| Hongaarse muziek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Volksmuziek |
De pioniers van het onderzoek van de Hongaarse volksmuziek, Zoltán Kodály en Béla Bartók, begonnen hun werkzaamheden in 1905–1906. Het zoeken naar een muzikale Hongaarse identiteit ontstond onder de druk van het Duits-Oostenrijkse muziekleven en resulteerde aanvankelijk in het accepteren van wat in die beginjaren nog bekend stond als de 'Hongaarse stijl', wat echter niets anders was dan de geürbaniseerde beroepsamusementsmuziek, de vulgair-muzikale taal van de csárdás. Bartók en Kodály keerden zich hiervan spoedig af; zij verzamelden duizenden volksmelodieën, ordenden en publiceerden dit materiaal en legden zo de basis voor de kennis van de Hongaarse volksmuziek.
Na de Tweede Wereldoorlog begon de Hongaarse Academie van Wetenschappen (Boedapest) zich met dit werk actief te bemoeien. Er kwam een voorbeeldig volksmuziekarchief te Boedapest (gebaseerd op het door Bartók en Kodály bijeengebrachte materiaal), dat zich o.m. bezighoudt met het wetenschappelijk uitgeven van het verzamelde materiaal in de monumentale serie Corpus Musicae Popularis Hungaricae (1951 vv.).
Bij een zo grote hoeveelheid bronnenmateriaal is het grootste probleem de classificatie, de indeling in soorten, op muziektechnische gronden. Algemeen verbreid is die van Bartók/Kodály zelf, welke de volgende hoofdcategorieën onderscheidt:
1. Oude Stijl, ca. 300 melodieën die hypothetisch het oudste historische stratum vertegenwoordigen. De hoofdkenmerken zijn: a. pentatoniek, die niet altijd anhemitonisch is; b. onregelmatig-strofische structuur, nl. het tweede deel van de muzikale strofe (zin) is een herhaling van het eerste in de onderkwint; c. isometrische strofenbouw (vierregelige liederen); d. parlando-ritme, zelden in tempo giusto; e. rijke ornamentiek in de vorm van melismen.
2. Nieuwe Stijl, ca. 3500 melodieën van een type dat plotseling opdook in het midden van de 19de eeuw (daarvóór sporadisch aantoonbaar) en sindsdien de Hongaarse volksmuziek algemeen domineerde. De liederen in deze stijl hebben zich organisch uit de Oude Stijl ontwikkeld, zijn binnengedrongen in de volksdansmuziek en later ook in de amusementsmuziek. Hoofdkenmerken: a. even vaak diatonisch als pentatonisch; b. streng-architectonische structuurschema's (de strofen beginnen en eindigen met hetzelfde motief of met dezelfde melodie, en hebben een contrasterend middendeel dat niet zelden in een kwintverhouding tot begin en slot staat), waarvan Bartók vier groepen heeft kunnen vaststellen, in hypothetisch-historische volgorde: AA5BA; AA5A5A; AABA; ABBA; c. overwegend in tempo giusto; d. geen ornamentiek. Buiten deze twee hoofdcategorieën vallen enkele groepen gebruiksliederen, zoals de zeer archaïsche klaagzangen, de kinderliedjes en de gezongen nieuwjaarsgroeten.
Het valt enigszins te verwonderen dat er weinig wetenschappelijke aandacht werd geschonken aan de instrumentale volksmuziek. Het pedál-cimbalom (zie cimbaal), een 19de-eeuwse uitvinding, werd het alles-overwoekerende volksmuziekinstrument, maar daarnaast bleven zich nog wel hier en daar boereninstrumenten handhaven: draailier, doedelzak, fluit, luit. Een zeer groot aantal volksmuziekinstrumenten is museumstuk geworden. Zie ook zigeuners: § muziek.