| Congo [Kinshasa] | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 5. Geschiedenis |
| 5.1 Portugese invloed |
Voor de komst van de Europeanen bevonden zich op het grondgebied van het huidige Congo enige koninkrijken, waarvan die van de Kongo, de Kuba en de Luba de bekendste waren. De monding van de Congorivier werd in 1482 ontdekt door de Portugees Diego Cão, die haar voor zijn land in bezit nam. De Portugezen stelden tot in de 19de eeuw belang in het inheemse koninkrijk Kongo, dat aan de benedenloop van de stroom, merendeels op thans Angolees gebied, was gelegen. Eerst in de 19de eeuw begon de verkenning van het binnenland vanuit de Afrikaanse oostkust en de Boven-Nijl. In 1832 ontdekten de Portugezen Monteiro en Gamitto de Lualaba, in 1857 de Britten Burton en Speke het Tanganyikameer; de streek ten westen daarvan werd in 1866 vv. door Livingstone verkend, terwijl Schweinfurt in 1870 de Uele, en Cameron in 1875 de bovenlopen van de Lomami en de Kasai ontdekten. Beslissend was de tocht van Stanley, die vanaf oktober 1876 de Lualaba afvoer en in augustus 1877 de monding van de Congorivier bereikte.
| 5.2 Eigendom koning Leopold II |
Door de ontdekkingen werd de belangstelling voor het gebied in Europa gewekt, m.n. van de Belgische koning Leopold II, die in de daaropvolgende jaren expedities financierde en uiteindelijk de Onafhankelijke Kongostaat stichtte, die hij als zijn persoonlijk eigendom bestuurde (zie België § 8.10).
| 5.3 Belgische kolonie |
In 1908 werd de Onafhankelijke Kongostaat officieel een kolonie van België: Belgisch Kongo.
In het begin van de Eerste Wereldoorlog openden de Duitsers op beperkte schaal vijandelijkheden. Kongolese troepen namen daarop deel aan de verovering van de Duitse kolonies Kameroen (1915–1916) en Oost-Afrika (1916–1917). De jaren twintig waren een periode van grote vooruitgang van de kolonie. De inheemse bevolking werd door de overheid tot een progressiever landbouw gebracht, terwijl van Belgische zijde de aanleg van plantages voor de cultuur van rubber, katoen, koffie en palmbomen, alsook de mijnbouw sterke impulsen kregen. Een net van spoor- en straatwegen kwam tot stand. De economische crisis van de jaren dertig onderbrak die economische opgang, maar niet het sociale en culturele werk, nl. de opening van ziekenhuizen en scholen, waarvoor van begin af aan de missie en zending zich hadden ingespannen. Een sterke trek naar de steden, vnl. Leopoldstad (thans Kinshasa) en Elisabethstad (thans Lubumbashi), begon zich af te tekenen, die de patriarchale samenhang van de inheemse gemeenschappen van weleer ondermijnde.
Na de capitulatie van het Belgische leger in de Tweede Wereldoorlog (28 mei 1940) bleef Kongo, onder verantwoordelijkheid van gouverneur-generaal Ryckmans en de minister van Koloniën De Vleeschauwer, aan de zijde van de geallieerden, aan wie het o.a. door levering van grondstoffen kostbare steun verleende. Eenheden van het koloniale leger werden ingezet tegen de Italianen in Ethiopië in de lente van 1941. De oorlog had in de kolonie de welvaart aanzienlijk verhoogd, niet alleen onder de blanke bevolking, die door immigratie na 1945 snel toenam, maar ook onder de inheemsen. Bij dezen had dit o.a. tot gevolg dat het schoolbezoek, ook voor voortgezet onderwijs, toenam, hetgeen een kleine intellectuele en maatschappelijke bovenlaag van inlanders deed ontstaan, die een zeker politiek bewustzijn ging ontwikkelen en o.a. onder de indruk van de liberalisatie van de koloniale verhoudingen in Frankrijk op staatkundige medezeggenschap aandrong. Daaraan werd enigszins tegemoet gekomen door een bestuurshervorming, die in 1957 de benoeming van inheemsen in de adviesraden op verschillend niveau mogelijk maakte en verkozen gemeenteraden in de grotere centra instelde. Naar aanleiding daarvan organiseerden zich politieke partijen, die merendeels op stamverwantschap steunden, o.a. de Abako, onder leiding van Joseph Kasavubu en de MNC (Mouvement National Congolais) onder leiding van Patrice Lumumba, die spoedig volledige onafhankelijkheid eisten. Nadat onlusten te Leopoldstad waren uitgebroken op 4 januari 1959, stelde de Belgische regering verkiezingen, successievelijk voor gemeente-, gewestelijke, provinciale en nationale raden in een nabij, en de onafhankelijkheid in een verwijderd vooruitzicht. Maar de situatie verslechterde; een rondetafelconferentie te Brussel (20 januari – 20 februari 1960) willigde vrijwel alle eisen van de Kongolese afgevaardigden in en besloot tot onafhankelijkheid van de Belgisch Kongo per 30 juni 1960, wat door de wetgevende Kamers werd goedgekeurd.
| 5.4 Sinds de onafhankelijkheid |
In mei 1960 werden in Kongo wetgevende verkiezingen gehouden, waarbij de MNC als sterkste partij uit de bus kwam. Na enig touwtrekken tussen Lumumba en Kasavubu werd laatstgenoemde door het parlement tot president verkozen, terwijl Lumumba een regering samenstelde, waarin vertegenwoordigers van de meeste partijen waren opgenomen. De soevereiniteit werd op de voorziene datum overgedragen in aanwezigheid van koning Boudewijn en van vertegenwoordigers van de Belgische regering, bij welke gelegenheid Lumumba het Belgische koloniale bestuur fel hekelde. Toen op 6 juli de legermacht aan het muiten ging, werd de uittocht van de blanken, die reeds sedert 1959 aan de gang was, tot een massale vlucht, waartoe de Belgische regering een luchtbrug inrichtte onder bescherming van ca. 10 000 naar Kongo gezonden soldaten. De Kongolese regering bestempelde dit optreden als een aanslag op de onafhankelijkheid en diende daarvoor bij de Verenigde Naties een klacht in. Deze vervingen de Belgische troepen door een VN-strijdmacht, samengesteld uit contingenten van Afrikaanse en Aziatische landen en van Ierland en Zweden.
| 5.5 Afscheiding Katanga |
Gebruikmakend van de algemene verwarring, riep de minister-president van Katanga, Moïse Tsjombe, op 11 juli de afscheiding van die provincie uit; hij bleef een politiek van samenwerking met België voeren. De anarchie werd bevorderd door onderlinge twisten in de centrale regering. Op 14 september voerde de stafchef van het leger, Joseph-Désiré Mobutu, een staatsgreep uit. Lumumba vluchtte uit Leopoldstad, werd op 1 december gearresteerd (wat aanleiding gaf tot de vorming van een tegenregering door A. Gizenga in de Oostprovincie) en werd in februari 1961 onder niet opgehelderde omstandigheden in Katanga vermoord, waarop de Sovjet-Unie en andere landen Gizenga's regering erkenden. Op een conferentie te Tananarive (thans Antananarivo) op Madagaskar in maart 1961 besloten Tsjombe en andere leiders tot het omzetten van Kongo in een confederatie van zelfstandige staten. Elk centraal gezag leek ten onder te gaan, maar nadat het parlement in juli Adoula tot minister-president had aangewezen, verzoende Gizenga zich met diens regering en ondernam de VN-troepenmacht in september 1961 en in januari 1963 acties, waardoor de afscheiding van Katanga ongedaan werd gemaakt. Pogingen van Tsjombe, die in juli 1964 Adoula opvolgde, om een algemene verzoening tot stand te brengen, faalden en hadden daarentegen een nieuwe opflakkering van opstanden in het oosten en noordoosten onder de Lumumbisten tot gevolg. Daarop rekruteerde Tsjombe blanke huursoldaten, die met succes een offensief tegen de rebellen inzetten. Teneinde talrijke in het opstandige gebied verblijvende blanken, die door de rebellen als gijzelaars werden vastgehouden en met uitmoording bedreigd waren, te ontzetten, volgde op 24 november 1964 een bevrijdingsactie in Stanleystad (thans Kisangani) en andere plaatsen door Belgische parachutisten, waarna de opstand verzwakte.
Het succes van Tsjombes beleid ten opzichte van de opstand en van enig economisch herstel verwekte echter steeds meer de naijver van Kasavubu, terwijl Tsjombe zelf het presidentschap ambieerde, waarvan de macht in de nieuw ontworpen grondwet aanzienlijk was uitgebreid. Tsjombe werd in oktober 1965 door Kasavubu ontslagen en Kimba tot minister-president benoemd, maar deze kon in het parlement geen meerderheid vinden.
| 5.6 Staatsgreep Mobutu |
Daarop eigende Mobutu zich op 24 november 1965 door een nieuwe staatsgreep alle regeringsmachten toe, zette hij Kasavubu af en riep zichzelf tot president uit. Een nieuwe, op zijn initiatief opgestelde grondwet, waardoor het centraal gezag aanzienlijk, ten koste van de provinciale besturen, werd versterkt, werd in juni 1967 door een plebisciet, waarbij de vrouwen voor de eerste maal stemrecht genoten, goedgekeurd. De grondwet verbood de politieke partijen en maakte de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR) tot de enig toegestane politieke groepering. Een aantal politieke tegenstanders werd na een schijnproces opgehangen (Pinksteren 1967). Later gingen echter blanke huurlingen, misnoegd over het achterwege blijven van betaling, in het oosten van Kongo aan het muiten en maakten zich, onder leiding van J. Schramme, meester van Bukavu, waar zij eerst op 5 november uit verdreven konden worden. De opstand van de huurlingen gaf weer aanleiding tot excessen tegen Europeanen, vnl. Belgen. De regering Mobutu streefde er tevens naar op economisch gebied meester in eigen land te worden. In 1966 werden de bestaande concessies van gronden en mijnen herzien, de Union Minière ‘gekongoliseerd’ en haar bedrijven in 1967 aan een Société Générale Congolaise des Minérales (Gécomines, later Gécamines) overgedragen.
In 1970 werden de eerste presidentsverkiezingen gehouden, waarbij Mobutu werd gekozen. Op 27 oktober 1971 werd de naam van het land officieel gewijzigd in Zaïre. De politiek van zaïrisering werd voortgezet en in 1973 werden alle buitenlandse ondernemingen genationaliseerd, een beleid dat enkele jaren later door de steeds verslechterende economische situatie alweer ongedaan gemaakt moest worden.
| 5.7 Groeiende oppositie tegen Mobutu |
Het regime van Mobutu, dat krachtig gesteund werd door een aantal westerse industrielanden, stuitte evenwel op binnenlandse tegenstand en in 1977 deden guerrillatroepen van het Kongolese Nationale Bevrijdingsfront (FLNC) vanuit Angola een aanval in de provincie Shaba (het vroegere Katanga). De guerrillatroepen bestonden vnl. uit de ex-gendarmes van Tsjombe. Met steun van de Verenigde Staten, Frankrijk en België gelukte het Mobutu de opstandelingen te verdrijven. Uitvoerige zuiveringen in het overheidsapparaat en de legerleiding volgden. In mei 1978 trokken opnieuw FNLC-troepen de provincie Shaba binnen. Ook nu moesten buitenlandse mogendheden ingrijpen en pas na luchtlandingen van Franse en Belgische para's konden de opstandelingen verdreven worden en werd een Interafrikaanse troepenmacht in het gebied gestationeerd.
Het ingrijpen van de westerse landen werd met name in het Oostblok scherp gekritiseerd en in hetzelfde jaar verbrak Zaïre de betrekkingen met de Sovjet-Unie. Wel werden onder druk van de westerse landen en na het aanbieden van uitgebreide financiële en militaire hulp de betrekkingen met Angola weer aangeknoopt en werden verdragen gesloten met Ghana, Senegal en Zambia. De slechte economische situatie en de steeds weer opduikende geruchten over de slechte behandeling van politieke tegenstanders, de grootscheepse corruptie van Mobutu en zijn naaste medewerkers en familie deden de naam van het regime geen goed. In 1979 bleek de buitenlandse schuldenlast zo hoog opgelopen, dat het IMF moest ingrijpen en strenge voorwaarden moest stellen voor nieuwe financiële hulp.
Mobutus autocratische bewind bleef in binnen- en buitenland blootstaan aan groeiende kritiek, vanwege schendingen van mensenrechten, corruptie en economisch wanbeleid. Hij wist zich echter staande te houden door voortdurende reorganisaties van regering en partij en door behendig politiek laveren. In 1986 tekende Zaïre een grensverdrag met Zambia en een samenwerkingsovereenkomst met Angola. Met België kwam Mobutu op gespannen voet te staan, vooral na het bloedbad dat de presidentiële garde in 1990 onder studenten op de universiteit van Lubumbashi aanrichtte. België schortte zijn hulp op en zag af van kwijtschelding van oude schulden. Pas in 1992 vond een verzoening tussen beide landen plaats, die tot gevolg had dat de hulp weer werd hervat.
In 1991 kwam een Nationale Conferentie bijeen, waarin de oppositiepartijen, verenigd in de ‘Heilige Unie’, zich op een nieuwe grondwet gingen voorbereiden. Mobutu zag zich ten slotte na onlusten gedwongen de voorman van deze coalitie, Tshisekedi, tot premier te benoemen. De bevoegdheden tussen president en premier waren niet scherp afgebakend, zodat de bestuurlijke crisis voortduurde. In maart 1993 benoemde Mobutu Faustin Birindwa tot premier. Tshisekedi verwierp de benoeming onmiddellijk en weigerde zijn premierschap op te geven. Mobutu raakte door dit alles internationaal steeds meer geïsoleerd.
| 5.8 Vluchtelingen uit Rwanda |
Met de toelating van politieke partijen in 1991 escaleerde de politieke verwarring. Een oplossing voor de politieke impasse leek in januari 1994 dichterbij gekomen door een overeenkomst tussen de presidentiële stroming (FPC) en de ‘Heilige Unie’, waarin de belangrijkste oppositiegroepen waren vertegenwoordigd. Onder de naam Hoge Raad van de Republiek-Overgangsparlement (HCR-PT) werden de twee rivaliserende, presidentiële en oppositionele politieke organen samengevoegd onder het voorzitterschap van mgr. Laurent Monsengwo, de aartsbisschop van Kisangani.
In juni 1994 koos de HCR-PT met een geringe meerderheid Leon Kengo wa Dondo tot premier. Kengo was de leider van de gematigde oppositiepartij URD, die in mei uit de oppositionele USOR was gezet. De tot de USOR behorende UDPS waarvan de partijleider, Etienne Tshisekedi, sinds 1992 in binnen- en buitenland als de wettige premier werd gezien, boycotte na de verkiezing van Kengo voor korte tijd de HCR-PT. De toevloed van meer dan een miljoen vluchtelingen uit het naburige Rwanda en de organisatie van hun opvang hadden de internationale rehabilitatie van president Mobutu tot gevolg. In de vluchtelingenkampen heersten anarchie en geweld, vooral veroorzaakt door de Hutu-moordeskaders die voor het nieuwe bewind in Rwanda waren gevlucht.
In mei 1995 maakte de regering bekend dat de parlements- en presidentsverkiezingen die voor juli waren gepland, voor onbepaalde tijd werden uitgesteld, o.m. omdat de nieuwe grondwet nog niet was goedgekeurd. Het uitstel wekte vooral verzet op in Shaba, waar velen een federale staat nastreefden. In juli werd mgr. Monsengwo afgezet als voorzitter van de HCR-PT en niet vervangen. Onderhandelingen over een regering van nationale eenheid liepen op niets uit. Premier Kengo kondigde een bezuinigingsprogramma af in een poging de inflatie van 8500% per jaar te bedwingen.
Zaïre en Rwanda kwamen in 1996 overeen Rwandese vluchtelingen te repatriëren. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR sprak zich uit tegen gedwongen repatriëring. Intussen probeerden de Rwandese Hutu-milities in samenwerking met Zaïrese Hutu’s hun positie te consolideren rond de vluchtelingenkampen in Zaïre, waarbij duizenden doden vielen en tienduizenden op de vlucht sloegen. Door de opmars van het rebellenleger onder leiding van Laurent-Désiré Kabila in Oost-Zaïre verloren de Hutu-milities hun greep op de Rwandese vluchtelingen en in november stroomden zo’n 600 000 Hutu’s uit de vluchtelingenkampen terug naar Rwanda. De Hutu-milities trokken het binnenland van Zaïre in.
| 5.9 De val van Mobutu |
President Mobutu verbleef van augustus tot december 1996 in het buitenland voor medische behandeling. Tijdens zijn afwezigheid was in Kinshasa een machtsvacuüm ontstaan, waarin premier Kengo en de legerleiding tegenstrijdige orders gaven. Grote delen van het land, zoals Shaba en Kasai onttrokken zich al langer aan het centrale gezag en in 1996 voegden zich de provincies Noord- en Zuid-Kivu daarbij. Het gedemoraliseerde en slecht betaalde regeringsleger bood nauwelijks tegenstand aan de rebellen, maar zaaide op zijn terugtocht wel dood en verderf onder de burgerbevolking. Rebellenleider Kabila streefde niet naar een afscheiding van Oost-Zaïre, maar naar een machtsovername in Kinshasa.
In april 1997 benoemde Mobutu Etienne Tshisekedi tot premier. Na een week werd hij vervangen door generaal Bolongo. Nadat Kabila’s Alliance des Forces Démocratiques de Libération (AFDL) Lubumbashi, de hoofdstad van Shaba en de tweede stad van Zaïre, had veroverd, stelde zij Mobutu het ultimatum binnen drie dagen het land te verlaten.
Toen de president het ultimatum naast zich neerlegde, hervatten de rebellen hun offensief en veroverden Kananga, de hoofdstad van de provincie West-Kasai, en Kolwezi, een mijnstad in Shaba. Op 17 mei trokken de troepen van Kabila de hoofdstad Kinshasa binnen, een dag nadat Mobutu via Togo naar Marokko was gevlucht, waar hij in november 1997 overleed. Kabila riep zichzelf tot president uit en maakte bekend dat Zaïre voortaan de Democratische Republiek Congo zou heten. Het nieuwe bewind werd door een groot aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, erkend.
| 5.10 De regering-Laurent Kabila |
Als belangrijkste prioriteiten van zijn regering noemde Kabila het herstel van de infrastructuur, de oprichting van centra voor de modernisering van de landbouw en de elektrificatie van het hele land. Hij slaagde erin zijn belangrijkste rivalen uit teschakelen. In april 1997 gaf Kabila onder zware druk van de Verenigde Naties toestemming de laatste Hutu-vluchtelingen, enkele honderdduizenden, te repatriëren. Volgens verschillende internationale organisaties werden er zo'n 150 000 Hutu-vluchtelingen vermist. Opnieuw was er grote internationale pressie nodig om Kabila te laten instemmen met de komst van een VN-onderzoekscommissie, die de beschuldigingen van systematische slachtingen onder Hutu-vluchtelingen moest onderzoeken. Het werk van de commissie werd stelselmatig onmogelijk gemaakt. In april 1998 besloot VN-secretaris generaal Kofi Annan het VN-onderzoeksteam terug te trekken uit Congo. Dezelfde maand verklaarde de Congolese autoriteiten de VN-mensenrechtenrapporteur Roberto Garreton tot persona non grata, nadat de VN-mensenrechtencommissie het bewind van Kaliba had veroordeeld voor ernstige schendingen van de mensenrechten. In het rapport van de commissie werd melding gemaakt van massale slachtpartijen van Hutu-vluchtelingen door troepen van Kabila en het Rwandese leger.
Het aanvankelijke optimisme van het buitenland over het nieuwe bewind had inmiddels plaatsgemaakt voor argwaan en wantrouwen tegen de nieuwe machthebbers en ook in Congo zelf groeide de oppositie. Verschillende politieke opposanten van Kabila werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens opruiing en het overtreden van het verbod op partijpolitieke activiteiten en demonstraties.
De aanwezigheid van buitenlandse troepen in Congo en de dominantie van de Tutsi binnen de AFDL waren veel Congolezen een doorn in het oog. Kabila bouwde de Tutsi-vertegenwoordiging in de regering geleidelijk af en in juni 1998, kort na de derde regeringshervorming binnen een jaar, besloot hij per decreet dat alle buitenlandse troepen het land dienden te verlaten.
Kort daarop brak er in het oosten van Congo een rebellie uit tegen het bewind van Kabila. De opstandelingen, o.a. Banyamulenge (Congolese Tutsi), verenigden zich in het RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie) en openden met militaire steun uit Oeganda en Rwanda twee fronten. Pas na interventie van Angolese en Zimbabwaanse troepen aan de kant van Kabila werd de opmars van de rebellen gestuit. Later stuurden ook Namibië en Tsjaad troepen om Kabila te steunen. De buitenlandse inmenging forceerde echter geen beslissing en ook besprekingen tussen de partijen leidden in 1998 niet tot een oplossing. De (vermeende) betrokkenheid van Rwanda leidde in augustus in het hele land tot een heksenjacht op Rwandezen, met name Tutsi.
In februari 1999 ontbond Kabila zijn regering en stelde voor de vierde keer in twee jaar een nieuwe ministersploeg samen. In zijn nieuwe regering van Nationale Redding werd opnieuw zijn neef Gaëtan Karudji minister van Binnenlandse Zaken en zijn vertrouweling Abdoulaye Yerodia de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Opmerkelijk was de benoeming van Bemba Saolona, oud Mobutu-aanhanger en de vader van MLC-rebellenleider Jean-Pierre Bemba, tot minister van Economische Zaken. In april 1999 besloot Kabila de regerende AFDL te ontbinden en de politieke macht over te hevelen naar volkscomités op dorpsniveau, de zogenaamde Comité du Pouvoir Populaire (CPP).
In 1999 werden opnieuw journalisten, oppositieleden, ambtenaren en politici gearresteerd. Maar ook werden verschillende in 1998 gearresteerde en veroordeelde politici weer vrijgelaten, onder wie UDPS-leiders Mathieu Kalele en François Kabanda, voorts oppositieleider Joseph Olenghankoy. Hun vrijlating was één van de voorwaarden die de oppositie in Kinshasa gesteld had voor eventuele deelname aan een door Kabila aangekondigd nationaal debat over de politieke toekomst van het land, dat echter wegens boycot door de oppositie geen doorgang vond. In 1999 bleef ongeveer eenderde van het land onder controle van de rebellen. Eind 1998 mengde een nieuwe rebellenbeweging zich in de strijd: de Mouvement de Libération du Congo (MLC) onder leiding van Jean-Pierre Bemba, zoon van oud-Mobutu-aanhanger Bemba Saolona, die sinds maart 1999 deel uitmaakte van de regering van Kabila. De MLC had de provincie Equateur als basis en ontwikkelde goede banden met Oeganda.
Onenigheid over de politieke en militaire koers van de RCD leidde tot spanningen binnen de leiding. Half februari verliet vice-president Arthur Ngoma de RCD uit onvrede met de militaire rol van Oeganda en Rwanda en op 16 mei werd RCD-voorman Ernest Wamba dia Wamba in Goma afgezet als leider. Hij vertrok met zijn aanhang naar Kisangani waarmee een splitsing binnen de RCD een feit was. De nieuwe leider van het RCD in Goma, Emile Ilunga, werd gesteund door Rwanda terwijl Wamba dia Wamba zich verzekerde van Oegandese steun. De gespannen relaties en soms openlijke vijandigheid tussen de twee RCD-facties onderling en de RCD en de MLC waren indicatief voor de toenemende onenigheid tussen bondgenoten Oeganda en Rwanda over het voeren van de oorlog. Nadat Rwandese en Oegandese troepen in augustus in Kisangani met elkaar slaags waren geraakt, sloten president Museveni van Oeganda en vice-president Kagame van Rwanda een akkoord. Hierin werd, naast een onmiddellijke wapenstilstand, vastgelegd dat leiders van beide RCD-facties het RCD in de toekomst mogen vertegenwoordigen.
In juli 1999 leidden onderhandelingen in Lusaka tot de ondertekening van een vredesakkoord tussen Angola, Congo, Namibië, Rwanda, Oeganda en Zimbabwe. Aan de ondertekening, onder toezicht van de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), ging een diplomatiek offensief van Zuid-Afrika vooraf. De RCD weigerde in eerste instantie te ondertekenen maar plaatste op 31 augustus alsnog de vereiste handtekeningen onder het verdrag dat voorzag in een onmiddellijk staakt-het-vuren, het vertrek van buitenlandse troepen, ontwapening van gewapende groepen, de integratie van de RCD- en MLC-troepen in een nieuw Congolees leger en het sturen van een VN-vredesmacht. In de loop van 1999 bouwden alle buitenlandse mogendheden met uitzondering van Rwanda en Zimbabwe hun militaire aanwezigheid in Congo af.
Ondanks het staakt-het-vuren ging de strijd tussen het regeringsleger en zijn bondgenoten en de door Rwanda en Oeganda gesteunde rebellengroepen door. De gevechten concentreerden zich in de provincie Kasai in Centraal-Congo, de provincie Ituri aan de grens met Oeganda en de Kivu-regio in Oost-Congo. Het meeste geweld speelde zich echter af ruim achter de frontlinies in de door rebellengroepen gecontroleerde gebieden. Duizenden mensen vonden bij aanhoudend geweld de dood en honderdduizenden sloegen op de vlucht of raakten ontheemd.