Turkse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Turkse muziek
Introductie

Turkse muziek, de traditionele en hedendaagse muziek van de Turken.

1. Klassieke muziek

Turkse klassieke muziek is ontleend aan de Arabische en Perzische kunstmuziek. Makam en usul zijn de basisbegrippen. Makam is de benaming voor een verzameling tonen die samen een toonladder vormen, maar tevens een voorschrift voor het werken ermee. In de praktijk is de muziek gebaseerd op 13 basis-makamat en ca. 90 die daarvan worden afgeleid. Zes van de dertien hebben intervallen die kleiner zijn dan een halve toon. Het ritme wordt bepaald door de usul, een systeem van ritmische patronen die gecombineerd kunnen worden tot soms lange cyclussen.

Een muziekstuk komt pas tot stand bij de uitvoering door een of meer musici die het al improviserend uitcomponeren. De melodische voortgang, de subtiele versierende figuren en vaak onverwachte wendingen, die altijd binnen de regels van de betreffende makam moeten plaatsvinden, geven een muziekstuk zijn spanning en schoonheid. Wanneer meer musici gelijktijdig een compositie spelen, leiden de zelfstandige keuzes bij het invullen van de melodie tot een meerstemmigheid die voor westerse oren onoverzichtelijk klinkt, maar voor kenners een grote geladenheid kan bezitten.

In de Turkse klassieke muziek worden geen bezettingen voorgeschreven. Een compositie kan op één, of in combinatie met de volgende instrumenten gespeeld worden: santur (geslagen citer), kanun (citer), ud (of oed) (luit), tanbur (gestreken of getokkelde langhalsluit), rebab (gestreken luit), kemane (gestreken luit) of ney (fluit). Ritme-instrumenten als de handtrommel def en de nakkara (trommels) worden tegenwoordig in de kunstmuziek nauwelijks meer gebruikt.

Een muziekuitvoering bestaat gewoonlijk uit een aantal delen, die in een bepaalde makam staan: een fasil. Deze begint meestal met een instrumentaal stuk, pesrev, gevolgd door een aantal liederen, en wordt afgesloten met opnieuw een instrumentaal stuk, saz samai. Vooraf of in afwisseling met de verschillende delen van de fasil kunnen ritmisch vrije melodische improvisaties worden gespeeld, taksim, die enerzijds bedoeld zijn om de betreffende makam te presenteren en te benadrukken, anderzijds om de solist de gelegenheid te geven zijn muzikale en technische kunnen te demonstreren.

1.1 Geschiedenis

De ontwikkeling van de Turkse klassieke muziek vond voornamelijk plaats in de soefi-kloosters, maar ook aan de Ottomaanse (Turkse) hoven waren musici in dienst die belangrijke bijdragen hebben geleverd, vooral onder sultan Veled (1226–1312), sultan Süleyman (1520–1566) en sultan Selim III (1760–1808). De janitsaren, de keurtroepen van de sultan, hadden hun eigen muziek die gespeeld werd bij parades en die het leger op veldtochten begeleidde. Deze ‘janitsarenmuziek’ werd gespeeld door een orkest dat bestond uit een gelijk aantal, tot maximaal negen van elk van de volgende instrumenten: davul (trommel) en zurna (hobo), die beide ook in de volksmuziek gebruikt worden, de boru (trompet), nakkare, zil (bekkens) en çagana (schellenboom). Het orkest werd gecompleteerd met twee grote trommels, kös. De marsmuziek van de janitsaren werd in West-Europa abusievelijk aangezien voor ‘de Turkse muziek’, en had enige invloed op de 18de-eeuwse westerse klassieke muziek.