| Congo [Kinshasa] | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
Congo [Kinshasa] (officieel: République Démocratique du Congo, voormalig Zaïre (1971-1997) of Belgisch Kongo), republiek in Midden-Afrika, 2 344 885 vierkante kilometer (1998 reëel), met 64 606 759 inwoners (2007 schatting); 20 personen per vierkante kilometer. De hoofdstad is Kinshasa (voorheen Leopoldstad). Munteenheid is de Congolese frank (CDF). Nationale feestdag is 30 juni (Onafhankelijkheidsdag, 1960). De internetlandcode (TLD) is cd.
Nadat Congo in 1960 onafhankelijk werd van België volgden jaren van politieke onrust. In 1965 greep kolonel Joseph Mobutu de macht. Hij bande elke herinnering aan de koloniale tijd uit, veranderde de naam van het land in Zaïre en regeerde 32 jaar als dictator waarbij hij de rijkdommen van het land vooral voor eigen gewin gebruikte. Nadat de genocide in Rwanda in 1994 had geleid tot een toestroom van honderdduizenden vluchtelingen, braken ook in Zaïre etnische conflicten uit. Mobutu werd in 1997 verdreven door rebellen onder leiding van Laurent Kabila. Die veranderde de naam van het land in Democratische Republiek Congo. In 1998 bezweek het regime van Kabila bijna onder druk van andere groepen rebellen gesteund door Rwanda en Oeganda. Troepen uit Zimbabwe, Angola, Namibië, Tjsaad en Soedan schoten Kabila te hulp. In 1999 werd een staakt-het-vuren getekend, maar de opbouw van de vrede verliep vervolgens moeizaam. In 2001 werd Kabila vermoord. Zijn zoon Joseph Kabila volgde hem op. Rwandese troepen trokken zich eind 2002 terug uit het oosten van Congo en er werd een nieuw akkoord getekend dat de weg baande voor een regering van nationale eenheid. In 2003 ging de overgangsregering van start waarin Joseph Kabila president bleef en vier vice-presidenten kreeg, vertegenwoordigers van de voormalige regering, van rebellen en van de politieke oppositie.
| 1. Landschap, klimaat en natuur |
| 1.1 Landschap |
Een komvormige depressie (Congobekken) is omgeven door randplateaus, waarvan de oostelijke tot bergketens zijn opgestuwd. Tussen het westelijk randplateau en de Atlantische Oceaan bevindt zich een smalle kustvlakte. Landschappelijk onderscheidt men vier gebieden:
1. De kustvlakte, een landinwaarts zacht oplopende zone met mariene sedimenten (zand, kalksteen en zandsteen). De trechtervormige monding van de Congorivier is omzoomd met lage alluviale vlakten.
2. Het Congobekken, een uitgestrekte vlakte (gemiddeld 400 m hoog en een oppervlakte van 30 maal België), is nauwelijks ingesneden door de traagstromende Congorivier. Dit gebied was oorspronkelijk een binnenzee, getuige restmeren, zoals het Mai-Ndombe-meer (vroeger Leopold II-Meer), moerassen en de zgn. pools.
3. De randplateaus stijgen trapsgewijs van 500 tot 2000 m hoogte. De vele rivieren die op deze randplateaus ontstaan, vertonen dan ook talrijke watervallen en stroomversnellingen. De randplateaus omvatten: a. het Kristalgebergte in het westen, doorsneden door de Congorivier (gemiddelde hoogte 700–800 m; hoogste punt Uiaberg, 1050 m); b. de lage plateaus van Ubangi-Uele in het noorden en het noordoosten, lage zadelvormige waterscheiding met Tsjaad- en Nijlbekken; c. de Kasaiplateaus in het zuiden, langzaam overgaand naar het hoge en vlakke plateau van Lunda (1500 m), waterscheidingsrug tussen Congo- en Zambezibekken; d. ten oosten ervan de randplateaus van de Lualaba, aanleunend tegen het oostelijk breukengebied. In al deze randplateaus worden zeer oude, harde en sterk geplooide gesteentelagen uit het Precambrium en het Primair zichtbaar. De talrijke breuken werden opgevuld met rijke ertsaders: tinerts, goud, diamant, koper-, uranium- en kobalterts.
4. De oostelijke hoge breuken- en vulkanenzone, met slenken en horsten en hoge vulkanische massieven, o.a. de Ruwenzori (5119 m) en het Virunga- of Mufumbirogebergte (Karisimbi, 4507 m). Ook Midden-Shaba is doorkloofd met slenken en hoge horsten, zoals het Mitumbagebergte (1500 m), het Hankansongebergte (1125 m), de Kundelunga (1500 m), het Manikaplateau en het Bia-Kibaragebergte (1700 m).
| 1.2 Rivieren en meren |
Congo ligt vrijwel geheel in het Congobekken, dat tot de omvangrijkste en waterrijkste riviernetten ter wereld behoort. Het omvat praktisch het gehele stroomgebied van de Congorivier. Belangrijke uitzonderingen zijn het meer Rutanzige en het Albertmeer, die tot het Nijlbekken behoren. Het bekken van de Kwango-Kasai (waartoe de Sankuru en de Fimi-Lukenie behoren) draineert de noordrand van de schiervlakte van Lunda en van een deel van het plateau van Shaba. De Kasai, de belangrijkste zijrivier van de Congo, is bevaarbaar tot aan de samenloop met de Lulua, de Sankuru, tot ca. 100 km stroomopwaarts van Lusambo. In de bovenloop van het bekken komen talrijke watervallen voor. In het evenaarsgebied ontvangt de Congo enkele bijrivieren, die over het grootste deel bevaarbaar zijn (Ruki-Tshuapa, Lulonga). Bijrivieren ten noorden van de evenaar zijn: Ubangi (Bubangui), samengesteld uit de Bomu en de Uele, en bevaarbaar tot Bangui (in de Centraal-Afrikaanse Republiek), Mongala, Itimbiri en Aruwimi-Ituri, alle over kleine afstand bevaarbaar. De Lindi bevindt zich in het evenaarsgebied en is onbevaarbaar. Schepen bevaren de Lomami tot Likoto; het bekken van deze rivier ligt bijna geheel ten zuiden van de evenaar. Van de Lualaba zijn vooral de rechterbijrivieren van belang. Zij dalen langs talrijke stroomversnellingen en watervallen van de westelijke helling van het oostelijke breukgebergte en zijn onbevaarbaar (Lowa, Ulindi, Elila, Luama en Lukuga, die het Tanganyikameer, en hierdoor ook de Ruzizi en het Kivumeer, in het Congobekken schakelt). De Boven-Lualaba ontvangt de Luvua (bevaarbaar tot Kiambi) en de bergrivieren Lubidi en Lufira. De belangrijkste meren zijn: het Mai-Ndombe-(vroeger Leopold II-)meer (2325 km2), een overblijfsel van het grote meer van de centrale kom; het Albert-, het Edward- en het Tanganyikameer (5600 km2, 2500 km2 resp. 32 000 km2); slenkmeren; Stanley Pool (1500 km2) en het Mwerumeer (5200 km2), van tektonische oorsprong, en het Kivumeer (2700 km2), het hoogst gelegen meer van Centraal-Afrika.
| 1.3 Klimaat |
Congo heeft een duidelijk equatoriaal klimaat, in de nomenclatuur van Köppen Af, tropisch regenwoudklimaat in het betrekkelijk laag gelegen westen en midden van het land, overgaand in Aw, savanneklimaat met een neerslagarme winter in het oosten en zuiden. In het uiterste oosten heerst een C-klimaat of gematigd regenklimaat als gevolg van de hoge ligging (laagste gemiddelde maandtemperatuur beneden 18 °C). In het gehele land is de dagelijkse gang van de temperatuur meer dan 10 °C, hetgeen niet wegneemt dat speciaal in het laagste gedeelte van het land de temperaturen 's nachts zelden tot beneden 16 °C dalen. In de hooggelegen gebieden in het oosten echter kunnen nachtelijke temperaturen beneden het vriespunt voorkomen. De jaarlijkse gang van de temperatuur wordt met toenemende afstand tot de equator groter: in Kisangani, op de equator gelegen, bedraagt het temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste maand 2 °C; in Lubumbashi op 12 ° Z.Br. is oktober de warmste maand met 24 °C en juli de koudste met 16 °C. De gemiddelde jaartemperatuur wordt nagenoeg uitsluitend bepaald door de hoogte: Kinshasa, 325 m, 25 °C; Lubumbashi, 1230 m, 21 °C; Tshibinda, 2120 m, 16 °C.
De neerslaghoeveelheden zijn betrekkelijk groot, hoewel niet extreem voor een equatoriaal gebied. De verdeling over het jaar is sterk afhankelijk van de geografische breedte. Nabij de equator vertoont de neerslag twee maxima, die bij toenemende breedte samensmelten tot een enkel zomermaximum. De relatief lage jaarsom in het aan de kust gelegen Banana is een gevolg van het onderdrukken van de buiigheid door de koude Benguelastroom.
De winden en de luchtsoorten die zij aanvoeren, worden geheel bepaald door de ligging van de equatoriale lagedrukgordel. In januari ligt deze ver naar het zuiden, waardoor in het zuiden van het land vochtige maritieme lucht wordt aangevoerd. Het midden en het noorden zijn dan echter overdekt door continentaal tropische lucht die uit het noorden afkomstig is. (In juli is deze laatste luchtsoort verdwenen en stroomt de maritieme lucht over het gehele land heen.) Dit naast elkaar aanwezig zijn van verschillende luchtsoorten leidt tot het ontstaan van bijzonder krachtige buien, die tornado's worden genoemd. Zij trekken in het algemeen van het oosten naar het westen, gaan gepaard met heftige rukwinden en zwaar onweer en zijn het meest frequent omstreeks april en oktober.
| 1.4 Plantengroei |
Ongeveer de helft van de oppervlakte wordt ingenomen door altijdgroen tropisch regenwoud (minstens 1600 mm neerslag per jaar). De relatief grootste oppervlakte (20%) beslaan moerasbossen en wouden, waarvan de bodem een deel van het jaar onder water staat. Deze bossen zijn kenmerkend voor het centrale Congobekken. Zij worden in het noordoosten, oosten en zuiden omgeven door een bijna even groot gebied op drogere en oudere gronden, waar tot 45 m hoge climax-regenwouden heersen. In de regenzone van de oostelijke gebergten is het regenwoud lager (20–25 m) en geheel anders van samenstelling, o.a. gekenmerkt door het optreden van naaktzadigen (jeneverbessoorten, Podocarpus), Dracaena en Ocotea. Naarmate (in zuidwaartse richting) het droge jaargetijde langer duurt, gaat het regenwoud over in een moeraswoud, waarin altijdgroene en loofverliezende bomen gemengd optreden; bovendien raken deze wouden gemengd met woudsavannen, savannen met Acacia's en geheel loofverliezende bostypen. Een geheel ander bostype zijn weer de rivierbegeleidende galerijwouden. Deze zijn o.a. het oorspronkelijke biotoop van schroefpalmen, de palm Phoenix reclinata, de inheemse koffie (Coffea congensis) en de oliepalm. Waar het oorspronkelijke woud vernietigd is, worden voorts grote oppervlakten ingenomen door secundaire bossen, waarin de ‘parasolier’ (Muranga cecropioides) en de waardevolle, veel aangeplante houtsoort Terminalia superba een grote rol spelen. In de hoogvlakten van Katanga bestaat het landschap uit een mozaïek van lichte loofverliezende savannebossen, bamboevelden gedomineerd door Oxynanthera, Acacia-savannen en grassteppen; op de hoogste plateaus overwegen de laatste geheel. Ten slotte kenmerken de droogste gebieden (regenval kleiner dan 1000 mm per jaar, sterk doorlatende gronden en uitdrogende winden), die voornamelijk in de oostelijke gebergten voorkomen, zich door altijdgroene bossen met harde, leerachtige bladeren, waarin olijven, jasmijnen, boomheide, hulst-, kornoelje- en hertshooisoorten, Myrica, enz. optreden en die daardoor enigszins aan mediterrane bossen doen denken.
| 1.5 Dierenwereld |
De dierenwereld is de fauna van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, gekenmerkt door grote herbivoren als (bos)olifant, reuzenzwijn, (bos)buffel, okapi (uitsluitend binnen de grenzen van Congo), bongo en andere antilopen en talrijke apen (vnl. meerkatachtigen, maar ook drie mensapen, de chimpansee, de tot Congo beperkte bonobo of dwergchimpansee en de gorilla), met als voornaamste roofdier de panter; andere woudbewoners zijn o.a. de hier voorkomende Congopauw en de zeer grote goliathkevers. De savannen aan de randen van het bos worden bewoond door een typisch Oost-Afrikaanse fauna met olifanten, zebra's, neushoorns (de bedreigde puntlipneushoorn in het zuiden en de bijna uitgeroeide witte of breedlipneushoorn in het noorden), antilopen, buffels, leeuwen, enz. De vogelwereld is uitzonderlijk rijk en telt meer dan 1000 soorten; de zoogdieren omvatten ca. 425 soorten. Ook wat betreft groepen als reptielen, amfibieën, vissen (zowel in de rivieren als de meren) en lagere dieren (o.a. grote aantallen reuzenslakken) is een enorme rijkdom aan soorten bekend. De grootte van het land, gecombineerd met het feit dat Congo naast een reusachtig oppervlak aan bos ook savannen kent, maakt de fauna van dit Midden-Afrikaanse land tot de rijkste van Afrika.
De Belgen legden zich reeds vroeg toe op de bestudering van flora en fauna, o.a. door het stichten van een speciaal instituut (Koninklijk Museum voor Belgisch Kongo, thans Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren, 1897). Ook de natuurbescherming werd zeer vroeg ter hand genomen, wat geresulteerd heeft in een netwerk van nationale parken en natuurreservaten, die ondanks enorme moeilijkheden nog goeddeels onbeschadigd in stand gebleven zijn. Ook het wetenschappelijk onderzoek in de reservaten is met kracht bevorderd. De belangrijkste reservaten zijn in het noordoosten het Garamba Nationale Park, voornamelijk voor de laatste (noordelijke) witte neushoorns, in het oosten het Virunga (vroeger Albert) Nationale Park (een complex van savannen, bossen, meren, bergen en vulkanen voor o.a. savannedieren en gorilla's, sinds 1925) en in het zuiden het Upemba Nationale Park voor de savannefauna. Strikte bepalingen reguleren de jacht en vangst van dieren voor de uitvoer, waar overigens moeilijk integraal toezicht op te houden valt.