de onafhankelijkheid van deze trotse stad komt in 1797 een einde: zij is nu in Oostenrijkse handen.
| 2.3.4 Cremona |
Het Lombardijse Cremona is meer dan tweehonderd jaar lang - tot in de jaren zestig van deze eeuw - het belangrijkste centrum van vioolbouw in Italië. Aan het begin van de Cremonese school staat Andrea Amati, wiens zoon Nicolò de leermeester van de beroemde, in 1737 overleden Antonio Stradivari zou worden. Ook het vioolbouwersgeslacht Guarneri is beroemd.
| 2.3.5 Milaan |
Milaan, nu de hoofdstad van de Cisalpijnse Republiek, is bijna heel deze eeuw in Oostenrijkse handen geweest. Een opvallend gebouw in het centrum is het Teatro alla Scala, een reusachtig operatheater dat meer dan drieduizend toeschouwers kan bevatten. Deze in 1778 gereedgekomen schepping van architect Giuseppe Piermarini bevestigt Milaan nog eens in zijn rol van opera-Mekka van Italië.
| 2.4 Rusland |
| 2.4.1 Peter de Grote |
Het Russische Rijk heeft zijn grenzen weer verder naar het westen verlegd: zowel de Baltische als de Zwarte Zee is nu makkelijk bereikbaar voor de handelsschepen. Onder tsaar Peter de Grote voltrekt zich in het begin van de eeuw een europeanisatie, die oppervlakkig gezien grote gevolgen heeft, maar volgens sommigen de Russische volksaard in genen dele heeft aangetast. Een mercantilistische economische politiek wordt ingevoerd, leger en vloot worden hervormd, staatsmonopolies voor allerhande takken van industrie ingesteld. Deze ontwikkelingen voltrekken zich meestal onder leiding van 'Duitsers', pars pro toto voor buitenlanders, voor wie tsaar Peter tijdens zijn reizen een grote bewondering heeft opgedaan. De europeanisatie wordt ook in het dagelijkse leven autoritair doorgevoerd: baarddracht wordt verboden, klederdracht aangepast. In het eerste Russische etiquetteboek doet men een poging de Russische eetgewoonten te vervangen door Franse: men dient zich tijdens het diner niet te krabben, noch mag men op de grond spuwen; de conversatie, waarbij men zijn partner aan dient te kijken, moet luchtig zijn. Deze politiek wordt voortgezet door Catharina II, femme savante, die 37 jaar na Peters dood aan de macht komt. In de tussenliggende periode is het bestuur in handen van onbekwame lieden, die de staatskas als een persoonlijk eigendom hanteren.
| 2.4.2 De lijfeigenschap |
In al deze decennia is de positie van de adel versterkt, maar de situatie waarin zich de lijfeigenen bevinden, is zo mogelijk nog slechter geworden dan in de vorige eeuw. Velen worden gebruikt als industrieslaven, families worden uit elkaar gerukt, tegenspraak wordt vaak bestraft met verbanning naar Siberië. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze mensen, onder wie de herinnering aan de opstand van 1667-1671 onder Stenka Razin nog levendig is, in verzet komen. In 1773 verzamelt de Don-kozak Poegatsjov honderdduizenden rechtelozen om zich heen en begint een opmars langs de Wolga noordwaarts. Geen leger kan hem tegenhouden; de opstand bloedt dood na een epidemie die na niet lange tijd in het stroomgebied van de Wolga uitbreekt. Sinds Poegatsjov in een ijzeren kooi naar Moskou is gebracht en daar terechtgesteld, is de onderdrukking alleen nog maar toegenomen.
In de krant kan men tegenwoordig advertenties aantreffen die duiden op praktijken zoals die in Amerika onder de slavenhandelaars voorkomen: 'Te koop, twee stevige koetsiers; twee meisjes, 18 en 15 jaar, handig. Twee kappers: de een, 21, kan lezen, schrijven en een instrument bespelen; de ander kan dames- en herenkapsels verzorgen.'.
| 2.4.3 Sint-Petersburg |
Het regeringscentrum is sinds 1703 te vinden in Sint-Petersburg, een nieuwe stad aan de Finse Golf. De residentie mag gelden als symbool van de europeanisatie; zij is een venster naar het sinds tsaar Peter voorbeeldig geachte Westen. In het begin van de eeuw is door 80 000 arbeiders de nieuwe hoofdstad van het Russische rijk binnen zeer korte tijd uit de grond gestampt op deze plaats, die kort daarvoor nog aan Zweden toebehoorde. Deze prestatie is des te opmerkelijker als men bedenkt dat de bodem zeer moerassig is, zodat voor alle bouwwerken heiconstructies nodig zijn. Elk jaar weer dreigt het gevaar van een overstroming (Sint-Petersburg ligt op talrijke, nauwelijks boven het zeeniveau uitreikende eilanden in de Nevadelta), die in het stichtingsjaar en in 1777 ook werkelijk heeft plaatsgevonden. De stad telt minder houten huizen dan in Rusland gebruikelijk is, terwijl de toepassing van dit materiaal toch vele voordelen ten opzichte van steen biedt: de interieurs zijn warmer en minder vochtig, de bouwtijd is korter en de houten huizen laten zich betrekkelijk eenvoudig verplaatsen. Omdat Sint-Petersburg zich nog steeds in snel tempo uitbreidt - er wonen nu reeds meer dan 200 000 mensen - drukken de bouwactiviteiten een duidelijk stempel op het dagelijks leven.
De Neva is de levensader van de stad. Hierlangs komen de met kalk, steen, marmer en graniet beladen schepen de bouwputten van materiaal voorzien. In de rivier en haar zijtakken liggen enkele schipbruggen, die de verschillende eilanden met elkaar verbinden. Tijdens het carnaval is de Neva het centrum van de feestvreugde: men stelt er kunstmatige heuvels van ijs op - die een geraamte van hout hebben - en hier glijdt men op sleetjes van af; heel de stad komt naar deze ijspret kijken. De stad herbergt zeer veel vreemdelingen, die de meest uiteenlopende beroepen uitoefenen: van gouvernante tot ijshakker, van kok tot leraar. De talenkennis van deze lieden is vaak verbluffend: velen spreken Russisch, Fins en Duits en sommigen zelfs meer dan acht talen, die zij dan evenwel vaak vermengen in een geheel eigen spraakgebruik. De vreemdelingen en de steeds voortdurende bouwactiviteiten maken Sint-Petersburg tot een dynamische stad, die als raakpunt met het Westen voldoet aan de opzet die tsaar Peter had in het begin van de eeuw.
| 2.5 Zweden |
Het rijk is teruggedrongen tot minder overtrokken proporties dan gedurende de vorige eeuw, toen het ondanks het geringe aantal Zweden de grootste Baltische mogenheid was. Onder de welhaast krankzinnige koning Karel XII heeft het land zich tijdens de laatste der Noordse Oorlogen te grote opgaven gesteld, met als gevolg dat zijn legers door de Russen werden verpletterd. Na de dood van Karel in 1718 ziet de Rijksdag in dat om dergelijke calamiteiten in de toekomst te vermijden de macht van de vorsten ingekrompen dient te worden en de invloed van het parlement vergroot. Daarop staat de koning lange tijd in de schaduw van de volksvertegenwoordiging, tot in 1772 Gustaaf III met steun van Frankrijk de volledige macht weer aan zich trekt. Uiteraard heeft dit kwaad bloed gezet, vooral bij de adel; in 1792 komt dit conflict tot een hoogtepunt met de moord op de koning tijdens een gemaskerd bal in de opera van Stockholm.
| 2.5.1 Stockholm |
De hoofdstad Stockholm heeft zich onder de verlichte despoot Gustaaf verder ontwikkeld tot een cultureel centrum van belang. Aan de zojuist al genoemde opera, in 1782 onder leiding van C.F. Adelcranz gereedgekomen, worden door Duitse musici vele uitstekende opvoeringen gegeven; vooral geliefd zijn hier de opera's van Gluck, waarvan voor deze gelegenheden de tekst in het Zweeds wordt vertaald. De vier jaar later opgerichte Zweedse Academie is een stimulans voor de letterkunde gebleken. In het nog niet zo lang geleden voltooide koninklijke paleis wordt de weelde van het hof van Lodewijk XIV geëvenaard, maar hiervoor moet de bevolking – evenals de Fransen in de tijd van de Zonnekoning - helaas een zware financiële last torsen.
| 2.5.2 Platteland |
Het leven op het platteland van Zweden staat in schrille tegenstelling met dat in Stockholm. Het grootste gedeelte van de bevolking is in het zuiden te vinden, waar het ondanks hard werken een schraal agrarisch bestaan leidt. Hier is Göteborg, vanwege de aanwezigheid van vele Engelse handelslieden soms Little London genoemd, een belangrijke havenstad. In het noorden zijn hele gebieden nagenoeg onbewoond, met name Lapland, waar slechts Samische rendierhoeders rondtrekken. In deze streek maakte de inmiddels beroemde Zweedse natuurvorser Carl Linnaeus zijn eerste grote studiereis, waarvan hij de uitkomsten heeft neergelegd in de Flora Lapponica. Zijn reis door deze barre streken heeft hij beschreven in Iter Lapponicum; de volgende passage geeft een idee van de ontoegankelijkheid van het gebied: 'Ten slotte belandden wij bij een inham van de rivier... Wij kwamen hier met het grootste levensgevaar overheen. Ik vond het maar een hachelijke zaak ... Pal daarop troffen wij moerasland aan dat grotendeels onder water stond; daar moesten wij zeker wel 10 km doorheen zwoegen ... Bij iedere stap zakten wij tot onze knieën in het water en als wij geen pollen als voetsteun vonden, nog verder. Op sommige plekken was een bodemloze diepte, zodat wij met een boog om het terrein moesten trekken. Onze laarzen stonden vol ijskoud water, want hier en daar zat er nog vorst in de bodem. Als ik deze straf voor een doodzonde had moeten ondergaan, was hij al wreed genoeg geweest, maar wat moet ik er nu van zeggen? Ik wou dat ik nooit aan deze tocht was begonnen... Dat hele land van de Lappen was één groot moeras; daarom noemde ik het Styx.'
| 2.6 Polen |
Na drie Poolse Delingen heeft de Poolse staat opgehouden te bestaan. Aan het begin van de eeuw was hij nog na Rusland de grootste van Europa, zich uitstrekkend van de Oostzee tot bijna aan de Zwarte Zee. Evenals het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie is Polen te gronde gegaan aan een gebrekkige interne organisatie, die de grote mogendheden de kans gaf het land als een speelbal in het diplomatieke verkeer te hanteren. Tegen het eind van de eeuw, in 1795, komt dan ten slotte een einde aan deze lijdensweg: Rusland, Pruisen en Oostenrijk hebben het land volkomen opgeslokt. Vele Polen zijn gevlucht, de meesten van hen naar Frankrijk, waar ze nu dromen van een triomfantelijke terugkeer naar hun vaderland, in het zog van Napoleon I Bonaparte.
| 2.7 Pruisen |
Pruisen, dat sinds 1701 een koninkrijk is, heeft gestadig zijn grenzen uitgebreid. Onder Frederik I was het nog een middelgrote Duitse staat, maar nu, aan het einde van de eeuw, is het grondgebied driemaal zo groot. De staat werd intern hervormd door Frederik Willem I, wiens uitspraak: 'De ziel is voor God, al het andere hoort van mij te zijn’ wel aangeeft welke absolute gehoorzaamheid deze 'koning-korporaal' van zijn onderdanen eiste. Zijn voornaamste belangstelling gold het leger, dat tijdens zijn regering 83 000 manschappen ging tellen. Niet minder dan 85% van het staatsbudget werd aan militaire uitgaven besteed. Zijn zoon, Frederik II de Grote, heeft de omvang van het leger nog weer verdubbeld, met als resultaat dat Pruisen een van de meest geduchte legers van Europa heeft.
| 2.7.1 Verlicht absolutisme |
Deze gecultiveerde aanhanger van het verlicht absolutisme, die in 1786 gestorven is, hield zich reeds jong bezig met de studie van literatuur en filosofie, wat hem in conflict bracht met zijn vader, wiens voornaamste genoegen erin bestond een lijfwacht van mannen van reuzengestalte te formeren. Al in 1740 is in Den Haag een anonieme Antimachiavel verschenen, die aan Frederik de Grote wordt toegeschreven (terecht, zoals in 1767 blijkt). De vorst is dan juist gekroond. In 26 hoofdstukken worden in dit geschrift de 26 van Machiavelli’s Il principe (= De vorst) weerlegd. In plaats van het oude absolutisme stelt koning Frederik een 'verlicht absolutisme’ voor, waarin Le premier domestique (de eerste dienaar van de staat) het staatsbelang boven het eigen belang verheft. De bewerking van het boek is in handen geweest van de Franse filosoof Voltaire, met wie de koning een correspondentie heeft onderhouden.
| 2.7.2 Immanuel Kant |
In het jaar dat Frederik tot koning wordt gekroond, begint de dan 16-jarige Immanuel Kant theologie te studeren aan de universiteit te Koningsbergen. Dertig jaar later, na enkele belangwekkende publicaties, wordt hij er hoogleraar in de logica en metafysica. In 1781 is zijn Kritik der reinen Vernunft verschenen, waarin hij de mogelijkheid onderzoekt dat kennis onafhankelijk van ervaring existeert. De Verlichting ziet hij als 'het vertrek van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuld is'. In 1788 verschijnt zijn Kritik der praktischen Vernunft, twee jaar later Kritik der Urteilskraft. 'Durf je eigen verstand te gebruiken,' geeft Kant de Verlichting als leus mee.
| 2.7.3 Frederik de Grote |
Frederik de Grote heeft in Pruisen een aangenaam geestelijk klimaat geschapen – godsdienstvrijheid en algemeen lager onderwijs - waardoor het land een populaire vestigingsplaats is geworden: niet minder dan 300 000 immigranten zijn tijdens Frederiks regering opgenomen. De koning heeft zijn kasteel Sanssouci tot een cultureel centrum van belang gemaakt. Voltaire toonde zich verbaasd over de metamorfose die de residentie had ondergaan: 'Nu ben ik eindelijk in Potsdam. Onder de overleden koning was het de behuizing van Parasmenes, een exercitieplaats en geen tuin, met de paradepas van het garderegiment als enige muziek, revues in plaats van toneelstukken en een soldatenregister als bibliotheek. Nu is het het paleis van Augustus, de zetel der legioenen en geletterden, van de lust en de roem, van de pracht en de goede smaak’.
Een Oostenrijkse gezant beschrijft in een bericht aan keizerin Maria Theresia het dagelijks leven en het karakter van 'der alte Fritz' , zoals de koning door zijn onderdanen genoemd werd, als volgt: 'De koning leeft teruggetrokken en uit zich slechts tegenover enkele uitverkozenen, die men als staatsgevangenen kan beschouwen, want ze hebben geen enkele omgang met de rest van het hof en de stad. Hij doet alles zelf. Het staatsgeheim is onnavorsbaar en zal dat blijven zolang hij leeft. Zijn beide kabinetsministers... fungeren slechts als klerken. Alle mededelingen die hun gedaan worden, nemen ze ad referendum en ze geven het antwoord steeds precies zo als het de koning gegeven heeft. Dientengevolge valt er met hen niet veel te onderhandelen. De dagindeling van de koning is streng geregeld. Hij staat gewoonlijk om 6 uur op en speelt gedurende een half uur, heen en weer lopend, fluit, terwijl hij op de koffie wacht; dan kleedt hij zich aan en werkt tot 11 uur in zijn kabinet. Hierop woont hij de wachtparade bij, geeft het wachtwoord uit en speelt na terugkeer in het slot weer fluit tot aan het middageten. Gedurende de maaltijd is hij gewoonlijk tamelijk vrolijk, nadien rust hij een half uur op een sofa... Vervolgens werkt hij of gaat tot 7 uur 's avonds wandelen. Dan begint het concert, waarbij de koning zelf speelt en niemand behalve de musici en intieme vrienden aanwezig waagt te zijn. Om 9 uur soupeert hij... Zijn overheersende hartstocht is zonder twijfel de hang naar roem. Niet tevreden met de roem die hij door zijn eigen talenten en zijn krijgsfortuin behaald heeft, imiteert hij alles wat zijn roem zijns inziens kan vermeerderen. Zo bouwt hij naar het voorbeeld van Lodewijk XIV en van Versailles een slot dat, zoals zijn neef zegt, nog groter wordt dan het koninklijk slot in Berlijn. Op het ogenblik laat hij een prachtig gouden bestek vervaardigen, waarschijnlijk om de komende bruiloft van de prins van Pruisen met nog veel grotere pracht te kunnen vieren dan bij de bruiloft van aartshertog Joseph werd tentoongespreid. Zoals Julius Caesar beschrijft hij zijn eigen leven en zijn veldtochten. Hij overtreft Karel XII in de nonchalance van zijn kleding, die welhaast vuil is. . . '
Onder de opvolgers van Frederik de Grote, Frederik Willem II en diens zoon, verliest het koningschap veel van zijn glans; de vitale opmars van Pruisen naar een positie onder de leidinggevende Europese mogendheden lijkt tot staan gebracht.
| 2.7.4 Berlijn |
De hoofdstad Berlijn telt momenteel ruim 150 000 inwoners en is, ondanks het feit dat het deze eeuw tweemaal ingenomen en gebrandschat is, een aangename verblijfplaats met vele mooie gebouwen. Het culturele leven is er Frans georiënteerd: de capaciteiten van de nakomelingen der refugiés en de francofilie van Frederik de Grote zijn daar ongetwijfeld debet aan. De residentie Potsdam, gelegen ten westen van Berlijn, heeft een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt: alle bouwwerken in deze stad getuigen van de glorie van Pruisens grootste koning, vooral, zoals gezegd, het slot Sanssouci, een van de fraaiste Duitse rococoscheppingen. Het leven op het platteland, vooral in het oosten van het rijk, is minder aantrekkelijk dan in de steden. De meeste boeren zijn, behalve in de kroondomeinen, lijfeigenen van de Junkers, de grote landeigenaren. Hoewel deze lijfeigenen er hier niet zo slecht aan toe zijn als in de aangrenzende gebieden, waar men niet ten onrechte van Junker-republieken spreekt, worden zij toch behandeld als overerfbare knechten en mogen zij zonder de toestemming van de landheer niet trouwen, het goed verlaten of een vak leren.
| 2.8 Oostenrijk |
Voor Oostenrijk is de achttiende eeuw er een van grote successen. Het land is een der grote Europese mogendheden geworden en op cultureel terrein kan het aan het eind van de eeuw terugblikken op enkele indrukwekkende hoogtepunten. In het eerste kwart van de eeuw zijn de Habsburgse gebieden aanzienlijk uitgebreid, maar op het moment is Oostenrijk weer ongeveer even groot als in 1700. De politieke invloed is echter nauwelijks minder geworden: het land staat in de voorste linies bij de strijd tegen het napoleontische Frankrijk.
| 2.8.1 Bestuur |
De interne structuur van het rijk is een voortdurende bron van onrust gebleken, ook na de pogingen van keizerin Maria Theresia en haar opvolger om een eenheidsstaat te verwezenlijken. Vooral de vooruitstrevende en centraliserende maatregelen van Jozef II zijn ingrijpend. Té ingrijpend, gezien de haast waarmee men na zijn dood in 1790 tracht de klok terug te draaien. Keizer Jozef, duidelijk beïnvloed door de denkbeelden van de moderne Franse filosofie, heeft bewezen niet zulk een geduldige natuur te bezitten als zijn moeder. Onmiddellijk na de dood van Maria Theresia begint een stroom van progressieve decreten uit Wenen te komen: lijfeigenschap wordt afgeschaft, gelijkheid van belastingen, alsmede pers- en godsdienstvrijheid worden ingevoerd. Ook de economie van het rijk wordt krachtdadig aangepakt: in Triëst wordt zelfs een Oost-Indische Compagnie opgericht, die evenwel algauw een mislukking blijkt te zijn - evenals trouwens de meeste maatregelen van de keizer. De voornaamste resultaten zijn onrust en opstand, die echter weg lijken te ebben onder druk van de restauratieve krachten, die sinds 1790 onder het bewind van Frans II weer vrij spel hebben.
| 2.8.2 Wenen |
De hoofdstad Wenen heeft zich intussen ontwikkeld tot een van de belangrijkste culturele centra van Europa. In het Burgtheater, het Leopoldstädter Theater en het Theater in der Josephstadt vinden elke avond toneelvoorstellingen plaats; de stad herbergt een van de indrukwekkendste prentenverzamelingen ter wereld, de Albertina. Maar in de eerste plaats is Wenen toch een muziekstad, vooral sinds het midden van de eeuw, toen Christoph Willibald von Gluck hier zijn operahervormingen volvoerde. Sindsdien heeft de Oostenrijkse hoofdstad steeds meer de rol van Italië overgenomen – tot voor kort het land waar elke zich respecterende aankomende musicus zijn opleiding ontving. Een grote stimulans voor deze ontwikkeling is uiteraard de regelmatige aanwezigheid van Franz Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart geweest, de twee reuzen van het Weense muziekleven, van wie de laatste evenwel niet altijd de waardering heeft ondervonden die hij verdiende. Mozart sterft in 1791 in zulke armoedige omstandigheden dat de kosten van een normale begrafenis niet opgebracht kunnen worden: hij vindt zijn laatste rustplaats in een armengraf. Kort voor het overlijden van de jonge componist heeft nog de première plaatsgevonden van Die Zauberflöte, een opera die duidelijk de sporen draagt van Mozarts belangstelling voor de vrijmetselarij. Deze opera is intussen een waar volksstuk geworden: honderden uitvoeringen hebben al plaatsgevonden, niet alleen in Wenen, maar in alle belangrijke steden van het Duitse cultuurgebied.
| 2.8.3 Architectuur |
Op het terrein van de bouwkunst kent de hoofdstad vooral in de eerste helft van de eeuw een periode van bloei: het Oberes Belvedere en de Peterskirche van Lukas von Hildebrandt en de Karlskirche van Johan Bernhard Fischer von Erlach betekenen hoogtepunten in de Europese barokarchitectuur. Fischer von Erlach is ook de bouwmeester van het keizerlijk lustslot Schönbrunn waarvan het de bedoeling is geweest dat het zelfs Château de Versailles in de schaduw zou stellen.
In 1738 is de bouw voltooid van het benedictijnenklooster Melk aan de Donau, oorspronkelijk ontworpen door Jakob Prandtauer en na diens dood verder voltooid door Josef Munggenast. Het is een van de mooiste der vele kloostercomplexen die deze eeuw in Zuid-Duitsland en Oostenrijk zijn ontstaan. De hoofdas van het bouwwerk meet 320 meter, eindigend in de zeer plastisch gevormde façade van de kerk, waarvan de organische opbouw sterk doet denken aan de jezuïetenkerk Il Gesú in Rome. Evenals vele scheppingen van Balthasar Neumann, Caspar Moosbrugger, Fischer von Erlach en Lukas von Hildebrandt is dit kloostercomplex een fraai voorbeeld van Duits-Oostenrijkse barok.
| 2.8.4 Hongarije |
Boeda en nu ook Pest hebben de in de vorige eeuw aan Pressburg verloren leidende positie in het Hongaarse deel van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije teruggewonnen. Op zijn beurt heeft Pest de laatste tijd weer Boeda overvleugeld, nu men de belangrijkste bestuursgebouwen op de lage oostelijke oever van de Donau heeft neergezet.
| 2.9 Overige Duitse landen |
Vele Duitse landen worden momenteel, aan het eind van de eeuw, erg beproefd door het napoleontische Frankrijk. Alle gebieden ten westen van de Rijn zijn al in handen van de revolutionaire troepen gevallen. Het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, al lang in staat van ontbinding, valt in versneld tempo uiteen: Frans II zou wel eens de laatste Rooms-Duitse keizer kunnen zijn.
| 2.9.1 Saksen |
Het keurvorstendom Saksen heeft zich geheel hersteld van de rampen die het de vorige eeuw over zich heeft zien komen. Een bloeiende porselein- en textielindustrie heeft het land financieel gesaneerd, vooral de laatste jaren. De hoofdstad Dresden weerspiegelt dit herstel: honderd jaar geleden lag zij nog grotendeels in de as, nu is zij een der fraaiste Duitse steden, rijk gezegend met bouwwerken als bijv. de Zwinger van Matthäus Daniel Pöppelmann, een monumentaal lusthof. Dresden wordt niet ten onrechte het 'Florence aan de Elbe' genoemd. Leipzig heeft in de eerste helft van de eeuw de grote componist Johann Sebastian Bach mogen herbergen, wiens oeuvre overigens momenteel nauwelijks meer wordt uitgevoerd. Leipzig is vooral bekend om zijn Messen, jaarmarkten die de handelsfunctie van de stad moeten stimuleren.
| 2.9.2 Leibniz |
In Hannover is in 1716 een der grootste geleerden van de eeuw overleden: Gottfried Wilhelm von Leibniz. De respublica litteraria, de Europese geleerdenrepubliek, verloor met dit verscheiden een spilfiguur die in contact stond met bijna alle belangrijke denkers en wetenschapsmensen van zijn tijd. Leibniz heeft via zijn zeer uitgebreide correspondentie in belangrijke mate bijgedragen aan de uitwisseling van ideeën en kennis. Buiten zijn werkzaamheden als 'filosoof van de harmonia praestabilita' (de door God bepaalde harmonie tussen de verschillende onderdelen van het zijnde), zoals hij zichzelf graag noemde, alsmede zijn natuurwetenschappelijke, filologische, juridische en nog vele andere bezigheden, heeft deze universele geleerde lange tijd serieuze pogingen gedaan om te komen tot een oecumenisch concilie van katholieken en protestanten. Deze innigste wens van de zo rijk getalenteerde Leibniz is evenwel niet vervuld.
| 2.9.3 Literatuur |
De tweede helft van de thans voorbije eeuw heeft op het gebied der Duitse literatuur aanzienlijke hoogtepunten opgeleverd, zoals Nathan der Weise (1779) van Gotthold Ephraïm Lessing en Die Räuber (1788) van Friedrich Schiller. In Frankfurt am Main is in 1774 een roman verschenen die zijn dan pas 25-jarige auteur Johann Wolfgang von Goethe op slag beroemd maakt: Die Leiden des jungen Werthers. Het is een briefroman over een onbeantwoorde liefde. Het lijkt wel of de dramatische handeling precies beantwoordt aan de gevoelens van de jeugd, want het boek heeft een stroom van zich vereenzelvigende reacties opgeroepen: men parfumeert zich met 'Eau de Werther' en imiteert de kleding van de hoofdpersoon; sommigen schrikken er zelfs niet voor terug de zelfmoord van Werther stijlgetrouw na te doen. Zie ook Duitse letterkunde.
| 2.9.4 Muziek |
Van 1720 tot 1778 is Mannheim de hoofdstad van de Rijnpalts, een periode die vooral op muzikaal gebied rijke vruchten afwerpt. Voor velen gold de stad als `het paradijs der toonkunstenaars’; het hoforkest kwam een bezoeker voor als `een leger van generaals, zowel geschikt om een plan voor een slag te ontwerpen als om daarin te vechten’. De Europese faam die het orkest genoot, is vooral te danken geweest aan de familie Stamitz, afkomstig uit Oostenrijk. De bezetting was zo opvallend dat zij sindsdien door bijna alle andere orkesten is overgenomen. Ook de door discipline gestaalde eenheid, die vooral in de dynamiek tot uiting kwam, schijnt haar weerga niet gekend te hebben: 'Zijn forte is een donderslag, zijn crescendo een waterval, zijn diminuendo een in de verte voortkabbelende kristallen rivier, zijn piano een lentebries’.
Sinds twintig jaar is nu dit ongekende orkestrale hoogtepunt voorbij; de eens zo bejubelde keurvorstelijke opera is in 1795 door de Franse artillerie vernietigd, het hoforkest is samengesteld uit welwillende dilettanten.
| 2.9.5 Barok |
In de zuidelijke Duitse landen vallen de vele barokpaleizen en -kerken op, vooral in Beieren, waar bij Steingaden de schitterende Wieskirche te vinden is.
| 2.10 De Noordelijke Nederlanden |
De Bataafse Republiek, zoals sinds 1795 het Noord-Nederlandse grondgebied genoemd dient te worden, verkeert in grote moeilijkheden. Wederom bevinden zich vreemde troepen op Nederlandse bodem: een Engels-Russische invasiemacht is op 27 augustus 1799 bij Den Helder geland en heeft het gecombineerde Frans-Bataafse leger onder Brune en Daendels een nederlaag toegebracht. De Engelse troepen zijn evenwel niet veel verder opgerukt, zodat Daendels' troepen zich wellicht zullen kunnen reorganiseren. De faam die het land eens, als Republiek der Verenigde Nederlanden, in Europa genoot, is al vóór de staatkundige omwenteling van 1795 grotendeels verbleekt. Reeds vele decennia kan de Republiek niet meer gerangschikt worden onder de grote mogendheden. Na de Vrede van Utrecht in 1713 bleek zij militair en economisch duidelijk de mindere van Engeland en Frankrijk te zijn. De gebrekkige staatsinrichting, die overigens ook in de vorige eeuw bestond, kon bij gebrek aan sterke leiders niet meer gecamoufleerd worden. De opbloei der kunsten heeft zich de afgelopen honderd jaar niet doorgezet: namen die internationale weerklank hebben, zijn op enkele uitzonderingen na niet te geven. Zo gaf deze eeuw een langzame afbrokkeling te zien van de Nederlandse militaire, economische en culturele vooraanstaande positie.
| 2.10.1 Industrie |
Toch kan men niet spreken van een diep ingrijpend verval; met haar geringe oppervlakte en geringe aantal inwoners (ca. 2 miljoen) speelde de Republiek tot voor kort een rol die niet te vergelijken is met die van de meeste kwantitatief vergelijkbare landen. De omvang van de handel is zelfs lange tijd even groot geweest als in de vorige eeuw: nam het commerciële verkeer met de Baltische havens, Engeland en Frankrijk af, dat met Rusland, Spanje en het Duitse Rijngebied kende een opleving. In vele takken van nijverheid kan men misschien wél spreken van chronisch verval: vooral schrijnend is de achteruitgang van de textielindustrie in Leiden en Haarlem, maar ook de scheepsbouw, de aardewerkindustrie en de bierbrouwerijen hebben een sterk neergaande tendens te zien gegeven.
| 2.10.2 Sociale situatie |
De steeds meer om zich heen grijpende ellende van de kinderarbeid biedt sommige industrieën wel enig houvast, maar heeft een nog grotere werkloosheid onder de volwassenen tot gevolg. Werkloosheid en uitbuiting hebben grote aantallen vroeger ordentelijk levende ambachtslieden doen verpauperen: voor velen is slechts het bestaansminimum weggelegd. Er bestaat een enorme welvaartskloof tussen ondernemers, kooplieden en regenten en het gewone volk, een kloof die vaak tot rebellieën van het door armoede wanhopig geworden ‘grauw’ heeft geleid. Hoewel in de Constitutie van 1798, naast onder meer het instellen van ‘ene volksregeering bij vertegenwoordiging’, het bevorderen van welvaart voor allen in het vooruitzicht wordt gesteld, is van een verbetering van het lot der armen nog geen sprake.
| 2.10.3 Handelscompagnieën |
De handelscompagnieën, die haar voornaamste zetel in Amsterdam hadden, zijn sinds kort opgeheven. De West-Indische Compagnie (WIC) heeft door slavenhandel nog enige voorspoedige jaren gekend, maar op den duur bleek deze onderneming door interne corruptie en de druk van de Engelse concurrentie zo verzwakt dat de staat haar schulden en bezittingen in 1792 heeft overgenomen. De Verenigde Oost-Indische Compagnie heeft haar bestaan zes jaar langer kunnen rekken, maar ook deze vereniging heeft de 17de-eeuwse successen niet kunnen voortzetten, met als gevolg een enorme schuldenlast, die de staat net als bij de WIC heeft overgenomen.
| 2.10.4 Cultuur |
Niet alleen het economische leven kent in Amsterdam een terugslag, ook op cultureel terrein heeft de stad veel minder te bieden dan voorheen. Internationaal befaamde schilders heeft de hoofdstad de afgelopen honderd jaar niet opgeleverd; naast voortborduren op de zeventiende-eeuwse voorbeelden is er enige invloed van het Franse classicisme.
Het van het buitenland overgenomen classicisme heeft de kwaliteit van de literatuur geen goed gedaan; de laatste decennia echter zijn enige oorspronkelijke schrijvers in het licht getreden, met name Betje Wolff en Aagje Deken, die vooral naam hebben gemaakt met hun roman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Dat de schrijfsters, geheel naar de geest van de tijd, een moraliserende bedoeling gehad hebben, blijkt uit hun mededeling dat het boek werd geschreven om te beklemtonen: '... dat eene overmaat van levendigheid, en eene daar uit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen om in de allerdroevigste rampen te storten; die haar veracht maken by zulken, die nimmer in staat zyn, om haar in goedheid des harten en zedelyke volkomenheid gelyk te worden; by zulken, die zy in 't licht stonden; by zulken die het wrede vermaak hebben, om haar, reeds gevallen, dodelyk te grieven,...'
De schrijvende dames hebben de laatste jaren overigens moeten delen in het wijd verspreide lot van verarming: na hun terugkeer uit Frankrijk, waarnaar zij in 1787 ten gevolge van hun patriottische gezindheid waren uitgeweken, hebben zij hun kapitaal geschonden aangetroffen; zij zijn nu verplicht hun oude dag met moeizame arbeid door te brengen.
De belangstelling voor de cultuur is deze eeuw omgekeerd evenredig aan de kwaliteit van de kunstuitingen. Het mecenaat bloeit en sommige rijke burgers bezitten internationaal befaamde schilderijencollecties. Een welvoorziene bibliotheek kan men bij vele gegoede burgers aantreffen, evenals een kabinet van de meest uiteenlopende samenstelling: penningen, prenten, schilderijen, porselein, instrumenten en gesteenten.
Vele weetgierigen hebben zich in genootschappen georganiseerd, die zich op allerlei onderdelen van wetenschap en cultuur toeleggen, zoals de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, het Teylers Genootschap te Haarlem en de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Amsterdam. Deze laatste heeft niet alleen de popularisering der wetenschappen ten doel, maar bovendien het bevorderen van democratisch staatsburgerschap.
| 2.11 De Zuidelijke Nederlanden |
Het grootste gedeelte van de eeuw zijn de Zuidelijke Nederlanden Oostenrijks bezit, namelijk van de Vrede van Utrecht (1713) tot 1794, als de Oostenrijkse troepen bij Fleurus definitief door de Franse revolutionairen worden verslagen. Het Oostenrijkse bewind heeft in vergelijking met het voorafgaande Spaanse zeker geen verslechtering betekend: de Oostenrijkse tak van de Habsburgers is heel wat minder erfelijk belast dan de Spaanse. In de binnenlandse politiek heeft dit lange tijd geresulteerd in een rustig en intelligent bestuur, dat toch vele wijzigingen nastreefde, vooral centralisatie van de macht. Als Jozef II zijn moeder, Maria Theresia, in 1780 opvolgt, is het echter gedaan met de weloverwogen besluitvorming die tot dan de politiek beheerste. De nieuwe keizer gaat zich veel persoonlijker met de Zuid-Nederlandse affaires bezighouden dan zijn voorgangers ooit hebben gedaan: Karel VI en Maria Theresia hebben nimmer hun noordelijk domein bezocht.
| 2.11.1 De Brabantse Omwenteling |
De afbraak van de oude en vertrouwde bestuursorganisatie leidt al snel tot verzet, dat culmineert in de Brabantse Omwenteling van 1789. Sindsdien heeft het land geen rustig moment meer gekend: in 1790 restaureren de Oostenrijkers hun macht, twee jaar later vallen de Fransen binnen en bezetten in korte tijd het gehele grondgebied; in 1793 worden zij nog eenmaal verdreven, maar in 1794 komen zij terug. In 1795 wordt het land verdeeld in negen departementen, die deel uitmaken van de Franse republiek: Dijle (hoofdstad Brussel), de Beide-Neten (Antwerpen), Schelde (Gent), Leie (Brugge), Jemappes (Bergen), Beneden-Maas (Maastricht), Ourthe (Luik), Wouden (Luxemburg) en Samber-en-Maas (Namen). De Zuidelijke Nederlanden zijn ten prooi aan een enorme plundering: een oorlogsschatting van 80 miljoen francs drukt de economie, levensmiddelen worden op grote schaal gerequireerd, kunstschatten geroofd. De verbeurdverklaring van vijfhonderd abdijen en kloosters – waarbij vijftienduizend kloosterlingen op straat zijn komen te staan – levert de Franse revolutionairen 500 miljoen francs op. Deze kerkvervolging en de ingevoerde dienstplicht leiden in 1798 vooral op het platteland tot massale opstanden, die aan tienduizend mensen het leven kosten.
| 2.11.2 Antwerpen |
In 1795 krijgt Antwerpen weer de beschikking over een vrij bevaarbare Schelde. Na 210 jaar van blokkade kan de stad zich eindelijk opmaken haar vroegere handelspositie weer in te nemen. De oorlogssituatie van het ogenblik heeft evenwel nog niet veel scheepvaartverkeer toegelaten. De haven van Oostende is sinds de Franse bezetting enigszins in verval geraakt; in de jaren twintig heeft zij een periode van welvaart gekend, mede als gevolg van de activiteiten van de Oostendse Compagnie, die met veel succes handelde in katoen en zijde uit Voor-Indië en thee, porselein en zijde uit China. Jaloezie van de kant van de grote koloniale mogendheden leidde algauw tot een gedwongen beëindiging van haar activiteiten.
| 2.11.3 Brussel |
Brussel verliest in 1795 zijn administratieve centrumfunctie ten gevolge van de nieuwe indeling in departementen. De stad is bijna de gehele eeuw door een voornaam bolwerk van cultuur, vooral gestimuleerd door het hofleven in de residentie van de landvoogden. Wereldberoemd is de kant die in Brussel wordt vervaardigd, van belang zijn ook de porseleinindustrie en sinds de kroning van keizer Jozef II de chemische, papier- en katoenindustrie.
| 2.11.4 Leuven |
De universiteit van Leuven, gedurende de vorige eeuw lange tijd een bolwerk van jansenistisch denken, is langzamerhand verworden tot een tweederangs leerinstelling. Voornaamste oorzaak hiervan is de jansenistenjacht, die - reeds meer dan honderd jaar geleden ingezet door de aartsbisschop van Mechelen De Précipiano - rond de jaren vijftig met succes is voltooid door aartsbisschop d'Alsace. Hoewel de economische situatie van de Zuidelijke Nederlanden de laatste vijftig jaar gestadig beter is geworden, leven de meeste van de 2,5 miljoen inwoners toch nog in armelijke omstandigheden. Als men het gemiddeld inkomen vergelijkt met dat in de noordelijke buurstaat, waar de massa toch bepaald niet welvarend genoemd kan worden, komt een voor de Zuid-Nederlander negatieve vergelijking tevoorschijn, die aangeeft dat een groot deel van de bevolking niet zelden met honger geconfronteerd wordt.
| 2.12 Groot-Brittannië |
In deze tijd van voortdurende oorlogen met het revolutionaire Frankrijk weet het Britse Rijk toch de heerschappij ter zee en in de koloniën die het in de afgelopen eeuw heeft opgebouwd, te handhaven. In 1707 zijn Engeland en Schotland samengesmolten in het Verenigd Koninkrijk Groot-Brittannië, de belangrijkste commerciële en koloniale mogendheid ter wereld. De Britse buitenlandse politiek is er de gehele eeuw uitsluitend op gericht deze machtspositie te consolideren en uit te breiden, hetgeen grotendeels ook gelukt is. Eén groot verlies heeft het rijk moeten lijden: de Verenigde Staten hebben zich in een acht jaar durende oorlog vrijgevochten; in 1783 moet Groot-Brittannië de Amerikaanse onafhankelijkheid erkennen. Hiertegenover staat de uitbreiding van het koloniale rijk met onder meer Canada en Voor-Indië.
De politiek is de laatste vijftig jaar beheerst door de Pitts, vertegenwoordigers van een nieuwe, door handel rijk geworden klasse, die in Groot-Brittannië de werkelijke macht vertegenwoordigt. De geschiedenis van de familie Pitt is symptomatisch voor de wijze waarop deze nieuwe klasse zich naar boven heeft kunnen werken. In 1674 ging Thomas Pitt, zoon van een parochiegeestelijke, naar Voor-Indië, waar hij als beunhaas het wettelijke monopolie van de East India Company met voeten trad. Ondanks het feit dat hij bij terugkeer in Engeland tot een boete van 400 pond werd veroordeeld, hadden zijn Indische illegale activiteiten toch genoeg opgeleverd om de heerlijkheid Stratford samen met het kiesdistrict Old-Sarum te kunnen kopen; hetgeen hem automatisch een zetel in het Lagerhuis opleverde. Hierop ging Pitt wederom naar Voor-Indië en deze keer beunhaasde hij daar zo voortreffelijk dat zijn oude vijand, de East India Company, zich genoodzaakt voelde hem in dienst te nemen.
In 1702 koopt hij van een Indische koopman een ruwe diamant van 410 karaat voor 20 400 pond. De diamant was oorspronkelijk van een slaaf, die hem in de mijnen had gevonden en hem vervolgens in een beenwond had verborgen. Een Engelse schipper had de steen van de slaaf gestolen en doorverkocht aan de Indische koopman. In 1717 verkoopt Pitt de nu geslepen diamant voor 135 000 pond aan Filips van Orléans, die hem in de Franse kroon laat zetten. Nu het geld aanwezig is, kan ook de macht komen: ‘Diamond’ Pitt, zoals hij voortaan genoemd werd, zorgt ervoor dat zijn dochter gravin van Stanhope wordt en een van zijn zoons graaf van Londonderry. Zijn kleinzoon William Pitt wordt de belangrijkste politicus van het midden van de eeuw en diens zoon, eveneens William Pitt geheten, is op het ogenblik de onbetwiste politieke leider van het Britse Rijk. De invloed van de eerste-minister is vooral toegenomen na het verlies van de Amerikaanse koloniën: sindsdien is koning George III niet meer de autocratische regeringsleider, maar ligt de macht bij William Pitt jr., die op zijn beurt weer afhankelijk is van het parlement. Het patronaatsrecht (het verlenen van ambten), vroeger in handen van de koning, is nu aan de premier toegewezen, waardoor deze zijn invloed in de kiesdistricten sterk heeft zien toenemen. In het parlement streven de Whigs naar stemrecht voor de nieuwe industriesteden ten koste van de rotten boroughs, de oude, ontvolkte kiesdistricten.
| 2.12.1 Economie |
De industriesteden spelen hoe langer hoe meer een voorname rol in het Britse economische leven (zie ook Industriële Revolutie). Vooral de textielfabrieken schieten als paddenstoelen uit de grond, zeker nu de spinmachines en weefgetouwen aangedreven worden door stoommachines. Met deze ontwikkeling hangt de grotere vraag naar kolen en staal samen, die vooral in de Midlands gewonnen worden. Daar met name liggen de nieuwe industriesteden, waar de omstandigheden waaronder de arbeiders en hun gezinnen moeten werken en leven, allerbedroevendst zijn. De woonvoorzieningen houden geen gelijke tred met de snelle industriële ontwikkeling: hele gezinnen wonen in één kamer; daar de vrouwen ook in de fabrieken werken, worden de kinderen verwaarloosd of óók bij de productie ingezet. De werktijden zijn lang, ten minste veertien uur per dag, vakantie is voor de meeste arbeiders een onhaalbare luxe.
Een van de snelst groeiende steden is Manchester, centrum van katoenindustrie, dat juist door zijn groei met zeer ernstige sociale misstanden te kampen heeft. De stad heeft uitstekende verbindingen met de rest van het land door het ingenieuze kanalenstelsel dat in de loop van de laatste decennia is ontstaan. Deze ontwikkeling heeft zich in 1761 ingezet, toen het Duke of Bridgewater's Kanaal tussen de kolenmijnen van Worsley en Manchester werd geopend. De kolenprijzen bleken toen door de lagere transportkosten met de helft te dalen, hetgeen de ondernemers tot meer van dit soort projecten heeft gestimuleerd. Sinds 1770 is men bezig met de aanleg van een kanaal tussen de steden Leeds en Liverpool, dat met in totaal 250 km het langste van Engeland moet worden.
| 2.12.2 Londen |
De grootste stad van Europa telt een kleine 900 000 inwoners, die de beschikking hebben over ongeveer 100 000 huizen. Van het oude Londen is in 1666 bij de grote brand veel verloren gegaan. Daarvoor is een stad in de plaats gekomen die volgens velen ‘ongerieflijk en onelegant’ is en ‘geen enkele aanspraak kan maken op pracht of grandeur’. Toch zijn er gedurende deze eeuw vele gebouwen verrezen die vrij algemeen om hun schoonheid worden geprezen: de St. Paul's Cathedral (1711), St. Martin-in-the-Fields (1726), de zetel van de Lord Mayor, Mansion House (1753), en het zeer moderne Somerset House (1786), een kantoorgebouw. De Londense huizen zijn bijna alle smal en diep, een gevolg van de noodzaak zoveel mogelijk panden in één straat te persen. Behalve een klein aantal aristocraten en de allerarmste klassen wonen alle lagen van de bevolking in deze zgn. terrace-houses. De indeling ervan is uiterst simpel: op elke verdieping is een kamer aan de voor- en een kamer aan de achterzijde, met een gang en de trap aan één zijde.
De parken van Londen zijn in heel Europa beroemd; vele bezoekers uit het buitenland maken een wandeling in het St. James's Park, zoals in 1710 de Duitser von Uffenbach, die evenals zovelen enthousiast is: 'Op 8 juni brachten wij de middag door in het St. James's Park. Deze overheerlijke wandelplaats, in welhaast de hele wereld beroemd ... ontleent haar naam aan wat nu het aangrenzende koninklijke paleis van St. James is. Omdat er niet alleen enige van de beste Engelse koeien grazen, maar er ook een aanzienlijk aantal herten rondloopt, wordt het een park genoemd, alhoewel er geen echt bos is, maar louter lanen. Er zijn geen vogels te zien, zoals vroeger. Omdat het een vakantiedag was, liepen er veel mensen rond, maar voornamelijk van een gewoon slag. Door de week kan men hier heren uit de beste kringen ontmoeten, die te voet zijn, omdat niemand behalve enkele personen van het hof het park in een koets mogen doorkruisen.’
Het St. James's Palace is sinds 1691 de koninklijke residentie; het regeringscentrum ligt even ten westen van de City of Westminster. In het oog springen hier de Westminster Abbey - nog in deze eeuw verrijkt met enkele torens - , waar sinds eeuwen de Engelse monarchen worden gekroond en vaak ook begraven, en het Palace of Westminster, waar het Lagerhuis zetelt. Londen heeft de positie die Amsterdam in de vorige eeuw als wereldhandelscentrum innam, overgenomen. Hier hebben de grote handelscompagnieën hun hoofdzetel en klopt in de Beurs en de Bank of England het financiële hart van de wereld. Deze laatste instelling is van groot belang voor de Britse staat: zij verzorgt de uitgifte van leningen, de verkoop van loterijen en annuïteiten, rentebetalingen en de handel in korte-termijnleningen. Niet voor niets noemt de eerste-minister in 1781 de Bank ‘een onderdeel van de Constitutie'. De belangen van het Londense commerciële leven worden door haar behartigd via onder meer het lenen van geld aan de diverse handelscompagnieën (Hudson's Bay Company, East India Company, South Sea Company), via de handel in ongemunt goud en zilver en via dienstverlening aan kleinere particuliere banken. De kleine bankiers hebben overigens nog steeds het grootste aandeel in het Britse geldverkeer. Vaak zijn zij afstammelingen van kooplieden, winkeliers, goudsmeden en andere burgers die met de geldhandel als nevenfunctie zijn begonnen.
| 2.12.3 Sociale omstandigheden |
De kosten van een verblijf in Londen zijn niet gering, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen die de Schotse schrijver James Boswell maakt in 1762, bij het begin van zijn oponthoud in de hoofdstad: 'Mijn toelage van mijn vader is 25 pond per zes weken; totaal 200 pond per jaar. Het is moeilijk hiermee de status van gentleman op te houden. Toch hoop ik dat op de volgende wijze te doen. Een fatsoenlijke huisvesting in een goede wijk van de stad is absoluut noodzakelijk. Dit is wel erg kostbaar. Onder de twee of anderhalve guinea is er niets geschikts voor mij te vinden. Maar als ik iets voor een jaar huur, dan denk ik dat ik voor 50 pond kan slagen. Omdat iemand als ik van wie men weet dat hij zonder te hoeven werken in de stad verblijft en geen thuis heeft waar hij kan dineren, wordt blootgesteld aan de verzoekingen van duur gezelschap, wil ik koste wat kost een vaste plaats om te dineren hebben. Indien men in het huis waarin ik logeer, daartoe gelegenheid biedt, des te beter. Zo niet, dan moet ik ergens anders naar toe. Ik maak dan het liefst een afspraak met een nette familie - die elke dag een acceptabele maaltijd op tafel brengt - om daar te dineren als ik geen andere plaats daartoe heb en voor iedere keer dat ik dineer, betaal ik hun 1 shilling 6 pence; of ik geef hun, indien zij dat niet zouden willen, gewoon 1 shilling per dag. Ik zal me inspannen om zo weinig mogelijk last te veroorzaken en zo beminnelijk mogelijk te zijn. De totale kosten van dit onderdeel zullen ongeveer 18 pond bedragen. Ik ontbijt in mijn eigen kamer. Ik neem een theekist, waarin ik mijn thee en suiker kan opbergen. Het dienstmeisje zal me elke ochtend zóveel brood en elke week zóveel boter brengen. Er zal zelden iemand bij me komen ontbijten en dan nog alleen maar op uitnodiging van mij. Soms zal ik buitenshuis ontbijten. Het ontbijt zal me ongeveer 9 pond kosten. Ik neem alleen maar een kachel in mijn eetkamer en wel gedurende zeven maanden per jaar, hetgeen 20 shilling per maand zal kosten. Voor het hele jaar 7 pond. Ik ga waskaarsen gebruiken. Ze geven een fijner licht en ik kan ze zonder meer wegsluiten; de kaarsen voor onmiddellijk gebruik staan dan in een houder in de kamer. Kosten ongeveer 6 pond. Ik neem elke dag een stel schoon goed, hetgeen 4 pence per dag zal kosten. Laten we zeggen per jaar 7 pond. Elke dag, of in ieder geval vaak laat ik mijn haar verzorgen, wat 6 pond zal kosten. Minstens eenmaal per dag en soms vaker laat ik mijn schoenen poetsen. Per jaar zal dat 1 pond kosten. Een ander essentieel onderdeel is het goed gekleed zijn, aangezien dit voor iedereen te constateren valt. Voor kleding sta ik me 50 pond toe. Voor kousen en schoenen reken ik per jaar op 10 pond. ... [Ik heb] maar 43 pond over voor koetshuur, vermaak en cafébezoek, hetgeen ik wel erg aan de krappe kant vind. Ik hoop evenwel mijn levensstijl aan de omstandigheden aan te passen.’
Hoewel Boswell zijn toelage blijkbaar erg gering vindt, bedragen de inkomsten van de meeste gewone mensen veel minder. Arbeiders verdienen gemiddeld 15 shilling per week, dat is minder dan één vijfde van de toelage van de jonge schrijver. Wevers behoren tot de slechtstbetaalde beroepsgroepen, zij verdienen vaak niet meer dan 9 shilling in de week. Vakbekwame en snel werkende ambachtslieden, zoals meubelmakers en juweliers, kunnen veel meer verdienen, tot 4 pond per week. Om rond te komen, moeten de vrouwen van de meeste arbeiders een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen. De echtgenote van een dagloner vent met fruit en vis of verhuurt zich als naaister, werkster of wasvrouw.
| 2.12.4 Huisvesting en gezondheidszorg |
De huisvesting en leefomstandigheden van de allerarmsten – de losse arbeiders, straatventers, werksters enz. – zijn troosteloos. Vaak moeten deze lieden zelfs dicht opeengepakt in kelders leven, waar zij geplaagd worden door vochtigheid en ratten. De arts Willan beschrijft de ellende van deze ongelukkigen als volgt: 'Het is nauwelijks te geloven, maar toch waar, dat lieden uit de laagste klasse nog geen driemaal per jaar schone lakens op hun bedden leggen; dat ze zelfs, als er geen lakens gebruikt worden, nooit de dekens of de beddespreien reinigen of wassen, of die vervangen ... ; dat gordijnen, als die er al zijn, nooit gereinigd worden, maar in dezelfde staat blijven hangen tot ze uit elkaar vallen; ten slotte, dat drie tot acht personen van verschillende leeftijden vaak in hetzelfde bed slapen en dat er over het algemeen slechts één kamer en één bed voor elk gezin is... De kamer is óf een diepe kelder, bijna ontoegankelijk voor licht van buiten en frisse lucht, óf een vliering met een laag plafond en smalle ramen, waarvan de toegang nauw is, donker en niet alleen vervuld van slechte lucht, maar ook van dampen van stinkende excrementen uit een gewelf onder aan de trap. Men wast het linnengoed of doet andere onaangename werkjes, terwijl op het besmeurde bed de zuigelingen soezen en de wat oudere kinderen de hele dag op datzelfde bed spelen; van tijd tot tijd wordt een onsmakelijke maaltijd toebereid; in vele gevallen weerhoudt luiheid, in andere het logge meubilair of het gereedschap waarmee de kamers zijn volgepropt, de heilzame hantering van de bezem en de witkalkkwast en prefereert men de opeenhoping van allerlei vuil. Het bovenstaande verslag is niet overdreven: de waarheid ervan kan bevestigd worden door die doktoren die bekend zijn met de ellendige bewoners van straten in de St. Gilesparochie, van de hofjes en stegen, grenzend aan Liquor Pond Street, Hog Island, Turn-mill Street, Old Street, Whitecross Street, Grub Street, Golden Lane, de twee Brook Lanes, Rosemary Lane, Petticoat Lane, Lower East Smithfleld, sommige delen van Upper Westminster en verscheidene straten van Rotherhitheck. . . ’
Er komen steeds meer logementen, vaak gevestigd in bouwvallige panden, waar men voor een gering bedrag onderdak kan vinden. Vooral veel Ieren - die tot de armste bevolkingsgroepen behoren - kan men hier aantreffen. Rond het midden van de eeuw waren deze huizen al berucht. 'Er is binnen enkele jaren aan de rand van de stad een handel ontstaan in oude, vervallen huizen, die door de bewoners van bedden worden voorzien, die elke avond voor twee pence voor één persoon of drie pence voor een paar verhuurd worden ... In één kamer staan vaak vier of vijf bedden; er hangt een onvoorstelbaar vieze lucht... Alcoholhoudende dranken bieden er de mogelijkheid tot het zich bedrinken ... en de huizen zijn de hele nacht open ter vermaak van schurken en om allerlei gestolen goederen in ontvangst te nemen.’
Volgens een politierapport zijn er op het ogenblik, aan het eind van de eeuw: '... meer dan 20 000 ongelukkigen uit verschillende klassen, die elke ochtend wakker worden zonder te weten hoe... zij gedurende de komende dag onderhouden moeten worden, of waar zij de volgende nacht kunnen slapen.’
Op het gebied van de gezondheidszorg is er de afgelopen vijftig jaar een wezenlijke verbetering ingetreden: in de eerste helft van de eeuw waren er perioden dat sterfgevallen meer voorkwamen dan geboorten. Het slopende drankmisbruik kwam vooral voor in de onderste lagen van de bevolking: allerlei soorten winkels verkochten sterke drank, werkgevers overvoerden hun arbeiders met gin. In 1736 rapporteerde een comité dat zich met het drankmisbruik bezighield, dat: '... kaarsenmakers, vele wevers, verscheidene tabaksverkopers, schoenmakers, timmerlieden, kappers, kleermakers, stofververs, arbeiders en anderen sterke drank verkopen. Los arbeiders, in dienst van lieden die gin verkopen, hebben deze drank altijd bij de hand... en laten zich er gewillig toe verleiden er vrijelijk gebruik van te maken, vooral omdat zij de hele week op de pof kunnen drinken, al te vaak zonder eraan te denken hoe snel de rekening oploopt; in het weekend komen ze dan tot de ontdekking dat ze geen loon naar huis kunnen brengen zodat hun gezinnen moeten kreperen ... Met betrekking tot het vrouwelijke geslacht is onze bevinding dat de besmetting ook daar is doorgedrongen en wel in een nauwelijks te bevatten mate. Ongelukkige moeders gewennen zich aan deze gedistilleerde dranken, hun kinderen worden zwak en ziekelijk geboren en zien er vaak verschrompeld en oud uit, alsof ze al heel wat jaren oud waren. Anderen weer geven het hun kinderen dagelijks te drinken ... en leren hen, zelfs vóórdat ze kunnen lopen, deze zekere verwoester te appreciëren.’
Na 1751 wordt het drankmisbruik beduidend minder als gevolg van de in dat jaar ingevoerde hoge belasting op sterke drank. De dalende sterftecijfers zijn evenwel niet alleen te verklaren door het afgenomen gebruik van alcoholica, maar ook door de verbeterde medische voorzieningen en levensmiddelentoevoer. De moderne wetenschap heeft de behandelingsmethoden van ziekten ingrijpend beïnvloed: zelfs de zo gevreesde pokken, waaraan steeds weer één dertiende deel van elke generatie ten offer valt, kan nu voorkomen worden door de ontdekking van Edward Jenner, dat vaccinatie met de zgn. koepokstof de kans op besmetting uitsluit. Tyfus maakt nog veel slachtoffers onder de bevolking; niet zelden zijn juist de ziekenhuizen de plaats waar men deze ziekte opdoet: door sommigen wordt zij dan ook de 'ziekenhuiskoorts' genoemd. Stegen en binnenplaatsen waar zich gevallen van tyfus hebben voorgedaan, blijven bronnen van infectie: 'Als de koorts een gebouw door dood en verschrikking heeft ontvolkt, komen nieuwe bewoners - arm en onwetend - die ziek worden en sterven of kwijnen en weer instorten; zij laten, na weggevoerd te zijn naar het armenhuis of het graf, hetzelfde verpeste vertrek achter voor hun ongelukkige opvolgers. Vanuit deze pesthuizen druipt geconcentreerde smetstof in de naburige binnenplaatsen en stegen... zij wordt door de hele buurt vespreid via de frequente betrekkingen van de behoeftigen, die... vaak gedwongen zijn een bepaald artikel te belenen om zo een ander te kunnen kopen... Via lommerdhouders, handelaren in oude kleren en lompen en andere media wordt het vergif dáár verspreid waar men het het minst vermoedt.’
| 2.12.5 De hogere klassen |
Het leven van velen uit de bovenste laag van de bevolking speelt zich af in de talrijke landhuizen die buiten de stad zijn verrezen. De bewoners en hun gasten houden zich bezig met sport, muziek, literatuur, kaartspel en veel eten en drinken. Het is gebruikelijk dat er in deze buitenverblijven welvoorziene bibliotheken aanwezig zijn, die getuigen van de goede smaak van de bezitters: Engelse, Latijnse en Italiaanse klassiek geworden boeken, fraai uitgevoerde geïllustreerde reisverhalen en geschiedwerken. De jacht en het cricketspel geven de bewoners de lichaamsbeweging die gezien de overige dagelijkse activiteiten meer dan nodig lijkt. De grote hoeveelheden spijs en drank plegen voortdurend een aanslag op de gezondheid: niet voor niets is het toppunt van aangeschotenheid als men ‘zo dronken als een lord' is. De maaltijden zijn overdadig; een menu van de volgende samenstelling is geen uitzondering: 'De eerste gang: een stuk van een grote kabeljauw, lamszadel, soep, kippepie, pudding, wortelen enz. Tweede gang: duifjes en asperges, kalfsfilet met paddestoelen. . ., geroosterde zwezerik, warme kreeft, abrikozentaart en tussendoor een piramide van gelei. Als dessert fruit en Madeira, witte en rode Port als wijn.’
| 2.12.6 Vermaak |
De houding van de magistraten tegenover populair amusement is over het algemeen negatief. Men beschouwt volksvermaak als een aanleiding tot dronkenschap, onlusten en veel sociaal kwaad. Niet alleen gokhuizen en hanengevechten worden tegengegaan, maar ook kermissen en theaters worden met argusogen bekeken. Dit alles heeft tot gevolg dat voor de gewone mensen weinig mogelijkheden tot wettelijk toegestaan vermaak bestaan, hetgeen weer allerlei misstanden meebrengt. De jonge Boswell beschrijft in zijn dagboek op 15 december 1762 hoe hij na een smakelijke maaltijd in een steakhouse een hanengevecht bezoekt: 'Een beefsteak-house is een voortreffelijke plek om te eten. Je komt in een warme, comfortabele kamer, waar een aantal mensen aan tafel zit. Je neemt maar ergens plaats en bestelt wat je wilt, hetgeen goed en bekwaam toebereid geserveerd wordt. Je kunt al naar gelang de stemming een praatje maken. Mijn maaltijd (vlees, brood en bier) kostte inclusief een penny voor de ober slechts een shilling... Om vijf uur vulde ik mijn zakken met peperkoek en appels, deed mijn oude kleren aan, legde mijn horloge, beurs en zakagenda weg en ging met een eiken stok in de hand op weg naar de hanenmat. Ik was er te vroeg en daarom ging ik een lage herberg binnen, waar ik tussen een stel doortrapte schavuiten kwam te zitten en bier dronk. De schildwacht bij het huis had mij zeer voorkomend de weg gewezen. Het was erg koud en ik herinnerde mij de arme kerel zodat ik hem een pint bier bracht. Hij was erg dankbaar en proostte van harte op mijn gezondheid... Daarop ging ik naar de hanenmat, een ronde kamer waar in het midden de hanen vechten. Rondom zijn amfitheatrisch opgestelde zitplaatsen. De mat en de zitplaatsen zijn helemaal met matten bedekt. De hanen, goed verzorgd en gewapend met zilveren sporen, worden neergezet en vechten met verbazingwekkende verbittering en vastberadenheid. Enkele van hen werden al snel afgemaakt. Eén paar vocht drie kwartier. Het tumult en de herrie van het gokken is enorm. Er ging in korte tijd heel wat geld van hand tot hand. Er waren een aantal beroepsgokkers aanwezig: een oude handige vos, wiens gezicht ik al eerder... had gezien, zat een tijdje naast me. Ik vertelde hem dat ik geen verstand van hanengevechten had. 'Mijnheer,' zei hij, 'u hebt een even goede kans als iedereen.' Hij dacht zeker dat ik een willig slachtoffer voor hem zou zijn: ik zag er nog groen uit, maar ik ontweek hem. Ik was geschokt door de aanblik van de dolle en verlangende gokkers. Ik had medelijden met de arme hanen. Ik keek rond om te zien of iemand van de toeschouwers deernis had als de hanen op een gruwelijke manier verminkt en verscheurd werden, maar ik kon niet het minste teken van mededogen in welk gelaat dan ook ontdekken. Ik was er dan ook niet rouwig om hen geestelijk te zien lijden. Aldus beëïndigde ik mijn echt Engelse dag en kwam flink moe en verward door de vreemde aard van deze mensen thuis.'
| 2.12.7 Theater |
Is het vermaak voor de gewone mensen beperkt, voor de hogere standen is er ontspanning te over. Theaters zijn er in overvloed en vooral het muziekleven bloeit gedurende de gehele eeuw. Tijdens de Professional Concerts in de Hannover Square Rooms en de door Haydn opgezette Salomon's Concerts wordt meestal een zeer afwisselend programma van orkestwerken, kamermuziek, zang en madrigalen geboden. In de catch- en glee-clubs kunnen de minder hevig in muziek geïnteresseerden zich in ontspannen sfeer tegoed doen aan aangename klanken; Londen telt vele van deze clubs, zoals de Nobleman and Gentlemen's Society, de Madrigal Society, de Glee Club en de Concentores Sodales.
Ondanks de wisselvalligheid van het Engelse klimaat vinden er in het seizoen talrijke openluchtconcerten plaats, waar men tegen een geringe entreeprijs van hoogstaand musiceren kan genieten. Vooral de zang en het orgelspel die in de Vauxhall Gardens ten beste worden gegeven, zijn een publiekstrekker van de eerste orde. Opera's kan men onder meer bijwonen in Covent Garden en Drury Lane; niet meer in het King's Theatre en het Pantheon, die resp. in 1789 en 1791 zijn afgebrand. Middelpunten van geestelijke muziek zijn de Chapel Royal, de Westminster Abbey en St. Paul's Cathedral.
Van enorme betekenis voor het Londense muziekleven is de langdurige aanwezigheid van Georg Friedrich Händel geweest, die van 1712 tot aan zijn dood in 1759 in Londen heeft gewoond. Bij allerlei gelegenheden werd en wordt nog steeds zijn muziek gespeeld, zoals de Royal Firework Music ter gelegenheid van een groot volksfeest in 1748 en het Te Deum ter gelegenheid van de Vrede van Utrecht (1713), maar vooral zijn oratoria, waarvan The messiah wel het beroemdste is. Händel was in de jaren twintig van deze eeuw leider van de Royal Academy of Music, een opera-onderneming die in 1728, toen het Londense publiek zich begon af te keren van de Italiaanse opera, failliet ging. De componist heeft daarna nog enige pogingen gedaan met operacomposities het muzikale tij te keren, maar uit het succes van John Gays The beggar's opera, waarin de draak gestoken wordt met de Italiaanse opera, bleek algauw dat dit streven vergeefs was. Händel ligt begraven in de Westminster Abbey, waar het grafmonument van Roubillac de componist laat zien, steunend met de linkerarm op het orgel en met in de rechterhand het begin van het Larghetto uit The messiah (‘Ik weet dat mijn Heiland leeft’).
Het Londense muziekleven heeft enige jaren geleden opnieuw door een buitenlander een stimulans gekregen: de muziek van Franz Joseph Haydn, die hier enige tijd heeft doorgebracht, heeft enorme indruk gemaakt: in 1795, toen Haydn kenbaar maakte naar Oostenrijk te willen terugkeren, heeft zelfs koning George in zich ervoor ingezet de componist in de Engelse hoofdstad te houden.
| 3. Amerika |
| 3.1 Noord-Amerika |
Na 1783 (Vrede van Versailles) wordt de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika, bevochten in de acht jaar durende Amerikaanse Vrijheidsoorlog tegen de Britten, internationaal erkend. In de jaren hierna zijn unieke staatsrechtelijke maatregelen getroffen, met name de Constitutie van 1787 met haar van Montesquieu overgenomen driedeling der macht, de driemachtenleer.
| 3.1.1 Massachusetts |
De bakermat van de Amerikaanse vrijheid, in het noorden van de bondsstaat, is Massachusetts, middelpunt van handel en cultureel leven. De hoofdstad, Boston, is de afgelopen eeuw getuige geweest van gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor de loop der geschiedenis: in 1770 de zgn. Boston massacre en drie jaar later de Boston tea party. Beide waren op zich geen wereldschokkende voorvallen, maar zij hebben toch een belangrijke stimulans gegeven aan het vrijheidsstreven. In de stad is een bekende universiteit gevestigd, Harvard University, die met enige honderden studenten en een bibliotheek van ongeveer tienduizend boeken de belangrijkste van het land is.
De staat New York heeft in de jongste geschiedenis niet zo'n voorname rol gespeeld. Wel opvallend is de snelle groei van de stad New York: in tien jaar is het bevolkingsaantal verdubbeld, het bedraagt nu 60 000.
| 3.1.2 Philadelphia |
De meeste inwoners (70 000) telt Philadelphia (Pennsylvania), sinds kort hoofdstad van de Verenigde Staten. In 1776 is hier de onafhankelijkheidsverklaring afgekondigd, waarvan de staatsman Thomas Jefferson (1743-1826) de geestelijke vader is. De stad is in 1793 getroffen door een epidemie van gele koorts, waaraan een kleine tienduizend mensen zijn gestorven. Deze ramp heeft de autoriteiten ertoe aangezet de hygiëne en de levensomstandigheden te verbeteren. Sinds 1791 is in Philadelphia het hoofdkantoor van de Bank of the United States gevestigd. Pennsylvania, bolwerk van de pacifistisch gezinde quakers, herbergt vele inwoners van Duitse en Iers-Schotse afkomst, die mede aan de welvaart van deze staat hebben bijgedragen.
| 3.1.3 Virginia |
Virginia heeft evenals Massachusetts een grote rol gespeeld in de vrijheidsstrijd: hier heeft in 1781 de laatste veldslag van de oorlog plaatsgevonden. Samen met Virginia bezitten North en South Carolina en Georgia zeer veel Afrikaanse slaven; dit is tevens het geval in de nieuwe staten Tennessee en Kentucky.
| 3.1.4 Slavernij |
De laatste jaren lijkt in de noordelijke staten de slavernij meer weerwerk te krijgen: nadat in 1775 de eerste vereniging tegen deze vorm van vrijheidsberoving is opgericht, zijn met name in Pennsylvania en Massachusetts juridische maatregelen getroffen. In de laatstgenoemde staat heeft het hoogste gerechtshof in 1783 in een zaak waarin een slaaf zijn eigenaar aanklaagde, de volgende overweging uitgesproken: 'Het recht van christenen om Afrikanen in blijvende slavernij te houden en te verkopen was een gebruik dat zijn oorsprong vond in de praktijk van enige Europese volken en in de bepalingen van de Britse regering betreffende de toenmalige koloniën, ten bate van de handel en welvaart. Maar welke gevoelens in deze ook vroeger hebben geleefd of door het voorbeeld van anderen zijn binnengeslopen, er is een andere opvatting onder het Amerikaanse volk ontstaan, die voorstaat de natuurlijke rechten van de mensheid en dat aangeboren verlangen naar Vrijheid waarmee de Hemel (zonder zich te bekommeren om huidkleur, aanzien of vorm van de neus) heel het menselijke ras heeft begiftigd. Op grond hiervan ... verklaart onze Regeringsconstitutie... dat alle mensen vrij en gelijk berechtigd worden geboren ... dat iedere onderdaan recht op vrijheid heeft... de idee dat er geboren slaven zijn, is onverenigbaar met deze constitutie... De levenslange slavernij van een denkend wezen is niet toegestaan, tenzij hij zijn vrijheid verspeelt door enig misdadig gedrag of opgeeft door persoonlijke toestemming of via een contract. '
| 3.1.5 De zuidelijke staten |
In de zuidelijke staten is van dergelijke opvattingen nauwelijks sprake, eerder lijken de slavenbezitters hun houding te verharden. Het gebied ten westen van de kuststaten, Northwest Territory, is het object van landspeculatie op grote schaal. Ofschoon de regering verdragen probeert te sluiten met de hier wonende Indianen, breken er keer op keer gevechten uit met de westwaarts oprukkende kolonisten. In het zuiden worden de Indianen gesteund door de Spanjaarden, in het noorden door de Britten. De laatste jaren zijn door generaal Wayne, bijgenaamd 'Mad Anthony', successen behaald bij de grens met Canada; zijn overwinning in de slag bij Fallen Timbers is beroemd. Veel indruk, zowel in Amerika als in Europa, heeft de redevoering van het Mingo-opperhoofd Logan in 1774 gemaakt, wiens gezin door blanken was uitgeroeid. De staatsman Thomas Jefferson geeft de rede in zijn boek Notes on the State of Virginia als volgt weer: 'Ik (Logan) tart elke blanke man te beweren dat hij ooit Logans hut hongerig is binnengekomen en dat hem geen vlees is gegeven, dat hij koud en naakt is gekomen en hem geen kleding is gegeven. Gedurende de loop van de laatste lange en bloedige oorlog bleef Logan rustig in zijn hut, een pleiter voor vrede. Zo groot was mijn liefde voor de blanken, dat mijn landgenoten naar mij wezen als zij langskwamen en zeiden: 'Logan is de vriend van de blanken'. Maar de afgelopen lente heeft Col. Cresap in koelen bloede en zonder aanleiding al de familieleden van Logan vermoord, hij spaarde zelfs niet de levens van mijn vrouwen en kinderen. Er stroomt geen druppel bloed van mij meer door de aderen van enig levend schepsel. Dit riep bij mij wraak op en ik heb naar haar ook gedorst: ik heb velen gedood, ik heb mijn wraakgevoelens volledig bevredigd...’
Soms wordt er gespeculeerd op de lust tot geldelijk gewin die onder blanken en Indianen leeft om tot een doeltreffende bestrijding van vijandige stammen te komen. In 1755 – ten tijde van de Brits-Franse oorlog – werd door de kapitein-generaal van de Britse koloniale provincie Massachusetts-Bay geld aangeboden voor het gevangennemen of scalperen van oorlogszuchtige Indianen: 'Voor elke mannelijke Indiaanse gevangene boven de leeftijd van twaalf jaar, die gevangengenomen en naar Boston gebracht wordt, vijftig pond. Voor elke scalp van een Indiaanse man… veertig pond. Voor elke vrouwelijke Indiaanse gevangene... en voor elke mannelijke Indiaanse gevangene beneden de leeftijd van twaalf jaar... vijfentwintig pond. Voor elke scalp van een Indiaanse vrouw of Indiaanse man beneden de leeftijd van twaalf jaar... twintig pond‘.
De positieve aspecten van de Indiaanse gemeenschappen worden door de meeste blanken niet onderkend. Een uitzondering is de Engelsman John Lawson, die in de beginjaren van deze eeuw verschillende tochten door Indiaans gebied heeft ondernomen. Drie jaar voor zijn dood in 1712, ironisch genoeg veroorzaakt door de door hem zo bewonderde Indianen, verscheen zijn History of North Carolina, waarin de volgende regels voorkomen: 'Zij (de Indianen) hebben geen afrasteringen om de percelen in hun velden te scheiden, maar elke man kent zijn eigen grondstuk. Het komt uiterst zelden voor dat zij elkaar ook maar van een korenaar beroven; als iemand toch wordt betrapt, wordt hij door de Ouden ertoe veroordeeld voor degene die is beroofd, te werken en te planten, net zolang tot al de schade is vergoed... Het komt vaak voor dat een vrouw van haar echtgenoot is verstoken en een groot aantal kinderen te onderhouden heeft; zo iemand helpen zij altijd, zij laten hun jongemannen planten, oogsten en alle dingen doen waartoe zijzelf niet in staat is... Nooit vechten zij met elkaar, behalve als zij dronken zijn, noch kan men hen ooit tegen elkaar horen kijven. Ze zeggen dat de Europeanen altijd zeuren en onrustig zijn en ze vragen zich af waarom zij niet deze Wereld verlaten, aangezien ze zich hier niet op hun gemak voelen en ontevreden zijn. Al de rampen en verliezen (die de Indianen treffen) eindigen in gelach; al vatten hun hutten vlam en verbranden al hun goederen ... toch loopt zulk een ramp altijd uit op een hartelijke lachbui, behalve als familieleden of vrienden hun levens hebben verloren ... Een elders veel voorkomende ondeugd heb ik nooit bij hen aangetroffen, namelijk het benijden van andermans geluk.’
| 3.1.6 Canada |
In Canada zijn er sinds het einde van de French and Indian War (1756–1763) geen door Fransen bestuurde gebieden meer, maar er leeft nog wel een aanzienlijke hoeveelheid Franstaligen, die zich niet altijd even inschikkelijk betonen tegenover de Britse overheersers. Sinds 1791 is het land verdeeld in een Franstalig deel (Neder-Canada) en een Engelstalig deel (Opper-Canada).
| 3.2 Midden- en Zuid-Amerika |
Nieuw-Spanje, de grote Midden-Amerikaanse kolonie der Spanjaarden, is in zijn export geheel op het moederland gericht. De macht is er in handen van de grootgrondbezitters en de mijneigenaars; zij bezitten in de praktijk meer invloed dan de voormalige corregidores (districtsambtenaren) – waarvan er ongeveer 200 waren aangesteld – en de huidige intendanten en subdelegados. In deze eeuw zijn twee nieuwe vice-koninkrijken tot stand gekomen: Nieuw-Granada (Colombia, Ecuador, Venezuela en Panama) en La Plata (Argentinië, Uruguay en Paraguay). In Paraguay zijn de reducciónes van de jezuïeten verwaterd na de uitwijzing van de orde, in 1767, uit Zuid-Amerika.
De jezuïetenpater Dobritzhoffer heeft in 1774 over zijn verblijf tussen de Guaraní in Paraguay een verslag geschreven. Over de levensgewoonten van deze Indianen meldt hij onder meer: 'In deze wouden is er een verbazingwekkende productie van maïs en andere groenten, evenals van tabak. Voor zij naar bed gaan, zetten zij hun potten vol vlees of groenten op het vuur, opdat hun ontbijt gereed is als zij ontwaken: want bij het krieken van de dag beginnen de mannen boven de zeven jaar met bundels pijlen door het woud te trekken op zoek naar het wild waarvan zij die dag moeten leven. De moeders leggen hun zuigelingen in gevlochten manden en dragen ze op hun schouders wanneer ze door het woud trekken. Uit de bijennesten, waarmee de bomen volhangen, verzamelen zij hoeveelheden voortreffelijke honing, die als eten en als drank dienst doet. Hun naam voor God, in de Guarani-taal, is Tupa, maar van die God en zijn geboden willen zij maar weinig weten. Zij zijn even onwetend van de verering van afgoden als van het Opperwezen. De geest van het kwaad noemen zij Ananga, maar zij aanbidden hem niet. Ze hullen hun doden in grote vaten van klei, overeenkomstig een oude Guaraní-rite. Zij doen nooit moeite erover na te denken wat hun lot na dit leven zal zijn. Zij voeden zich niet met mensenvlees, hoewel de naburige Indianen het als een delicatesse beschouwen. Elke vreemdeling - Indiaan, Spanjaard of Portugees - verdenken zij van vijandige bedoelingen ... Op vragen betreffende hun woonplaats antwoordden ze dat die heel ver weg lag en alleen bereikt kon worden door vele moerassen te doorwaden; een slim antwoord dat gedicteerd werd door hun zorg om zich zelf en hun vrouwen ... Opdat hun voetsporen hun toevluchtsoord niet zouden verraden, pasten zij op de terugtocht de volgende list toe: als zij via een zuidelijke weg heengingen, keerden zij via een noordelijke weg terug en omgekeerd, zodat de Spanjaarden zich geen idee konden vormen van de plek waar zij zich schuilhielden.’
Het oude vice-koninkrijk Peru is in de jaren tachtig geconfronteerd met een Indianenopstand onder leiding van de Inka Tupac Amarú. Sindsdien lijken de autoriteiten de Indianen serieuzer te nemen en worden er voorzichtige hervormingen doorgevoerd die een taalkundige en later misschien ook culturele assimilatie tot doel hebben.
De Portugese kolonie Brazilië heeft deze eeuw een bloei doorgemaakt als gevolg van de ontdekking van enorme goudaders in Minas Gerais en Mato Grosso en van de verrassende diamantvondsten. De koortsachtige activiteiten die dit alles mee heeft gebracht, hebben evenwel geleid tot verwaarlozing van de landbouw; met name de suikerrietcultuur is achteruitgegaan.
| 4. Afrika |
De staten van Noord-Afrika staan, met uitzondering van Marokko, gedurende deze eeuw onder Turkse suzereiniteit. In Soedan (Bornu, Darfur, Segu, Futa Toro en Futa Jallon) en de regenwoudzone (Oyo, Ashanti en Dahomey) liggen machtige inheemse rijken. De nederzettingen van de Europeanen aan de kusten van Afrika zijn vergeleken met deze staten zwak; zij dienen voornamelijk als handelsposten.
| 4.1 Kaapkolonie |
Alleen in het uiterste zuiden van het continent komen steeds grotere gebieden onder Europese heerschappij te staan. Vanuit de Kaapkolonie, die onder beheer staat van de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie, breidt de invloed van de Europeanen zich uit: in 1700 waren alle vestigingen nog binnen een omtrek van 100 km van de Kaap gelegen, rond het midden van de eeuw binnen een omtrek van 400 km; aan het einde van de eeuw - de Kaapkolonie is inmiddels door de Britten bezet (1795) - bereiken de eerste kolonisten de 800 km ten oosten van de Kaap gelegen Groot Visrivier. In deze streek komt het tot gewapende conflicten tussen de blanken en Bantoe als de Xhosa, Pondo en Thembu, met als inzet het bezit van de hier gelegen weideplaatsen. In het noordwesten is er strijd gaande tussen het Khoi-Khoinvolk (of Hottentotten, zoals ze door de blanken genoemd worden) en de zuidwaarts trekkende Herero, ook hier om het bezit van weideplaatsen voor het vee.
De Bosjesmannen worden door de kolonisten fel vervolgd, met als excuus dat dit volk vee rooft. In 1798 meldt een reiziger: 'Alleen al de naam Bosjesmannen boezemt de hele kolonie schrik in. De veehouders verafschuwen hen en geloven niets verdienstelijkers te kunnen doen dan hen overal waar ze hen ontmoeten, te vermoorden. Een boer uit Graaff-Reinet antwoordde op de vraag of de wegen sterk door wilden waren verpest, dat hij slechts vier van hen om het leven had gebracht. Hij deed deze bekentenis met zulk een koelbloedigheid en rust alsof hij over vier gedode patrijzen had gesproken. Ik zelf heb een andere veehouder zich erover horen roemen dat hij eigenhandig rond de driehonderd van deze armzalige schepselen had gedood.’
| 4.2 Ontdekkingsreizen |
De interesse van Europeanen voor Afrika is in de loop van de eeuw sterk toegenomen. Men stelt zich niet meer algemeen tevreden met nederzettingen aan de kust, waar goud en slaven kunnen worden verkregen. De belangstelling voor het binnenland leidt onder meer tot de expedities van James Bruce – die in 1770 de bronnen van de Blauwe Nijl ontdekt en daarmee naar hij dacht van de Nijl – en de exploratie van het Nigergebied door Mungo Park in de jaren 1795–1797. Sinds 1788 wordt het onderzoek van Afrika gestimuleerd door de African Association te Londen. Toch zijn de meeste Afrikanen nog niet met Europeanen in contact gekomen, enorme gebieden zijn nog niet nauwkeurig in kaart gebracht, hoewel de geografische kennis tussen het verschijnen van D'Anvilles kaart van Afrika in 1749 en die van majoor James Rennell in 1798 sterk is toegenomen. Dat er ook nu, aan het eind van de eeuw, nog zo weinig van het binnenland bekend is, is mede te wijten aan het idee van ontoegankelijkheid dat de Europeanen ten aanzien van Afrika koesteren. In 1790 schrijft de cartograaf Rennell: 'In geografisch opzicht is Afrika uniek! Het wordt door geen binnenzeeën gepenetreerd, zoals de Middellandse Zee, de Oostzee of de Hudsonbaai; het is niet overdekt met grote meren, zoals die in Noord-Amerika, noch stromen er als in de andere continenten rivieren van het midden naar de verstgelegen gebieden. Integendeel, de delen worden van elkaar gescheiden door de minst begaanbare van alle grenzen: dorre woestijnen van zulk een enorme omvang dat zij die ze doorkruisen, met de gruwelijkste van alle doden worden bedreigd, namelijk die welke uit dorst voortkomt! Kunnen wij gezien dergelijke omstandigheden verbaasd zijn over onze onbekendheid met de binnenlanden of over de trage voortgang van de beschaving aldaar?’
| 4.3 De slavenhandel |
De ideeën die in Afrika over Europa en de Europeanen leven, zijn naar streek verschillend. In Noord-Afrika heerst alom minachting voor het blanke ras, in Oost-Afrika is men het meer toegenegen, behalve in Ethiopië, waar de gevoelens sterk anti-Europees zijn. In West-Afrika, waar de slavenhandel is geconcentreerd, overheersen gevoelens van bewondering voor de prestaties der blanken – hier treft men Afrikanen aan die enige uiterlijkheden van de Europese levenswijze hebben overgenomen (kleding, meubels) –, maar wordt hun wrede optreden gevreesd. De handelaren betrekken hun slaven voornamelijk van de 'Slavenkust' (Nigeria, Togo, Dahomey en Ghana), van de Goudkust, uit het Nigergebied, Angola en Kongo. Vooral Britten en Fransen zijn actief in deze handel, Portugezen en Nederlanders in mindere mate. Afrikaanse slavenhalers voeren uit het binnenland de gewenste aantallen aan, die zij in ruil voor vuurwapens en gebruiksvoorwerpen afstaan aan de Europese handelaren aan de kust. De Afrikanen die deze vuurwapens in handen krijgen, gebruiken deze soms om hun machtspositie en die van hun volk te versterken; zo wordt het machtige koninkrijk der Ashanti gegrondvest door Osei Tutu, die daartoe onder meer in staat wordt gesteld door het bezit van uit Europa afkomstige wapens. Overigens groeit in Europa de weerstand tegen de slavernij: in 1772 is door het hoogste gerechtshof in Groot-Brittannië bepaald dat een het land binnengekomen slaaf voortaan vrij zou zijn, en in 1787 is de Society for the Abolition of the Slave Trade opgericht. In Frankrijk bestaat sinds 1788 een Société des Amis des Noirs en wordt sinds de Revolutie de slavernij principieel afgekeurd. Lang niet iedereen verwacht evenwel veel van de afschaffing van de slavenhandel. Mungo Park, die toch als niet onwelwillend tegenover de Afrikanen bekendstaat, schreef onlangs nog in zijn Travels in the interior of Africa (1799): 'dat gezien de huidige onverlichte toestand van hun geest' het resultaat van het afschaffen van de Europese slavenhandel 'niet zo vérstrekkend of heilzaam (zal zijn) als vele wijze en achtenswaardige mensen van harte verwachten'.
Niet alleen Europeanen maken van de slavernij gebruik, de Toeareg van de Sahara houden er van oudsher zwarte slaven op na en verhandelen deze ook; het koninkrijk Darfur in Oost-Soedan is een uitgangspunt van grote slavenkaravanen door de woestijn. In de staten van de Barbarijse kust worden nog gedurende deze eeuw Europese slaven gehouden, hoewel niet meer in zulke grote aantallen als in de vorige eeuw, toen er alleen al in Algiers meer dan 35 000 christenslaven tegelijk aanwezig waren. Van Mawlai Isma'il, heerser van Marokko van 1672 tot 1727, is bekend dat hij zijn blanke slaven zeer slecht behandelde. Een van zijn voormalige slachtoffers verzucht: 'Hoe vele arme christenslaven heeft hij niet doorboord met lansen, neergeschoten, voor de leeuwen gegooid en levend laten verbranden in vurige kalkovens.' Toch staat het aantal blanke slaven getalsmatig in geen enkele verhouding tot het aantal weggescheepte zwarte slaven, dat in de vele miljoenen loopt.
| 5. Azië |
| 5.1 India |
| 5.1.1 Het Mogolrijk |
In Voor-Indië valt de neergang van het Mongoolse keizerrijk deze eeuw samen met de onderwerping van een groot deel van het subcontinent door Europese handelsmaatschappijen. Na de dood van Aurangzeb in 1707 zetten de Mongoolse keizers hun uiterst weelderige hofleven voort, alhoewel de economie op de rand van de afgrond staat en het ene gebied na het andere verloren gaat. Mohammed Sjah, die na een reeks snel op elkaar volgende troonoverdrachten een tijdlang in grote stijl regeert, blijkt inderdaad voor niets anders aandacht te hebben dan voor pralerige hoffestijnen. Hij lijkt Madame de Pompadours filosofie 'après nous le déluge' (‘na ons de zondvloed’) tot de zijne te maken en laat de boerenbevolking het gelag betalen. Dit is een van de oorzaken van het dalend aantal boeren-landeigenaars, van wie er velen wegvluchten en zich in roversbenden organiseren. Een andere oorzaak is de herverdeling van het land waarbij de boerengezinnen die de belastingen niet meer kunnen opbrengen, de grond afstoten. Dorpshoofden krijgen op die manier meer land en meer invloed over de dorpsgemeenschap. Tegen het midden van de eeuw roepen ondergeschikte gouverneurs in hun provinciehoofdsteden Murshidabad (Bengalen), Hyderabad (Galconda) en Lucknow (Audh) onafhankelijke prinsdommen uit en wanneer Mohammed Sjah in 1748 sterft, controleren de Mongolen eigenlijk niet veel meer dan een klein gebied tussen Delhi en Agra.
| 5.1.2 De Mahratten |
Het zijn nu met name de Mahratten, en in mindere mate opnieuw de Afghanen, die hun aanspraken op controle over het Indiase subcontinent willen laten gelden. In Centraal-India ontstaan grote Mahrattenprinsdommen, onder meer geleid door de Sindhia's in Gwalior en de Gaekwars in Baroda. De Mahrattenfederatie, onder leiding van de Peshwadynastie, verovert vanuit de hoofdplaats Poona tijdens de eerste helft van de eeuw Centraal-India en rukt op naar het noorden. Hun leger wordt in 1761 in Panipat echter tot de laatste man verslagen en uitgemoord door de Afghaanse legers onder leiding van Ahmad Sjah, die inmiddels zijn oog eveneens op het subcontinent heeft laten vallen, zoals zovele Afghaanse prinsen voor hem. Maar Ahmad Sjah wordt op zijn beurt uitgeschakeld door de Sikhs onder leiding van Ranjit Singh van Lahore. Dan heeft hij echter de Mongolenhoofdstad Delhi al tot een steenwoestijn herschapen. In een tijdspanne van een kwart eeuw zijn nu drie grote militaire en politieke machten door elkaar uitgeschakeld en het machtscentrum in het subcontinent heeft zich verplaatst naar Bengalen en naar Zuid-India.
| 5.1.3 De East India Company |
In Zuid-India woedt omstreeks deze tijd met de Britten een hevige strijd om de hegemonie. De Engelse East India Company (EIC) heeft met name in Bengalen een stevige positie opgebouwd, sinds in 1660 aan de rivier de Hugli in het moerassige gebied van Calcutta de eerste versterkte nederzetting werd gevestigd: Fort William. Naast de handel ontplooit de EIC activiteiten als feodaal leenheer: van de Mongoolse keizer heeft de compagnie dergelijke zamindari-rechten gekregen over ongeveer veertig dorpen rond Calcutta. Het tribuut dat de EIC aan de Mongoolse keizer dient af te staan, is vastgesteld op drieduizend roepies per jaar, een bedrag dat schril afsteekt tegen de driehonderdduizend pond belastingvrije inkomsten die tijdens de eerste helft van de eeuw jaarlijks worden verworven. Door met de hulp van Indiase handelaren en geldwoekeraars geld voor te schieten kunnen de Engelsen de verbouwers van suiker, opium, katoen, zijde, indigo en rijst aan zich binden en brengen ze tienduizenden ambachtslieden als schuldslaven onder hun controle.
De nawab van Bengalen slaat met argwaan de groeiende monopoliepositie van de Britse handelaren gade. Hij heeft zich ondertussen vrijgevochten van de Mongoolse keizer, heeft Bihar en Orissa geannexeerd en wil de East India Company tot minder gevaarlijke proporties terugdringen. Met zijn legers loopt hij een aantal versterkte factorijen onder de voet, maar in 1757 wordt hij in Plassey door Britse troepen aangevallen. Kapit