Zoekweergave Nederlandse Scholen

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Nederlandse Scholen

Nederlandse Scholen, verzamelnaam voor de componisten van de 15de en de 16de eeuw toen ‘Nederlandse’ componisten zo toonaangevend waren dat het hele muzikale gebeuren in West-Europa naar hun geografische afkomst werd genoemd. Deze geografische afkomst beperkt zich trouwens tot de oude gebieden Vlaanderen, Henegouwen, Brabant, het bisdom Kamerijk en Picardië. Men kan dus ook spreken van Franco-Vlaamse Scholen. Men groepeert deze componisten in vijf generaties, waarvan de eerste twee ook met de term Bourgondische Scholen worden aangeduid, omdat ze samenvallen met de 15de eeuw, de periode van de culturele uitstraling van het Bourgondische hof. De eerste generatie heeft G. Dufay als prominentste figuur (ca. 1430). De cantus firmus wordt aangewend als bindmiddel in de misfragmenten. De tweede generatie voert Johannes Ockeghem (ca. 1450) in het vaandel; hij was een streng en virtuoos contrapuntist. De derde generatie deint over geheel Europa uit met o.m. J. Obrecht, Josquin des Prez en H. Isaac (ca. 1500) als belangrijkste componisten; de cantus firmus verhuist nu naar andere stemmen dan de tenor; er wordt doorgeïmiteerd. De vierde generatie splitst zich in twee groepen; een groep die in Italië werkt, met A. Willaert te Venetië (ca. 1530), en de dubbelkorigheid toepast. De cantus firmus wordt verlaten en een motet of madrigaal wordt als bindelement gebruikt. Een tweede groep blijft in het rijk van Karel V (Nederlanden, Spanje en Duitsland): Clemens non Papa en Gombert. Zij zijn meesters in het motet. De vijfde generatie sluit de absolute suprematie van deze meerstemmigheid in polyfone vorm af met Lassus en De Monte (ca. 1550). In hun werk worden Nederlandse en Italiaanse invloeden verwerkt, zodat het lineaire contrapunt ook verticaal wordt ervaren. Na 1600 wordt het muziektoneel door de Italiaanse monodie beheerst. In de Nederlanden heeft deze vijfde generatie nog late bloeiers gekend, o.m. in het werk van J.P. Sweelinck. De term Nederlandse School of Scholen is afkomstig van de Duitse musicoloog Kiesewetter (1828).