Zoekweergave Schumann, Robert

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Schumann, Robert
Introductie

Schumann, Robert (voornamen voluit: Robert Alexander) (Zwickau 8 juni 1810 – Endenich, bij Bonn, 29 juli 1856), Duits componist, een van de belangrijkste componisten van de 19de eeuw.

1. Leven

Schumann was een zoon van een liberaal denkend uitgever, ontving op zevenjarige leeftijd zijn eerste muziekonderricht van de organist Johann Kuntsch. Na de dood van zijn vader (1826) ging hij op aandrang van zijn voogd rechten studeren, eerst in Leipzig, daarna in Heidelberg. Daarnaast studeerde hij piano bij de bekende pedagoog Friedrich Wieck. Hij hield zich intensief bezig met literatuur en muziek, verwaarloosde allengs zijn rechtenstudie en staakte deze in 1830; een optreden van Paganini in Frankfurt gaf daartoe de doorslag. Schumann wierp zich vervolgens met grote eigenzinnigheid op zijn pianostudie, wat leidde tot een breuk met zijn leermeester Wieck. Hij ontwierp een eigen oefenmethode voor het pianospel, waarbij hij o.a. gebruik maakte van een instrumentje ter verhoging van de elasticiteit van de vingers; overdreven toepassing hiervan verlamde tijdelijk zijn rechterhand en liet blijvende sporen na. Van toen af legde hij zich geheel toe op zijn compositorische studie, onder leiding van zijn leraar muziektheorie Heinrich Dorn. Zijn opus 1, de Abeggvariaties voor piano, was reeds in 1830 verschenen. Aanvankelijk echter maakte de literair begaafde Schumann vooral naam als scherp en oordeelkundig muziekcriticus. Als zodanig presenteerde hij zich in de Allgemeine Musikalische Zeitung met de beroemd geworden bespreking van Chopins opus 2 ( ‘Hoed af, mijne heren, een genie’). In 1834 richtte hij de Neue Zeitschrift für Musik op, met het doel ‘een nieuwe poëtische tijd’ voor te bereiden. In dit blad, waarvan hij tot 1844 hoofdredacteur bleef, bestreed hij met zijn medewerkers de slappe kritiek van die dagen en brak hij een lans voor vele jonge kunstenaars.

In 1838 bezocht Schumann in Wenen de broer van Franz Schubert en deed daar de opzienbarende ontdekking van Schuberts grote symfonie in C. In 1840 verleende de universiteit van Jena hem wegens zijn verdiensten op het terrein van cultuurpolitiek en muziekkritiek een eredoctoraat. In hetzelfde jaar trouwde hij, na heftige tegenstand van Wieck, diens dochter Clara, toen reeds een beroemd pianiste; uit het huwelijk zouden negen kinderen worden geboren (zie ook Clara Josephine Schumann). Eveneens in 1840 ontstonden de belangrijkste liederencyclussen van Schumann, die tot dan vrijwel uitsluitend voor piano had gecomponeerd, en in 1841 begon hij zich serieus toe te leggen op het symfonische genre. In het daaropvolgende jaar ontstonden de strijkkwartetten en het pianokwintet en maakten Robert en Clara hun eerste gemeenschappelijke concertreis, door Noord-Duitsland. In 1843 voltooide hij het oratorium Das Paradies und die Peri en werd hij leraar aan het conservatorium in Leipzig. In 1844 maakte het echtpaar een concertreis naar Rusland, waar Clara triomfen vierde, en verhuisden zij van Leipzig naar Dresden. In deze tijd zette Robert ook de eerste stappen op zijn dirigentenloopbaan. Na een aantal teleurstellingen werd hij in 1850 stedelijk Musikdirektor te Düsseldorf en dirigent van de Allgemeine Musikverein aldaar. Symptomen van een geestesziekte, die hem al in Dresden parten had gespeeld, leidden tot een reeks conflicten en uiteindelijk tot zijn ontslag in 1853. Hij begeleidde zijn vrouw nog op een concertreis naar Nederland, waar beiden – maar vooral Clara – een warm onthaal vonden, maar kort daarop verergerde zijn depressie dusdanig dat hij op 4 maart 1854, enkele dagen na een verdrinkingspoging, op eigen verzoek werd opgenomen in een kliniek in Endenich, bij Bonn, waar hij twee jaar later overleed. Hij werd begraven in Bonn. In 1910 werd in Zwickau een Schumann-Gesellschaft opgericht, in 1956 te Frankfurt a.M. een onderafdeling hiervan. Zijn geboortehuis is thans museum.

2. Betekenis

Schumann geldt als de grootste Duitse romanticus van zijn tijd. De typische Schumann-stijl komt vooral in zijn pianocomposities tot uiting, in het bijzonder in de lyrische karakterstukken. Deze stijl onderscheidt zich van zijn voorbeelden (Beethoven, Schubert, Weber, Mendelssohn, Chopin) door de poëtische sfeer, de grote soepelheid en de fantasievolle vrijheid in vorm, harmonie en melodie. Zijn liederen vormen het hoogtepunt van de Duitse liedkunst tussen Schubert en Wolf door zijn meesterlijke beheersing van alle muzikale, literaire en zangtechnische factoren en van het – benadrukte – declamatorische element, alsmede door hun grote verfijning tot in alle details. Zijn liedtechniek werkte door in zijn oratorium en zijn opera Genoveva (eerste uitvoering 1850) en drukte daarop een eigen stempel. Hoewel Schumanns instrumentatiekennis leemten vertoonde, getuigen zijn symfonische werken vaak van orkestrale vindingrijkheid. Na 1844 maakte Schumanns stijl een opvallende versobering door, die door de musicologie aanvankelijk werd uitgelegd als een regressie in compositorisch vermogen. Mede daardoor zijn Schumanns late werken beduidend minder uitgevoerd dan zijn vroege werken. In de recente wetenschappelijke literatuur is echter een opleving van de belangstelling en een toenemende waardering voor Schumanns late oeuvre waarneembaar. Zijn volledige werk werd uitgegeven door Clara Schumann (31 dln., 1879–1893) in samenwerking met Brahms.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: 4 symf. (1841; 1845–1846; 1850; 1841, 2de versie 1851); Ouverture, Scherzo und Finale (1841, 2de versie 1845); ouverture bij Schillers Braut von Messina (1850–1851), Shakespeares Julius Caesar (1851), Goethes Hermann und Dorothea (1851), Festouverture (1853). – Orkest en solo-instr.: pianoconc. (1841–1845); Konzertstück (1849; v. 4 hoorns en ork.); Introduction und Allegro appasionato (1849; v. piano en ork.); celloconc. (1850); Konzert-Allegro mit Introduction (1853; piano en ork.); Phantasie (1853; v. viool en ork.); vioolconc. (1853; nagelaten). – Kamermuz.: pianokwintet (1842); 3 strijkkwartetten (alle 1842); pianokwartet (1842); 3 pianotrio's (1847; 1847; 1851); Phantasiestücke (1842; v. piano, viool en cello); wrk. v. 1 instr. en piano. – Pianomuz.: Papillons (1829–1832); Albumblätter (1832–1854); Impromptus über ein Thema von Clara Wieck (1832); 5 Intermezzi (1832); 3 sonates (1833–1835; 1835–1836; 1833–1838); 12 symf. etudes (1834); Carnaval (1834–1835); Phantasie (1836); Bunte Blätter (1836–1849); Davidsbündlertänze (1837); Phantasiestücke (1837); Kinderszenen (1838); Kreisleriana (1838); Noveletten (1838); Vier Klavierstücke (1838–1839); Nachtstücke (1839); Drei Romanzen (1839); Bilder aus dem Osten (1839); Humoreske (1839); Faschingsschwank aus Wien (1839); Adante und Var. (1843; v. 2 piano's); Sechs Fugen über den Namen Bach (1845; ook v. orgel); Album für die Jugend (1848); Waldszenen (1848- 1849); Vier Märsche (1849); Drei Phantasiestücke (1851); Ballszenen (1851); Gesänge der Frühe (1853); 3 Klaviersonaten für die Jugend (alle 1853). – Vocale muziek: Liederkreis (1840; Heine); Myrthen (1840; Goethe, Rückert e.a.); Liederkreis (1840; Eichendorff); Zwölf Gedichte (1840; Kerner); Zwölf Gedichte aus Rückerts Liebesfrühling (1840); Frauenliebe- und -leben (1840; Chamisso); Dichterliebe (1840; Heine); Romanzen und Balladen (3 dln., 1840; Eichendorff, Heine e.a.); Lieder und Gesänge (4 dln., 1840–1850); Romanzen und Balladen, IV (1841–1847; Mörike en Heine); Szenen aus Goethes Faust (1844–1853); toneelmuz. bij Manfred (1848–1851; Byron); Liederalbum für die Jugend (1849; Fallersleben, Uhland e.a.); Der Rose Pilgerfahrt (1851; v. een zangstem en piano); voorts: duetten, trio's en kwartetten, koormuziek met orkest, missen. – Geschriften: Gesammelte Schriften über Musik und Musiker (4 dln., 1854; 2 dln., 51914, d. M. Kreisig; herdr. 1969).

UITG: Aus R. Schumanns Briefen und Schriften, R. Münnich (1956); The musical world of R. Schumann. A selection from his own writings, d. H. Pleasants (1965); Tagebücher, d. G. Eismann (3 dln., 1971 vv.); Die Haushaltbücher, d. G. Nauhaus (2 dln., 1980); Clara und Robert Schumann, Briefwechsel. Kritische Gesamtausgabe, d. E. Weissweiler (1984 vv.).