kostuum
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
kostuum
Introductie

kostuum (via Frans van het Ital. costume, van Latijn consuetudo = gewoonte), in zijn oorspronkelijke betekenis de term voor datgene wat eigen is aan alle volken onder bepaalde omstandigheden en in een bepaald tijdperk (zie ook costume); in het algemene spraakgebruik de aanduiding van het geheel van alle kledingstukken die in de geschiedenis van deze volken zijn gedragen. Hierin zijn te onderscheiden geestelijke (religieuze), militaire, burgerlijke, officiële kostuums, kostuums met een bepaalde functie (bijv. toneelkostuum) en ook de regionale drachten van de diverse landen (zie klederdracht).

Het kostuum geeft van de verschillen in de menselijke samenleving, met name die tussen aanzienlijk en niet-aanzienlijk, een concreet beeld en is daarom een belangrijk aspect van bestudering in de culturele antropologie en de cultuurgeschiedenis. In het algemeen vertoont het kostuum grondvormen die eeuwenlang ongewijzigd zijn aangehouden. Een uitzondering vormt, vooral sinds de middeleeuwen, West-Europa; hier is soms reeds in enkele tientallen jaren het gehele kostuum gewijzigd.

Een derde, gangbare betekenis van het woord kostuum is de kleding van een enkel persoon.

1. Oudheid
1.1 Egypte

In Egypte was linnen de gebruikelijke stof voor kleding. Wol werd weinig gebruikt. De kleding van de mannen bestond oorspronkelijk alleen uit een heupschort (sjenti) met aan de voorzijde een afhangende rechthoekige slip. Bij de lagere standen blijkt dit stuk tot in het Nieuwe Rijk (1550–1070 v.C.) vrijwel onveranderd in gebruik te zijn gebleven, terwijl in die periode voor hoger geplaatsten een lang, hemdachtig gewaad van fijngeplooide dunne stof in zwang kwam, met vaak halflange, wijde mouwen en om het middel gegord. Aan de voorzijde hing van de gordel een rechthoekige, rijk versierde lap af. De mannen schoren hun hoofdhaar en baard; de aanzienlijken droegen een pruik. De vrouwen droegen in het Oude Rijk (2575–2134 v.C.) een zeer nauwsluitend wit gewaad met schouderbanden, dat in het Nieuwe Rijk eveneens tot een wijd plooiend gewaad van dunne stof werd, sterk gelijkend op dat van de mannen.

1.2 Mesopotamië

Het kostuum in Mesopotamië werd gekenmerkt door de zwaarte van de rijk versierde stoffen, waarvan de randen van franje waren voorzien. Uit dergelijk materiaal waren de lange, aan de achterzijde geplooide heuprokken vervaardigd, in de vroegste tijden door de mannen gedragen. Ook draperingen over één schouder kwamen al vrij vroeg voor. In Assyrië waren deze draperingen vrijwel regel. De onbedekte schouder vertoonde het onderkleed, meest een halflange tuniek met nauwe korte mouwen. Krijgslieden droegen dergelijke tunieken zonder overkleed. De vrouwen droegen lange gewaden, de onderrand met franje omzoomd, met halflange mouwen. Daaroverheen werd wel een mantel gedragen. Lagere en hogere mutsen (tiara's) waren voor mannen gebruikelijk.

1.3 Perzië

Karakteristiek voor het kostuum van de oude Perzen is de lange nauwsluitende broek, die in combinatie met een korte tuniek gedragen werd. Later kwamen ook lange, wijdgeplooide gewaden in zwang, steeds naar het schijnt van soepeler stof dan die van de Assyriërs.

1.4 Myceners

Tijdens de Myceense cultuur wekt, althans volgens de afbeeldingen, de kledij de indruk of voor het eerst het lichaam ingeregen werd, zowel bij vrouwen als bij mannen. De mannen droegen niet veel meer dan een kort, nauwsluitend broekje, de vrouwen gladde, geregen, nauwsluitende lijfjes met halflange mouwen, die de borst geheel onbedekt lieten. Klokrokken met vele veelkleurige stroken bezet, misschien ook broeken in dezelfde vorm, hingen neer tot op de grond. Hoge, puntige hoofdbedekkingen kwamen voor.

1.6 Grieken

In de latere Griekse klederdrachten ziet men de draperingen weer terug, nu echter met zeer soepele stoffen. Jongelingen en militairen droegen vaak slechts als enig kledingstuk een chlamys. In combinatie daarmee werd soms een breedgerande reishoed (petasos) gedragen. Slechts in latere tijd (4de tot 3de eeuw v.C.) droegen de vrouwen hoeden, gelijkend op omgekeerde, korte trechters.

1.7 Romeinen

De klederdracht van de Romeinen komt voort uit die van de Grieken: over de tunica droegen de mannen de toga. De vrouwenkleding bestond uit een ondertunica, waaroverheen de stola gedragen werd. Het geheel werd bedekt door een gedrapeerde mantel (palla). Sandalen en halfhoge schoenen voltooiden de kledij. Hoofdbedekking kwam nauwelijks voor.

1.8 Byzantijnen

De kleding in het Byzantijnse Rijk vertoonde sterke invloed uit het oosten, niet in het minst door de motieven in de rijke weefsels, terwijl toevoeging van edelstenen ertoe bijdroeg een stijve, statige kledij te doen ontstaan. Het kostuum bestond in hoofdzaak uit een lange tunica met lange mouwen, waaroverheen een lange schoudermantel gedragen werd, waarop aan voor- en achterzijde, ongeveer op halve hoogte, een groot vierkant stuk was genaaid, dat rijk geborduurd of met edelstenen versierd was. Later werd de Byzantijnse dracht nog stijver, met een brede, zwaar geborduurde en met stenen bezette strook om de schouders, waarvan de uiteinden afhingen.