Zoekweergave kostuum

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

kostuum
Introductie

kostuum (via Frans van het Ital. costume, van Latijn consuetudo = gewoonte), in zijn oorspronkelijke betekenis de term voor datgene wat eigen is aan alle volken onder bepaalde omstandigheden en in een bepaald tijdperk (zie ook costume); in het algemene spraakgebruik de aanduiding van het geheel van alle kledingstukken die in de geschiedenis van deze volken zijn gedragen. Hierin zijn te onderscheiden geestelijke (religieuze), militaire, burgerlijke, officiële kostuums, kostuums met een bepaalde functie (bijv. toneelkostuum) en ook de regionale drachten van de diverse landen (zie klederdracht).

Het kostuum geeft van de verschillen in de menselijke samenleving, met name die tussen aanzienlijk en niet-aanzienlijk, een concreet beeld en is daarom een belangrijk aspect van bestudering in de culturele antropologie en de cultuurgeschiedenis. In het algemeen vertoont het kostuum grondvormen die eeuwenlang ongewijzigd zijn aangehouden. Een uitzondering vormt, vooral sinds de middeleeuwen, West-Europa; hier is soms reeds in enkele tientallen jaren het gehele kostuum gewijzigd.

Een derde, gangbare betekenis van het woord kostuum is de kleding van een enkel persoon.

1. Oudheid
1.1 Egypte

In Egypte was linnen de gebruikelijke stof voor kleding. Wol werd weinig gebruikt. De kleding van de mannen bestond oorspronkelijk alleen uit een heupschort (sjenti) met aan de voorzijde een afhangende rechthoekige slip. Bij de lagere standen blijkt dit stuk tot in het Nieuwe Rijk (1550–1070 v.C.) vrijwel onveranderd in gebruik te zijn gebleven, terwijl in die periode voor hoger geplaatsten een lang, hemdachtig gewaad van fijngeplooide dunne stof in zwang kwam, met vaak halflange, wijde mouwen en om het middel gegord. Aan de voorzijde hing van de gordel een rechthoekige, rijk versierde lap af. De mannen schoren hun hoofdhaar en baard; de aanzienlijken droegen een pruik. De vrouwen droegen in het Oude Rijk (2575–2134 v.C.) een zeer nauwsluitend wit gewaad met schouderbanden, dat in het Nieuwe Rijk eveneens tot een wijd plooiend gewaad van dunne stof werd, sterk gelijkend op dat van de mannen.

1.2 Mesopotamië

Het kostuum in Mesopotamië werd gekenmerkt door de zwaarte van de rijk versierde stoffen, waarvan de randen van franje waren voorzien. Uit dergelijk materiaal waren de lange, aan de achterzijde geplooide heuprokken vervaardigd, in de vroegste tijden door de mannen gedragen. Ook draperingen over één schouder kwamen al vrij vroeg voor. In Assyrië waren deze draperingen vrijwel regel. De onbedekte schouder vertoonde het onderkleed, meest een halflange tuniek met nauwe korte mouwen. Krijgslieden droegen dergelijke tunieken zonder overkleed. De vrouwen droegen lange gewaden, de onderrand met franje omzoomd, met halflange mouwen. Daaroverheen werd wel een mantel gedragen. Lagere en hogere mutsen (tiara's) waren voor mannen gebruikelijk.

1.3 Perzië

Karakteristiek voor het kostuum van de oude Perzen is de lange nauwsluitende broek, die in combinatie met een korte tuniek gedragen werd. Later kwamen ook lange, wijdgeplooide gewaden in zwang, steeds naar het schijnt van soepeler stof dan die van de Assyriërs.

1.4 Myceners

Tijdens de Myceense cultuur wekt, althans volgens de afbeeldingen, de kledij de indruk of voor het eerst het lichaam ingeregen werd, zowel bij vrouwen als bij mannen. De mannen droegen niet veel meer dan een kort, nauwsluitend broekje, de vrouwen gladde, geregen, nauwsluitende lijfjes met halflange mouwen, die de borst geheel onbedekt lieten. Klokrokken met vele veelkleurige stroken bezet, misschien ook broeken in dezelfde vorm, hingen neer tot op de grond. Hoge, puntige hoofdbedekkingen kwamen voor.

1.6 Grieken

In de latere Griekse klederdrachten ziet men de draperingen weer terug, nu echter met zeer soepele stoffen. Jongelingen en militairen droegen vaak slechts als enig kledingstuk een chlamys. In combinatie daarmee werd soms een breedgerande reishoed (petasos) gedragen. Slechts in latere tijd (4de tot 3de eeuw v.C.) droegen de vrouwen hoeden, gelijkend op omgekeerde, korte trechters.

1.7 Romeinen

De klederdracht van de Romeinen komt voort uit die van de Grieken: over de tunica droegen de mannen de toga. De vrouwenkleding bestond uit een ondertunica, waaroverheen de stola gedragen werd. Het geheel werd bedekt door een gedrapeerde mantel (palla). Sandalen en halfhoge schoenen voltooiden de kledij. Hoofdbedekking kwam nauwelijks voor.

1.8 Byzantijnen

De kleding in het Byzantijnse Rijk vertoonde sterke invloed uit het oosten, niet in het minst door de motieven in de rijke weefsels, terwijl toevoeging van edelstenen ertoe bijdroeg een stijve, statige kledij te doen ontstaan. Het kostuum bestond in hoofdzaak uit een lange tunica met lange mouwen, waaroverheen een lange schoudermantel gedragen werd, waarop aan voor- en achterzijde, ongeveer op halve hoogte, een groot vierkant stuk was genaaid, dat rijk geborduurd of met edelstenen versierd was. Later werd de Byzantijnse dracht nog stijver, met een brede, zwaar geborduurde en met stenen bezette strook om de schouders, waarvan de uiteinden afhingen.

2. Germanen

De Germanen hadden als voornaamste kledingstuk een tunica met lange of korte mouwen en een lange broek; deze laatste werd ook wel door vrouwen gedragen. Een mantel van wol of uit dierenhuid vervaardigd diende ter beschutting, terwijl vaak beenwindsels over de broekspijpen benevens sandalen de kledij voltooiden.

3. Middeleeuwen

Het vroeg-christelijke kostuum vertoont oosterse invloed op Romeinse grondvormen, maar was vrij eenvoudig. De lange witlinnen tunica's, doorgaans met halflange of lange mouwen, waren voorzien van opgenaaide versieringen van gobelinweefsels. Tot aan de 12de eeuw is in Europa de tunica met mouwen de gebruikelijke dracht gebleven voor mannen en vrouwen. De mantel daaroverheen was op een van de schouders vastgehecht. In de 12de eeuw ontstonden varianten, vooral in het vrouwenkostuum. Dit werd om het bovenlichaam nauwsluitend gemaakt, terwijl de mouwen soms een fantastische wijdte kregen. In de 13de eeuw droegen de mannen, althans uit de hogere standen, steeds lange tunieken. Eerst in de tweede helft van de 14de eeuw werd met de laatste overblijfselen van de antieke traditie radicaal gebroken. Toen ook begon de sterker individuele onderscheiding door snit en kleur. De gestalte kreeg gotische slankheid, die voor de mannen werd verkregen door korte, zéér nauw sluitende jakjes, die de indruk wekten dat het lichaam ter hoogte van het middel ingeregen en daarboven rond gewatteerd werd. Onderaan bevond zich een brede gordel, die dus laag om de heupen lag. De hoge, nauwsluitende kraag werd soms omgeven met een schouderkap, waaraan een kaproen Ook de kledij van de vrouwen was nauwsluitend om het bovenlichaam. Typisch was daarbij een mouwloos overkleed, nu met zeer wijde armsgaten, dat op borst en rug met bont was bezet.

Omstreeks 1400 werd de lijfrok van de mannen wat langer en in stijve, verticale, geconfectioneerde plooien gelegd, terwijl alle randen en slippen zaagvormig werden uitgehakkeld. Hetzelfde vertoonden de gewaden van de vrouwen die, hoog gegord, uiterst slank om het bovenlijf, lang en slepend werden met lange hangmouwen. Naast het haarnet ontstonden hoofddoeken in allerlei vorm, met twee uitsteeksels naast en boven het hoofd. Allerlei extravaganties in kleur en versiering (gordels en banden met bellen e.d.) werden aan de kleding toegevoegd. Omstreeks 1440 werden de lijfrokken van de mannen zeer kort (tot even over de heupen) en voorzien van wijde pofmouwen (mahoître), breed aan de schouders en aansluitend om de polsen. Tegenover de dunne benen met de zeer lange, puntige schoenen (poulaine of tootschoen genoemd) ontstond nu een wonderlijk contrast, geaccentueerd door de hoge smalle muts of de kaproen. De lange sleep- of hangmouwen van de vrouwen begonnen tegen het midden van de 15de eeuw plaats te maken voor lange nauwe mouwen. In de jaren zeventig kwam ook de atour met sluier in zwang.

4. 16de eeuw

In de kledij ging zich een neiging tot groter breedte voordoen. Bij mannen en vrouwen werd de hals vierkant en zeer breed uitgesneden. Een korte tabbaard met brede kraag en wijde pofmouwen (in Duitsland Schaube genoemd) gaf de mannen een massaal voorkomen. De platte baret, de brede, korte baard en vooral de breedgeneusde schoenen (koemuilen) droegen niet weinig tot deze indruk bij. De vrouwenkleding vertoonde een neiging tot het massale. Kenmerkend waren vooral wijde, met bont gevoerde overmouwen, die halverwege werden teruggeslagen tot de elleboog. Een witte kap met slippen op de rug of voor de schouders (ontstaan uit een hoofddoek) ontbrak in de Nederlanden nimmer. In Frankrijk was de kap zwart, in Italië ontbrak zij en in Duitsland vindt men soms een sterker overeenkomst met de klederdracht van de mannen.

Omstreeks midden 16de eeuw deed de Spaanse mode haar intrede en daarmee een nieuwe, stijve inhulling van het figuur. Het wambuis werd nauwsluitend, soms in de gewenste vorm gewatteerd, en met baleinen in de vorm gehouden. Daaronder begon men korte, stijf met paardenhaar opgevulde, ballonvormige broekjes te dragen. Om de hals werd de ruche van de hemdrand tot een stijfgeplooid kraagje, uitkomend boven de zeer hoge kraag van het wambuis. Kleine toques met een enkele veer werden op het hoofd gedragen. Een manteltje dekte in stijve plooien de rug. Een zelfde neiging het lichaam te ompantseren vertoonde het vrouwenkostuum. Dezelfde kragen, een stijfgeregen, puntig lijfje met aan de schouders hoog opgestopte mouwen, een wijd uitstaande rok gesteund door een vertugadin of fardegalijn (onderrok met baleinen). Buiten Spanje werd deze mode op allerlei manieren gewijzigd. Zo werd aan het verwekelijkte hof van Hendrik III van Frankrijk voor het eerst bij de mannen het wambuis van een spits toelopende, met paardenhaar opgevulde punt voorzien. De rok van de vrouwen werd wijd en omvangrijk, rondom door een heupkussen gesteund. In Nederland en Duitsland trachtte men de Spaanse vormen te matigen. Pofbroeken e.d. bleven vaak in gebruik. Vooral ca. 1580 werd de kleding losser (wijdere mouwen, lossere, brede kraag, iets later ook breedgerande hoeden), hoewel de opgestopte puntbuik (Duits: Gänsebauch) soms zelfs in overdreven vorm werd toegepast. Karakteristiek voor de dracht van de Nederlandse vrouwen werd de vlieger.

5. 17de eeuw

Het onderscheid tussen het modieuze en het deftige, conservatieve kostuum (de zgn. regentenkleding) is sedert eind 16de eeuw steeds sterker geworden en bleef gedurende het grootste deel van de 17de eeuw bestaan. De kleur van het laatstbedoelde kostuum was uitsluitend zwart. Tot 1630 was voor de mannenkleding karakteristiek het al of niet puntige wambuis met pofbroek tot de knie en de breedgerande slappe vilthoed. Om de hals droeg men een grote plooikraag of een stijf uitstaande platte kraag, beide al of niet met kant omzoomd. Omstreeks 1620 begon men ook een mantel óm te draperen. De vrouwen hadden molensteenkragen of waaierkragen, een nauw geregen lijfje en vaak een rondom opgenomen overrok, soms nog door heupkussens gesteund. Naast deze typisch Hollandse dracht bleef ook in Nederland de internationale mode, die vooral het Franse hof navolgde, gehandhaafd, altijd bij het hof en dikwijls bij de welgestelde burgerij. Ook daar werd de kleurigheid van alle onderdelen langzamerhand gematigd. Omstreeks 1630 werd de gehele gestalte in één kleur gekleed. Ook de vorm veranderde. De mannen kregen een liggende kraag, rechte broekspijpen en de gordel werd nog slechts aangeduid door een rij rozetten. Bij de vrouwen ontstond zelfs een zekere vormloosheid door een lang overkleed, terwijl de overgang van de schouders naar de armen geheel onzichtbaar gemaakt werd door een brede kraag en wijde pofmouwen. In het regentenkostuum van de vrouwen speelde vooral de vlieger een grote rol. Het midden van de eeuw bracht vooral voor de vrouwen grotere slankheid. In de mannenkleding was het wambuis kort geworden en toonde daaronder rondom een stuk van het hemd. De broekspijpen werden wijd. Deze zgn. rhingrave groeide ca. 1660, naar het in sommige gevallen schijnt, aaneen tot een rokje, met versiering van bossen linten aan gordel en zoom. Het fantastische, massale en beweeglijke van de barokstijl werd meer en meer kenbaar in het kostuum, vooral ook in de grote allongepruik. Onder invloed van de oorlogen van Lodewijk XIV kreeg de kleding op het einde van de eeuw een militair karakter: een jas tot de knieën, voorvader van het moderne colbert. De jabot deed zijn intrede. Het kenmerk van de vrouwenkleding is statigheid, bereikt door de fontange en de lange sleep van de aan weerskanten gedrapeerde overrok onder het lange, puntige lijfje.

6. 18de eeuw

Bij de mannen ging tegen 1700 de schoot van het justaucorps klokvormig uitstaan, terwijl het zeer lange vest meer zichtbaar werd. Eerst langzamerhand werd ook dit korter gemaakt. Een korte, nauwe kniebroek was daaronder te zien. De pruik werd nu doorgaans gepoederd, terwijl na 1725 de staartpruik ontstond. Kanten lubben, oorspronkelijk bevestigd aan het hemd, versierden borst en polsen, terwijl een driekante steek en lage schoenen met gespen het geheel voltooiden. Het zwaarwichtige karakter van het barokkostuum was met deze kledij, en niet het minst door het pruikje, lichter en speelser geworden, gelijk ook de hele versieringsstijl. Ook werden lichtere stoffen gekozen. Uit het vrouwenkostuum verdween de statige hoogheid, toen in 1715 een laag, klein kapsel mode werd. De rok werd eerst rondom, sedert ca. 1725 vooral aan de zijkanten breed uitgespannen (panier) en des te slanker leek het zeer sterk ingesnoerde bovenlijf. Ook een negligé-dracht maakte opgang. Per omstreeks 1770 ontstond een enigszins ingrijpende wijziging, doordat bij de mannen de jas steeds gladder werd en bij de vrouwen de kapsels hoger begonnen te worden. Na 1785 begon het kapsel lager en vooral rond te worden. Geheel in overeenstemming met de geest van de tijd kreeg het kostuum een burgerlijker en natuurlijker voorkomen, vooral bij de kledij van de vrouwen: hooggeplooide borstdoeken, betrekkelijk gladde, enigszins naar achteren gedrapeerde, soms voetvrije rokken, grote mutsen op het hoofd.

7. 19de eeuw

Na enige excessen tijdens het Directoire ontstond een nieuwe stilering onder Napoleon (zie empire [toegepaste kunst]) waarin vooral de invloed van de klassieke oudheid duidelijk was. De belangrijkste vormveranderingen vertoonden sindsdien de drachten van de vrouwen, waarvan meestal de stilering op een afstand en meer gematigd door de mannenkleding gevolgd werd (zie ook biedermeier). De empirekledij werd reeds tegen 1820 vermengd met allerlei romantische herinneringen uit een nabij verleden, zo bijv. werd de plooikraag weer in ere hersteld. In 1830 waren de mouwen breed uitgegroeid. De schouders leken nu sterk afhangend en hun lijn ging ononderbroken in de mouwen over. Daarbij kwam een rechte wespentaille en voetvrije rok. Een enorme luifelhoed met veren en bloemen dekte het hoofd. Het jaar 1840 bracht een rustpunt in de stilering. Kort daarna begon de crinoline zich aan te kondigen; 1880 bracht als contrast zeer grote slankheid, terwijl 1885 nog eens en zo mogelijk nog onorganischer tournures zag, ditmaal zonder de lange slepen en zonder de zwier van de draperingen van 1870. Na 1890 begonnen de mouwen een rol te spelen: ca. 1895 waren deze tot enorme pofmouwen uitgegroeid, die daarna, ca. 1900, weer geleidelijk verdwenen. Daarbij kwamen de zeer sterk ingeregen wespentailles en wijde klokrokken.

In het midden van deze eeuw ontstond de haute couture. In 1858 opende de Engelse ontwerper Charles Frederick Worth zijn modehuis in de Rue de la Paix in Parijs, waar zijn ontwerpen werden getoond door zijn vrouw, de eerste mannequin (tot dien werd kleding getoond op poppen). Na hem kwamen er tal van modehuizen in Parijs, o.m. van Jacques Doucet (ca. 1870), bekend om de eerste mantelpakken, de gezusters Callot (ca. 1870), Redfern (ca. 1881) en Madame Paquin (1891), die als eerste vrouw een leidend ontwerpster werd.

8. 20ste eeuw

Vanaf het begin van deze eeuw was er een grote wisseling in de vrouwenmode. Aanvankelijk had de vrouwenbeweging invloed met de reformjaponnen (zie reformkleding), die korsetloos gedragen moesten worden, maar na ca. 1909 drukte vooral de Franse ontwerper Paul Poiret zijn stempel op de mode met zijn op de oosterse balletten uit die tijd geïnspireerde toiletten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de rokken korter en wijder, een tendens die zich vooral na 1920 voortzette. Daarbij paste een kortgeknipt kapsel. Simpele functionele kleding werd in de jaren twintig ontworpen door Coco Chanel, die in 1939 haar befaamde Parijse huis sloot, maar het in 1954 heropende en veel succes had met comfortabel zittende pakjes van tweed en jersey, simpel van lijn en perfect van snit. Andere beroemde namen waren in dit decennium Jeanne Lanvin, Lucien Lelong, Sonia Delaunay (stofontwerpen), Jean Patou. Filmsterren beïnvloedden in de jaren dertig de kleding, waarin vooral een romantische tendens duidelijk werd, met langere haren. Overdag werden langere japonnen gedragen en 's avonds avondjurken tot de enkels. Grote namen in Parijs waren in die jaren Madeleine Vionnet, Elsa Schiaparelli, Edward Molyneux, Mainbrocher en Madame Grès.

8.1 1945-1980

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er naast Parijs ook andere modecentra, o.m. Florence, waar de marchese Emilio Pucci van zich deed spreken, en Londen, waar in 1942 de Incorporated Society of London Fashion Designers was opgericht, met als leiders Norman Hartnell en Hardy Amies; in Ierland werd Sybil Connolly bekend met tweed en linnen japonnen. In 1947 lanceerde Christian Dior, gefinancierd door de textielkoning Marcel Boussac, zijn ‘ligne corolle’, beter bekend als ‘New look‘, ontworpen om de vrouw weer elegant te maken na de korte rokken en de vierkante schouderlijn van de oorlogstijd: smalle taillelijn, afgeronde schouders en veel stofgebruik. In diezelfde tijd werkten Cristobal Balenciaga, Jacques Fath (die de vrouwen- en mannenkleding vernieuwde met kokerrokken en coltruien), Pierre Balmain en Hubert Taffin de Givenchy. In de jaren vijftig droegen meisjes wijde rokken, petticoats en paardenstaarten, jongens wijde truien, strakke broeken en vetkuiven. De haute couture werd gaandeweg minder exclusief en de confectie-industrie ging een grotere rol spelen. De jongeren gingen steeds meer het beeld bepalen. Vooral onder hen had de Britse ontwerpster Mary Quant groot succes met de minirok, die zij in 1965 lanceerde. Pierre Cardin combineerde in de haute couture in de jaren zestig de minirok met de maxi-jas. Hij ontwierp voor mannen en voor vrouwen, voor welke laatsten hij lange laarzen bracht. Yves Saint Laurent, die na Marc Bohan het modehuis van Dior had overgenomen, introduceerde, eveneens in de jaren zestig, de lange broek voor de vrouw. Courrèges was in Parijs de ontwerper van ruimtevaartpakken en heupbroeken; hij gebruikte nieuwe materialen voor kleding, zoals plastic en leer. Hippies zetten zich aan het eind van de jaren zestig af tegen de welvaart en zelfvoldaanheid van ouderen; meisjes en jongens gingen spijkerbroeken (blue jeans) dragen, (verschoten) t-shirts en oude kleren. Nostalgie was de tendens in de jaren zeventig, een tendens waar in Groot-Brittannië Laurah Ashley met haar japonnen in Victoriaanse stijl op inspeelde. Bovendien floreerden tweedehands kledingwinkels voor jongeren die ‘grootmoeders’ jurken wilden dragen. Vanaf 1970 kreeg de grote confectiebeurs te Parijs, Le Salon du Prêt-á-Porter, een belangrijke plaats naast de haute couture. De Japanner Takada Kenzo had grote invloed op de confectie door een eenvoudige vormgeving. De verbrede schouderlijn werd aangegeven door de Japanners Issey Miyake en Kansai Yamamoto na het midden van de jaren zeventig.

8.2 1980-2000

Jonge mensen hadden invloed op de mode, zoals de punkers uit Groot-Brittannië, die vanaf ca. 1978 een subcultuur vertegenwoordigen waarin agressie en spot met de gevestigde maatschappij kenbaar worden gemaakt door onconventionele gewild ‘lelijke’ kleding, haardracht en make-up. Ook de disco-kleding, gedeeltelijk teruggaand op de rock 'n roll-mode uit de jaren vijftig, werd eerst door jongeren gedragen. Met de ‘yuppies’ kwam in de jaren tachtig een voorkeur voor een klassiekere kledingwijze. Een vernieuwende ontwerper is de Fransman Jean-Paul Gaultier die, evenals Vivian Westwood uit Groot-Brittannië, punkelementen en humoristische details in de ontwerpen toont. Een vernieuwend kleurgebruik en kitsch zijn te zien in de ontwerpen van Christian Lacroix in Parijs. Sinds de jaren zeventig en tachtig is het aantal nieuwe modebladen zeer groot. De Amerikaanse ontwerper van het vernieuwde spijkerpak, Ralph Lauren, deed van zich spreken; in Groot-Brittannië werd de avantgardistische Katherine Hamnett een van de meest gekopieerde stilisten. In Europa gaf niet alleen meer Parijs het grote voorbeeld. In Duitsland ontwierp Jill Sander draagbare, dure en luxueuze creaties. Uit Oostenrijk kwam de geraffineerde ontwerper Helmut Lang en na de perestrojka (Sovjet-Unie) en de politieke ontspanning tussen Oost en West kreeg de naam van de Russische ontwerper Zaïtsev bekendheid in Europa. Een grote vernieuwer op modegebied, met voorkeur voor Byzantijnse borduursels en romantisch kleur- en stofgebruik, was de Italiaan Romeo Gigli; zijn landgenoot Giacomo Ferré kreeg de leiding over het huis van Dior.

De jaren negentig vormden een periode van alles en niets. Van dressing down en dressing up. Van multicultureel en op en top westers. Van eco en techno. Van androgyn en supermannelijk of supervrouwelijk. Van romantisch en zakelijk. Van straatmode en couture. Het leek wel of alles in die laatste tien jaar van de 20ste eeuw nog eens dunnetjes over werd gedaan, want nog nooit volgden zoveel retrostijlen elkaar zo snel op. Om hun publiek zo goed mogelijk te bereiken, investeerden veel modemerken in omvangrijke, wereldwijde reclamecampagnes. Met name de Amerikaanse merken, als Tommy Hilfiger en Calvin Klein, gaven hierin het voorbeeld.

De jaren negentig waren ook de periode van MTV en internet, waardoor lokale trends zich ineens als een olievlek konden verspreiden over de hele wereld en muzikanten zich ontpopten tot mode-iconen voor de jeugd. Wat Madonna startte in de jaren tachtig, groeide in de jaren negentig uit tot een serieuze ontwikkeling. Internet bracht eind jaren negentig nog een andere ontwikkeling met zich mee, die van de nieuwe yup die met zijn of haar internetbedrijfje aardig wat geld verdiende en dat ook aan de buitenwereld wilde laten zien. Geen wonder dat merken weer belangrijk werden. Er was zelfs een tweede leven weggelegd voor oude labels als Prada en Gucci. Met name Gucci onderging een metamorfose dankzij ontwerper Tom Ford, en werd een echt statusmerk.

Om hun toekomst zeker te stellen voor het nieuwe millennium, lieten veel oude, noodlijdende modehuizen zich overnemen door grote conglomeraties (hoofdrolspelers LVMH en de Gucci Groep), en namen jonge ontwerpers de plaats in van gerespecteerde ontwerpers. John Galliano nam het roer over bij Christian Dior, Alexander McQueen bij Givenchy, Martin Margiela bij Hermès, Marc Jacobs bij Louis Vuitton en Stella McCartney (dochter van ex-Beatle Paul) bij Chloé. Dat nieuwe bloed was ook nodig om de concurrentie van hippe mode-warenhuizen als het Zweedse H&M en het Spaanse Zara het hoofd te kunnen bieden. Zij brachten mode snel en relatief goedkoop op de markt. Toch haalden enkele oude vertrouwde ketens het jaar 2000 niet of moeizaam. Zo verdween Peek & Cloppenburg uit de winkelstraat.

De vrouwenmode van de jaren negentig werd gekenmerkt door tegenstellingen en door heel veel retrostijlen. Het begon met een multi-etnische look in laagjes, lange wijde jurken over smalle broeken, oosterse prints en kruidentinten. Als reactie op de Golfoorlog, begin jaren negentig, kwam er een periode van romantiek, met veel hippie-invloeden, waaronder strokenrokken, ruches en kant. Opvallend is dat onder invloed van de grunge, een tweedehands look in modderkleuren die vooral bij jongeren succes had, het supermodellentijdperk eindigde. Daarvoor in de plaats kwamen broodmagere, jongensachtige modellen, van wie de Britse Kate Moss de bekendste werd. Halverwege de jaren negentig werd het modebeeld luxer, optimistischer, maar ook conservatiever en steeds vaker geïnspireerd op voorgaande decennia, met als hoogtepunt de opleving van een opzichtige glamourstijl eind jaren negentig, met veel bont, goud en opzichtige prints.

De mannenmode onderging ook de nodige veranderingen, maar had minder te lijden van retrotrends. Het kostuum bleef, maar kreeg een gestroomlijnder silhouet, een slankere snit, smallere schouders, strakkere broeken en langere colberts. Vooral de nieuwe materialen uit de sportwereld maakten de mannenmode comfortabeler en lichter. Onder invloed van de internettechneuten werd mannenmode eind jaren negentig ook informeler, geen stropdas, polo-shirts in plaats van overhemden, en nonchalantere combinaties.

Jeans, T-shirt, sportschoenen, een rugzak en een piercing of tatoeage, het uniform van de jeugd bleef in het algemeen hetzelfde, met hier en daar natuurlijk accentverschuivingen. Zorgde de grunge begin jaren negentig voor een slordige tweedehands look, enkele jaren later waren de zgn. nerds trendsetters, de pientere computerfreaks in gladgestreken bloesjes en katoenen broeken. Muziekstromingen als house, R&B en hiphop hielden de mode ook in beweging, evenals extreme sporten als skaten, snowboarden en surfen. Jongeren bleken vooral in staat uit alle trends die hun werden aangeboden, hun eigen stijl te kiezen. Velen ontdekten de charme van authentieke merken, zoals die van Levi's, maar ook van Adidas en Lacoste. Enkele typische jaren negentig kledingstukken waren: naveltruitjes voor meisjes, fleecetruien, baggy jeans, werkmansbroeken van donkerblauwe denim.

De jaren negentig waren zeer succesvol voor de Belgische ontwerpers. De etnische stijl van Dries van Noten en het deconstructivisme van Ann Demeulemeester en Martin Margiela waren zeer actueel. Walter van Beirendonck baarde opzien met zijn kleurrijke, futuristiche WLT-collecties voor jeansfabrikant Mustang. Hij speelde daarmee in op actuele thema's als aids, ecologie, technologie en globalisering. Eind jaren negentig deed een nieuwe generatie Belgische ontwerpers van zich spreken, onder wie Raf Simons, Veronique Branquinho en Olivier Theyskens. Hun rauwe mix van retro, techno en straatmode sprak een heel nieuw publiek aan. Nederland deed voor het eerst internationaal van zich spreken dankzij het succes van het duo Viktor & Rolf. In eerste instantie met hun extreme haute couture-collecties, later met hun prêt-á-porter-collecties. Anderen zwommen in hun kielzog mee, onder wie Aziz Bekkaoui, Saskia van Drimmelen en Niels Klavers. Alexander van Slobbe boekte met zijn herenmodelabel So al eerder het nodige succes; met name in Japan vond zijn sobere stijl gretig aftrek. Het was het begin van de Dutch Wave, die tot in het nieuwe millennium zou aanhouden.