| Zoekweergave | Congo [Kinshasa] | Terug |
| Introductie |
Congo [Kinshasa] (officieel: République Démocratique du Congo, voormalig Zaïre (1971-1997) of Belgisch Kongo), republiek in Midden-Afrika, 2 344 885 vierkante kilometer (1998 reëel), met 64 606 759 inwoners (2007 schatting); 20 personen per vierkante kilometer. De hoofdstad is Kinshasa (voorheen Leopoldstad). Munteenheid is de Congolese frank (CDF). Nationale feestdag is 30 juni (Onafhankelijkheidsdag, 1960). De internetlandcode (TLD) is cd.
Nadat Congo in 1960 onafhankelijk werd van België volgden jaren van politieke onrust. In 1965 greep kolonel Joseph Mobutu de macht. Hij bande elke herinnering aan de koloniale tijd uit, veranderde de naam van het land in Zaïre en regeerde 32 jaar als dictator waarbij hij de rijkdommen van het land vooral voor eigen gewin gebruikte. Nadat de genocide in Rwanda in 1994 had geleid tot een toestroom van honderdduizenden vluchtelingen, braken ook in Zaïre etnische conflicten uit. Mobutu werd in 1997 verdreven door rebellen onder leiding van Laurent Kabila. Die veranderde de naam van het land in Democratische Republiek Congo. In 1998 bezweek het regime van Kabila bijna onder druk van andere groepen rebellen gesteund door Rwanda en Oeganda. Troepen uit Zimbabwe, Angola, Namibië, Tjsaad en Soedan schoten Kabila te hulp. In 1999 werd een staakt-het-vuren getekend, maar de opbouw van de vrede verliep vervolgens moeizaam. In 2001 werd Kabila vermoord. Zijn zoon Joseph Kabila volgde hem op. Rwandese troepen trokken zich eind 2002 terug uit het oosten van Congo en er werd een nieuw akkoord getekend dat de weg baande voor een regering van nationale eenheid. In 2003 ging de overgangsregering van start waarin Joseph Kabila president bleef en vier vice-presidenten kreeg, vertegenwoordigers van de voormalige regering, van rebellen en van de politieke oppositie.
| 1. Landschap, klimaat en natuur |
| 1.1 Landschap |
Een komvormige depressie (Congobekken) is omgeven door randplateaus, waarvan de oostelijke tot bergketens zijn opgestuwd. Tussen het westelijk randplateau en de Atlantische Oceaan bevindt zich een smalle kustvlakte. Landschappelijk onderscheidt men vier gebieden:
1. De kustvlakte, een landinwaarts zacht oplopende zone met mariene sedimenten (zand, kalksteen en zandsteen). De trechtervormige monding van de Congorivier is omzoomd met lage alluviale vlakten.
2. Het Congobekken, een uitgestrekte vlakte (gemiddeld 400 m hoog en een oppervlakte van 30 maal België), is nauwelijks ingesneden door de traagstromende Congorivier. Dit gebied was oorspronkelijk een binnenzee, getuige restmeren, zoals het Mai-Ndombe-meer (vroeger Leopold II-Meer), moerassen en de zgn. pools.
3. De randplateaus stijgen trapsgewijs van 500 tot 2000 m hoogte. De vele rivieren die op deze randplateaus ontstaan, vertonen dan ook talrijke watervallen en stroomversnellingen. De randplateaus omvatten: a. het Kristalgebergte in het westen, doorsneden door de Congorivier (gemiddelde hoogte 700–800 m; hoogste punt Uiaberg, 1050 m); b. de lage plateaus van Ubangi-Uele in het noorden en het noordoosten, lage zadelvormige waterscheiding met Tsjaad- en Nijlbekken; c. de Kasaiplateaus in het zuiden, langzaam overgaand naar het hoge en vlakke plateau van Lunda (1500 m), waterscheidingsrug tussen Congo- en Zambezibekken; d. ten oosten ervan de randplateaus van de Lualaba, aanleunend tegen het oostelijk breukengebied. In al deze randplateaus worden zeer oude, harde en sterk geplooide gesteentelagen uit het Precambrium en het Primair zichtbaar. De talrijke breuken werden opgevuld met rijke ertsaders: tinerts, goud, diamant, koper-, uranium- en kobalterts.
4. De oostelijke hoge breuken- en vulkanenzone, met slenken en horsten en hoge vulkanische massieven, o.a. de Ruwenzori (5119 m) en het Virunga- of Mufumbirogebergte (Karisimbi, 4507 m). Ook Midden-Shaba is doorkloofd met slenken en hoge horsten, zoals het Mitumbagebergte (1500 m), het Hankansongebergte (1125 m), de Kundelunga (1500 m), het Manikaplateau en het Bia-Kibaragebergte (1700 m).
| 1.2 Rivieren en meren |
Congo ligt vrijwel geheel in het Congobekken, dat tot de omvangrijkste en waterrijkste riviernetten ter wereld behoort. Het omvat praktisch het gehele stroomgebied van de Congorivier. Belangrijke uitzonderingen zijn het meer Rutanzige en het Albertmeer, die tot het Nijlbekken behoren. Het bekken van de Kwango-Kasai (waartoe de Sankuru en de Fimi-Lukenie behoren) draineert de noordrand van de schiervlakte van Lunda en van een deel van het plateau van Shaba. De Kasai, de belangrijkste zijrivier van de Congo, is bevaarbaar tot aan de samenloop met de Lulua, de Sankuru, tot ca. 100 km stroomopwaarts van Lusambo. In de bovenloop van het bekken komen talrijke watervallen voor. In het evenaarsgebied ontvangt de Congo enkele bijrivieren, die over het grootste deel bevaarbaar zijn (Ruki-Tshuapa, Lulonga). Bijrivieren ten noorden van de evenaar zijn: Ubangi (Bubangui), samengesteld uit de Bomu en de Uele, en bevaarbaar tot Bangui (in de Centraal-Afrikaanse Republiek), Mongala, Itimbiri en Aruwimi-Ituri, alle over kleine afstand bevaarbaar. De Lindi bevindt zich in het evenaarsgebied en is onbevaarbaar. Schepen bevaren de Lomami tot Likoto; het bekken van deze rivier ligt bijna geheel ten zuiden van de evenaar. Van de Lualaba zijn vooral de rechterbijrivieren van belang. Zij dalen langs talrijke stroomversnellingen en watervallen van de westelijke helling van het oostelijke breukgebergte en zijn onbevaarbaar (Lowa, Ulindi, Elila, Luama en Lukuga, die het Tanganyikameer, en hierdoor ook de Ruzizi en het Kivumeer, in het Congobekken schakelt). De Boven-Lualaba ontvangt de Luvua (bevaarbaar tot Kiambi) en de bergrivieren Lubidi en Lufira. De belangrijkste meren zijn: het Mai-Ndombe-(vroeger Leopold II-)meer (2325 km2), een overblijfsel van het grote meer van de centrale kom; het Albert-, het Edward- en het Tanganyikameer (5600 km2, 2500 km2 resp. 32 000 km2); slenkmeren; Stanley Pool (1500 km2) en het Mwerumeer (5200 km2), van tektonische oorsprong, en het Kivumeer (2700 km2), het hoogst gelegen meer van Centraal-Afrika.
| 1.3 Klimaat |
Congo heeft een duidelijk equatoriaal klimaat, in de nomenclatuur van Köppen Af, tropisch regenwoudklimaat in het betrekkelijk laag gelegen westen en midden van het land, overgaand in Aw, savanneklimaat met een neerslagarme winter in het oosten en zuiden. In het uiterste oosten heerst een C-klimaat of gematigd regenklimaat als gevolg van de hoge ligging (laagste gemiddelde maandtemperatuur beneden 18 °C). In het gehele land is de dagelijkse gang van de temperatuur meer dan 10 °C, hetgeen niet wegneemt dat speciaal in het laagste gedeelte van het land de temperaturen 's nachts zelden tot beneden 16 °C dalen. In de hooggelegen gebieden in het oosten echter kunnen nachtelijke temperaturen beneden het vriespunt voorkomen. De jaarlijkse gang van de temperatuur wordt met toenemende afstand tot de equator groter: in Kisangani, op de equator gelegen, bedraagt het temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste maand 2 °C; in Lubumbashi op 12 ° Z.Br. is oktober de warmste maand met 24 °C en juli de koudste met 16 °C. De gemiddelde jaartemperatuur wordt nagenoeg uitsluitend bepaald door de hoogte: Kinshasa, 325 m, 25 °C; Lubumbashi, 1230 m, 21 °C; Tshibinda, 2120 m, 16 °C.
De neerslaghoeveelheden zijn betrekkelijk groot, hoewel niet extreem voor een equatoriaal gebied. De verdeling over het jaar is sterk afhankelijk van de geografische breedte. Nabij de equator vertoont de neerslag twee maxima, die bij toenemende breedte samensmelten tot een enkel zomermaximum. De relatief lage jaarsom in het aan de kust gelegen Banana is een gevolg van het onderdrukken van de buiigheid door de koude Benguelastroom.
De winden en de luchtsoorten die zij aanvoeren, worden geheel bepaald door de ligging van de equatoriale lagedrukgordel. In januari ligt deze ver naar het zuiden, waardoor in het zuiden van het land vochtige maritieme lucht wordt aangevoerd. Het midden en het noorden zijn dan echter overdekt door continentaal tropische lucht die uit het noorden afkomstig is. (In juli is deze laatste luchtsoort verdwenen en stroomt de maritieme lucht over het gehele land heen.) Dit naast elkaar aanwezig zijn van verschillende luchtsoorten leidt tot het ontstaan van bijzonder krachtige buien, die tornado's worden genoemd. Zij trekken in het algemeen van het oosten naar het westen, gaan gepaard met heftige rukwinden en zwaar onweer en zijn het meest frequent omstreeks april en oktober.
| 1.4 Plantengroei |
Ongeveer de helft van de oppervlakte wordt ingenomen door altijdgroen tropisch regenwoud (minstens 1600 mm neerslag per jaar). De relatief grootste oppervlakte (20%) beslaan moerasbossen en wouden, waarvan de bodem een deel van het jaar onder water staat. Deze bossen zijn kenmerkend voor het centrale Congobekken. Zij worden in het noordoosten, oosten en zuiden omgeven door een bijna even groot gebied op drogere en oudere gronden, waar tot 45 m hoge climax-regenwouden heersen. In de regenzone van de oostelijke gebergten is het regenwoud lager (20–25 m) en geheel anders van samenstelling, o.a. gekenmerkt door het optreden van naaktzadigen (jeneverbessoorten, Podocarpus), Dracaena en Ocotea. Naarmate (in zuidwaartse richting) het droge jaargetijde langer duurt, gaat het regenwoud over in een moeraswoud, waarin altijdgroene en loofverliezende bomen gemengd optreden; bovendien raken deze wouden gemengd met woudsavannen, savannen met Acacia's en geheel loofverliezende bostypen. Een geheel ander bostype zijn weer de rivierbegeleidende galerijwouden. Deze zijn o.a. het oorspronkelijke biotoop van schroefpalmen, de palm Phoenix reclinata, de inheemse koffie (Coffea congensis) en de oliepalm. Waar het oorspronkelijke woud vernietigd is, worden voorts grote oppervlakten ingenomen door secundaire bossen, waarin de ‘parasolier’ (Muranga cecropioides) en de waardevolle, veel aangeplante houtsoort Terminalia superba een grote rol spelen. In de hoogvlakten van Katanga bestaat het landschap uit een mozaïek van lichte loofverliezende savannebossen, bamboevelden gedomineerd door Oxynanthera, Acacia-savannen en grassteppen; op de hoogste plateaus overwegen de laatste geheel. Ten slotte kenmerken de droogste gebieden (regenval kleiner dan 1000 mm per jaar, sterk doorlatende gronden en uitdrogende winden), die voornamelijk in de oostelijke gebergten voorkomen, zich door altijdgroene bossen met harde, leerachtige bladeren, waarin olijven, jasmijnen, boomheide, hulst-, kornoelje- en hertshooisoorten, Myrica, enz. optreden en die daardoor enigszins aan mediterrane bossen doen denken.
| 1.5 Dierenwereld |
De dierenwereld is de fauna van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, gekenmerkt door grote herbivoren als (bos)olifant, reuzenzwijn, (bos)buffel, okapi (uitsluitend binnen de grenzen van Congo), bongo en andere antilopen en talrijke apen (vnl. meerkatachtigen, maar ook drie mensapen, de chimpansee, de tot Congo beperkte bonobo of dwergchimpansee en de gorilla), met als voornaamste roofdier de panter; andere woudbewoners zijn o.a. de hier voorkomende Congopauw en de zeer grote goliathkevers. De savannen aan de randen van het bos worden bewoond door een typisch Oost-Afrikaanse fauna met olifanten, zebra's, neushoorns (de bedreigde puntlipneushoorn in het zuiden en de bijna uitgeroeide witte of breedlipneushoorn in het noorden), antilopen, buffels, leeuwen, enz. De vogelwereld is uitzonderlijk rijk en telt meer dan 1000 soorten; de zoogdieren omvatten ca. 425 soorten. Ook wat betreft groepen als reptielen, amfibieën, vissen (zowel in de rivieren als de meren) en lagere dieren (o.a. grote aantallen reuzenslakken) is een enorme rijkdom aan soorten bekend. De grootte van het land, gecombineerd met het feit dat Congo naast een reusachtig oppervlak aan bos ook savannen kent, maakt de fauna van dit Midden-Afrikaanse land tot de rijkste van Afrika.
De Belgen legden zich reeds vroeg toe op de bestudering van flora en fauna, o.a. door het stichten van een speciaal instituut (Koninklijk Museum voor Belgisch Kongo, thans Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren, 1897). Ook de natuurbescherming werd zeer vroeg ter hand genomen, wat geresulteerd heeft in een netwerk van nationale parken en natuurreservaten, die ondanks enorme moeilijkheden nog goeddeels onbeschadigd in stand gebleven zijn. Ook het wetenschappelijk onderzoek in de reservaten is met kracht bevorderd. De belangrijkste reservaten zijn in het noordoosten het Garamba Nationale Park, voornamelijk voor de laatste (noordelijke) witte neushoorns, in het oosten het Virunga (vroeger Albert) Nationale Park (een complex van savannen, bossen, meren, bergen en vulkanen voor o.a. savannedieren en gorilla's, sinds 1925) en in het zuiden het Upemba Nationale Park voor de savannefauna. Strikte bepalingen reguleren de jacht en vangst van dieren voor de uitvoer, waar overigens moeilijk integraal toezicht op te houden valt.
| 2. Bevolking |
| 2.1 Samenstelling en spreiding |
De bevolking bestaat uit verschillende etnische groepen, die als volgt in te delen zijn: Bantoe, Soedannegers, Niloten en Pygmeeën. De Bantoe maken tussen de 65 en 70% van de totale bevolking uit; zij nemen de leidende posities in. De Soedannegers (ruim 20%) wonen in het savannelandschap in het stroomgebied van Ubangi en Uele. De Niloten zijn gering in aantal en hebben zich in het uiterste noordoosten bij de grens met Soedan en Oeganda gevestigd. De Pygmeeën (ca. 50 000 à 60 000) wonen in het dichtbeboste gebied rond de evenaar. Er zijn zo’n 20 000 blanken, vooral Belgen. De bevolkingsgroei bedraagt circa 3% per jaar. Ca. 70% van de bevolking woont op het platteland. Het dichtst bevolkt is de provincie Neder-(of Bas-)Congo, aan de kust. De grootste stad is Kinshasa, met circa 4 miljoen inwoners.
| 2.2 Taal |
De officiële taal van Congo is Frans, de taal die ten tijde van de kolonisatie in het moederland België de dominante taal was. In de ontwerpgrondwet van 1998 is Engels er als officiële taal bijgekomen. Op taalkundig gebied is Congo een ware lappendeken, waardoor het voor de overheid na de onafhankelijkheid uitgesloten was een autochtone taal als bestuurstaal aan te wijzen. Daar het onmogelijk is aan te geven wanneer er precies sprake is van een taal dan wel een dialect, is het zelfs ondoenlijk bij benadering aan te geven hoeveel talen er in Congo worden gesproken; in de literatuur worden meestal aantallen van enige honderden genoemd.
Het overgrote deel van de talen van Congo behoort tot de Niger-Kordofanische talen (zie Afrika§ 6.3); alleen in het uiterste noordoosten van het land worden talen gesproken die behoren tot de Nilo-Saharische taalgroep (zie Afrika). Van de in Congo gesproken Niger-Kordofanische talen zijn er in het noorden verscheidene die vroeger werden gerekend tot de Soedantalen. De meerderheid van de bevolking van Congo spreekt een van de vele Bantoetalen. Van elk van deze talen is echter een gering aantal personen moedertaalspreker, wat het gebruik van verkeerstalen noodzakelijk maakte. De meest bekende van deze verkeerstalen of pidgins is het Swahili, dat vooral in het oosten wordt gesproken. Andere in Congo veel gebruikte talen van Bantoe-oorsprong zijn het Lingala en het Kikongo, beide gesproken in het westen en het Tshiluba, gesproken in het centrum van Congo.
| 2.3 Religie |
Bijna de gehele bevolking is christen (50% rooms-katholiek, 30% protestants; ca. 17% is aanhanger van inheems christelijke genootschappen). Volgens de grondwet is er vrijheid van godsdienst, maar openbare eredienst en openbaar onderwijs door kerken mag alleen gehouden resp. gegeven worden indien zij officieel erkend zijn, dwz. een rechtspersoonlijkheid bezittende religieuze gemeenschap zijn. Erkend zijn: de Rooms-Katholieke Kerk, in Congo georganiseerd in zes aartsbisdommen met 41 bisdommen; de protestante kerken verenigd in de Eglise du Christ au Congo; de Kerk van Jezus Christus op aarde geleid door de profeet Simon Kimbangu met ca. 5 miljoen leden en de Grieks-Orthodoxe Kerk. Voorts is er een aantal kleinere religieuze gemeenschappen als de islamitische en die van de Baha′i's. Naast deze officieel erkende gemeenschappen zijn er nog vele andere christelijke denominaties, zowel Afrikaans-inheemse als niet-inheemse. Een kleine minderheid van de bevolking hangt animistische godsdiensten aan.
| 3. Bestuur en samenleving |
| 3.1 Staatsinrichting |
Na door de bevolking in 2005 in een referendum te zijn goedgekeurd, werd in februari 2006 een nieuwe grondwet van kracht. Congo bleef een presidentiële republiek, maar de provincies kregen meer bevoegdheden dan voorheen. De president wordt rechtstreeks gekozen en heeft een ambtstermijn van vijf jaar. De regering wordt door de president benoemd. Het parlement bestaat uit twee kamers. De Nationale Assemblée telt 500 zetels; de leden worden om de vijf jaar gekozen door de bevolking. 60 zetels worden verdeeld in een districtenstelsel, de overige via evenredige vertegenwoordiging. De Senaat heeft 120 zetels; de leden worden gekozen door de provinciale raden.
| 3.2 Bestuurlijke indeling |
Congo is sinds de grondwet van februari 2006 ingedeeld in 26 regio's: 25 provincies en de hoofdstad Kinshasa, die een eigen status heeft.
| 3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties |
Congo is lid van o.m. de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie en is geassocieerd met de EU.
| 4. Economie |
| 4.1 Algemeen |
Congo is potentieel een van de rijkste Afrikaanse landen. Het klimaat maakt de verbouw van een groot aantal gewassen mogelijk. De bodem is zeer rijk aan delfstoffen en het land beschikt over enorme mogelijkheden voor het opwekken van hydro-elektriciteit. Toch is de economische situatie slecht. De buitenlandse schuld is zeer groot. De inflatie is buitensporig hoog. Er zijn verschillende oorzaken, zoals de burgeroorlog, wanbeleid en corruptie, de bevolkingsexplosie, m.n. onder de arme bevolking in Kinshasa, de daling van de koperprijs op de wereldmarkt, de oliecrisis in de jaren zeventig en het teruglopen van de export. Het grootste deel van de bevolking is werkzaam in de landbouw, maar in deze sector daalde de opbrengst jaarlijks door de hoge inflatie en de ineenstorting van het transportsysteem. Aanvoer van zaaigoed, kunstmest en landbouwwerktuigen stagneerde en het vervoer van de landbouwproducten naar de markten kwam praktisch tot stilstand. De industrie draait op 50% van haar capaciteit, o.m. door gebrek aan onderhoud en onderdelen van machines en door de hoge olieprijzen.
In 1976 werd de drie jaar daarvoor ingevoerde politiek van zaïrisering in de industrie en het bedrijfsleven gewijzigd; buitenlanders kregen hun aandeel in ondernemingen terug. Tussen 1975 en 1989 is het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking gehalveerd (in 1989 $ 260). In 1994 was dit gedaald tot $ 135.
| 4.2 Landbouw, visserij en bosbouw |
De landbouw draagt ca. 55% bij tot het bnp, maar ca. 67,5% van de bevolking is werkzaam in de agrarische sector. Een groot deel van het land is niet in cultuur gebracht. Het belangrijkste voedingsgewas is cassave. Het cassavedieet wordt aangevuld met maïs, aardnoten, rijst, bananen en bonen. Handelsgewassen zijn katoen, koffie (het enige agrarische product dat belangrijk is voor de export), thee, palmolie, palmpitten en cacao. De handelsgewassen worden, met uitzondering van katoen, hoofdzakelijk op grote bedrijven verbouwd, die meestal in handen van Europeanen zijn. De oogsten zijn niet toereikend om in de eigen behoefte te voorzien. Veel levensmiddelen moeten geïmporteerd worden. De veehouderij is van geringe betekenis door het voorkomen van de tseetseevlieg. Alleen in hoger gelegen gebieden, zoals in de provincie Kivu, worden runderen gehouden. Vis is als bron van proteïnen van groot belang voor de voedselvoorziening. De visvangst is echter sterk teruggelopen. Er zijn plannen om de vissersvloot uit te breiden. Congo is rijk aan bossen, die ruim 62% van de totale oppervlakte beslaan. Door de slechte transportmogelijkheden en de moeilijke toegankelijkheid is de exploitatie van de bossen echter beperkt gebleven. De bosbouw vindt vooral plaats in het Mayumbewoud bij de monding van de Congorivier. De belangrijkste houtsoort, limba, raakt op als gevolg van overmatig kappen. De regering heeft het kappen en de uitvoer van verschillende boomsoorten beperkt om volledige verdwijning te voorkomen. Hout is de belangrijkste brandstof. Rubber is hoofdzakelijk afkomstig van plantages.
| 4.3 Mijnbouw |
De mijnbouw is de belangrijkste economische sector, die ca. 80% van de exportopbrengst voor zijn rekening neemt. De mijnbouw is geconcentreerd in het zuidoosten, in de provincies Katanga, Kasai en Kivu. Door de onstabiele politieke situatie in Angola is het transport naar zee via dit land sterk teruggelopen. De meeste export gaat via Zambia en Zimbabwe. De belangrijkste mijnbouwmaatschappijen zijn: Gécamines (Générale des Carrières et Mines du Zaïre) en de Société de Développement Industriel et Minier de Zaïre (SODIMIZA), beide staatsmijnbouwmaatschappijen. Kobalt en koper zijn de belangrijkste ertsen. Kobalt wordt gevonden in de koperertslagen. Congo bezit 50% van de bekende kobaltreserves van de wereld en is 's werelds grootste producent. De belangrijkste delfplaatsen van kobalt zijn de Kamoto en de Kambovemijn. Koper wordt gevonden in de zgn. ‘Copperbelt’, een ca. 300 km lange strook die zich uitstrekt vanuit Zambia via Lubumbashi in noordwestelijke richting. Hier bevindt zich ongeveer een zesde van de wereldvoorraad koper. Er zijn productieproblemen door een tekort aan onderdelen, nieuwe apparatuur en technisch personeel. Dagbouw komt veel voor. De exploitatie is in handen van de staatsonderneming Gécamines. Andere mijnbouwproducten zijn zink, diamant en tin. Zink wordt aangetroffen in de koperlagen. Overige bijproducten van de kopermijnen, zoals zilver, cadmium en germanium, zijn van minder belang. Congo is na Australië de grootste producent van industriediamant. De diamantvelden liggen in Oost-Kasai. Tin komt vnl. voor in de vorm van cassiteriet. Bijproducten van de tinmijnen zijn o.m. wolfraam, niobium, tantalium en beryllium. Door de groeiende vraag op de wereldmarkt is de delving van het erts coltan, veelgebruikt in micro-elektronica, belangrijker geworden. In Katanga wordt tevens mangaan, goud (ook in het noordoosten) en een mindere kwaliteit steenkool (in de Lukuga- en Luenabekkens) gewonnen. In 1975 is in de omgeving van Moanda, aan de kust, begonnen met de winning van aardolie. Congo exporteert de aardolie, omdat de eigen raffinaderijen niet in staat zijn de aardolie te verwerken. Aan het eind van de jaren tachtig daalde de productie echter doordat de oliebronnen uitdroogden.
| 4.4 Industrie |
De industriële activiteiten bestaan uit de verwerking van mijnbouwgrondstoffen, agrarische grondstoffen en ingevoerde halffabrikaten. De industrie is geconcentreerd in het zuidoosten van het land. Kleinere industriegebieden zijn er bij Kinshasa, Matadi en Kisangani. De ertsverwerkende industrie is het belangrijkst. Deze sector heeft echter ernstig te lijden gehad van de interne en externe politieke en economische ontwikkelingen. Producten van de metaalindustrie zijn o.m. staven, kabels, buizen, gereedschappen, huishoudelijke artikelen, meubelen en vervoermiddelen. Er zijn assemblagebedrijven voor o.a. radio's, televisies en vervoermiddelen. De chemische industrie is van toenemende betekenis. Producten zijn o.m. zwavelzuur, explosieven, zeep, plastic, verf, cosmetica, farmaceutica en insecticiden. De voedingsmiddelenindustrie produceert tarwe- en maïsmeel, plantaardige olie en margarine, cacao, koffie, suiker en dranken. De textielindustrie verwerkt vooral katoen, maar maakt ook synthetische vezels. Verder worden bouwmaterialen geproduceerd en leer en hout bewerkt.
| 4.5 Energievoorziening |
Waterkracht is verreweg de belangrijkste bron voor de opwekking van elektriciteit; de Congorivier bezit naar schatting 13% van het wereldpotentieel. Tot nu toe werd slechts een klein deel benut. De belangrijkste centrales bevinden zich in de provincie Shaba en bij Kinshasa. Om te kunnen voldoen aan de stijgende vraag van Kinshasa en omgeving werkt men reeds geruime tijd aan de bouw van een grote stuwdam in de benedenloop van de Congorivier, het Ingaproject. Deze dam is van groot belang voor de industriële ontwikkeling. De grote buitenlandse schuld is er de oorzaak van dat het project in 1997 nog steeds op voltooiing wacht.
| 4.6 Handel |
Vanwege zijn rijkdom aan grondstoffen heeft Congo een structureel overschot op de handelsbalans. De export bestaat vooral uit mijnbouwproducten. De uitvoer van agrarische producten neemt in betekenis af. Voornaamste afnemers zijn België, Zuid-Afrika, Verenigde Staten, Duitsland en Italië. Ingevoerd worden chemische producten, ruwe grondstoffen, bouwmaterialen, transportmiddelen, voedsel, aardolie, machines en machineonderdelen. De belangrijkste leveranciers zijn België, Zuid-Afrika, Hongkong en Nigeria.
| 4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking |
In 1977 werd voor het eerst een economisch meerjarenplan gelanceerd, het zgn. Mobutuplan. Dit plan is echter nooit gerealiseerd. Meer geld en moeite werden besteed aan het vijfjarenplan dat tussen 1985 en 1990 verwezenlijkt had moeten worden. Doel van dit plan was het verhogen van de economische groei en de vernieuwing van infrastructuur en industrie. Verslechterende economische omstandigheden hielden de realisering van dit plan tegen. December 1997 besloten de donorlanden in Brussel tot de vorming van een trustfonds onder beheer van de Wereldbank. De nieuwe machthebber Kabila besloot tot erkenning van de buitenlandse schuld en verzocht om een spoedige regeling van de schulden.
| 4.8 Bankwezen |
Centrale Bank is de ‘Banque du Congo’. Er zijn een tiental handelsbanken en een ontwikkelingsbank: de Société Financière de Développement (SOFIDE).
| 4.9 Verkeer |
Van groot belang is het spoorwegnet (5138 km), dat als aanvulling op het uitgestrekte waterwegennet werd aangelegd en geëxploiteerd wordt door de Société Nationale de Chemins de Fer Zaïrois (SNCZ). Het wegennet is groot (145 000 km) maar merendeels onverhard (ca. 85%) en in slechte staat. Waterwegen met een (bevaarbare) lengte van 13 700 km vormen de belangrijkste transportroutes. Belangrijkste rivier is de Congorivier, die over ca. 1600 km bevaarbaar is. Matadi, Boma en Banana zijn de grootste havens. Internationale luchthavens zijn er in Kinshasa (Ndjili), Lubumbashi (Luano), Goma, Bukavu en Kisangani. Daarnaast beschikt het land over een groot aantal kleinere luchthavens, die gebruikt worden door de nationale luchtvaartmaatschappij.
| 5. Geschiedenis |
| 5.1 Portugese invloed |
Voor de komst van de Europeanen bevonden zich op het grondgebied van het huidige Congo enige koninkrijken, waarvan die van de Kongo, de Kuba en de Luba de bekendste waren. De monding van de Congorivier werd in 1482 ontdekt door de Portugees Diego Cão, die haar voor zijn land in bezit nam. De Portugezen stelden tot in de 19de eeuw belang in het inheemse koninkrijk Kongo, dat aan de benedenloop van de stroom, merendeels op thans Angolees gebied, was gelegen. Eerst in de 19de eeuw begon de verkenning van het binnenland vanuit de Afrikaanse oostkust en de Boven-Nijl. In 1832 ontdekten de Portugezen Monteiro en Gamitto de Lualaba, in 1857 de Britten Burton en Speke het Tanganyikameer; de streek ten westen daarvan werd in 1866 vv. door Livingstone verkend, terwijl Schweinfurt in 1870 de Uele, en Cameron in 1875 de bovenlopen van de Lomami en de Kasai ontdekten. Beslissend was de tocht van Stanley, die vanaf oktober 1876 de Lualaba afvoer en in augustus 1877 de monding van de Congorivier bereikte.
| 5.2 Eigendom koning Leopold II |
Door de ontdekkingen werd de belangstelling voor het gebied in Europa gewekt, m.n. van de Belgische koning Leopold II, die in de daaropvolgende jaren expedities financierde en uiteindelijk de Onafhankelijke Kongostaat stichtte, die hij als zijn persoonlijk eigendom bestuurde (zie België § 8.10).
| 5.3 Belgische kolonie |
In 1908 werd de Onafhankelijke Kongostaat officieel een kolonie van België: Belgisch Kongo.
In het begin van de Eerste Wereldoorlog openden de Duitsers op beperkte schaal vijandelijkheden. Kongolese troepen namen daarop deel aan de verovering van de Duitse kolonies Kameroen (1915–1916) en Oost-Afrika (1916–1917). De jaren twintig waren een periode van grote vooruitgang van de kolonie. De inheemse bevolking werd door de overheid tot een progressiever landbouw gebracht, terwijl van Belgische zijde de aanleg van plantages voor de cultuur van rubber, katoen, koffie en palmbomen, alsook de mijnbouw sterke impulsen kregen. Een net van spoor- en straatwegen kwam tot stand. De economische crisis van de jaren dertig onderbrak die economische opgang, maar niet het sociale en culturele werk, nl. de opening van ziekenhuizen en scholen, waarvoor van begin af aan de missie en zending zich hadden ingespannen. Een sterke trek naar de steden, vnl. Leopoldstad (thans Kinshasa) en Elisabethstad (thans Lubumbashi), begon zich af te tekenen, die de patriarchale samenhang van de inheemse gemeenschappen van weleer ondermijnde.
Na de capitulatie van het Belgische leger in de Tweede Wereldoorlog (28 mei 1940) bleef Kongo, onder verantwoordelijkheid van gouverneur-generaal Ryckmans en de minister van Koloniën De Vleeschauwer, aan de zijde van de geallieerden, aan wie het o.a. door levering van grondstoffen kostbare steun verleende. Eenheden van het koloniale leger werden ingezet tegen de Italianen in Ethiopië in de lente van 1941. De oorlog had in de kolonie de welvaart aanzienlijk verhoogd, niet alleen onder de blanke bevolking, die door immigratie na 1945 snel toenam, maar ook onder de inheemsen. Bij dezen had dit o.a. tot gevolg dat het schoolbezoek, ook voor voortgezet onderwijs, toenam, hetgeen een kleine intellectuele en maatschappelijke bovenlaag van inlanders deed ontstaan, die een zeker politiek bewustzijn ging ontwikkelen en o.a. onder de indruk van de liberalisatie van de koloniale verhoudingen in Frankrijk op staatkundige medezeggenschap aandrong. Daaraan werd enigszins tegemoet gekomen door een bestuurshervorming, die in 1957 de benoeming van inheemsen in de adviesraden op verschillend niveau mogelijk maakte en verkozen gemeenteraden in de grotere centra instelde. Naar aanleiding daarvan organiseerden zich politieke partijen, die merendeels op stamverwantschap steunden, o.a. de Abako, onder leiding van Joseph Kasavubu en de MNC (Mouvement National Congolais) onder leiding van Patrice Lumumba, die spoedig volledige onafhankelijkheid eisten. Nadat onlusten te Leopoldstad waren uitgebroken op 4 januari 1959, stelde de Belgische regering verkiezingen, successievelijk voor gemeente-, gewestelijke, provinciale en nationale raden in een nabij, en de onafhankelijkheid in een verwijderd vooruitzicht. Maar de situatie verslechterde; een rondetafelconferentie te Brussel (20 januari – 20 februari 1960) willigde vrijwel alle eisen van de Kongolese afgevaardigden in en besloot tot onafhankelijkheid van de Belgisch Kongo per 30 juni 1960, wat door de wetgevende Kamers werd goedgekeurd.
| 5.4 Sinds de onafhankelijkheid |
In mei 1960 werden in Kongo wetgevende verkiezingen gehouden, waarbij de MNC als sterkste partij uit de bus kwam. Na enig touwtrekken tussen Lumumba en Kasavubu werd laatstgenoemde door het parlement tot president verkozen, terwijl Lumumba een regering samenstelde, waarin vertegenwoordigers van de meeste partijen waren opgenomen. De soevereiniteit werd op de voorziene datum overgedragen in aanwezigheid van koning Boudewijn en van vertegenwoordigers van de Belgische regering, bij welke gelegenheid Lumumba het Belgische koloniale bestuur fel hekelde. Toen op 6 juli de legermacht aan het muiten ging, werd de uittocht van de blanken, die reeds sedert 1959 aan de gang was, tot een massale vlucht, waartoe de Belgische regering een luchtbrug inrichtte onder bescherming van ca. 10 000 naar Kongo gezonden soldaten. De Kongolese regering bestempelde dit optreden als een aanslag op de onafhankelijkheid en diende daarvoor bij de Verenigde Naties een klacht in. Deze vervingen de Belgische troepen door een VN-strijdmacht, samengesteld uit contingenten van Afrikaanse en Aziatische landen en van Ierland en Zweden.
| 5.5 Afscheiding Katanga |
Gebruikmakend van de algemene verwarring, riep de minister-president van Katanga, Moïse Tsjombe, op 11 juli de afscheiding van die provincie uit; hij bleef een politiek van samenwerking met België voeren. De anarchie werd bevorderd door onderlinge twisten in de centrale regering. Op 14 september voerde de stafchef van het leger, Joseph-Désiré Mobutu, een staatsgreep uit. Lumumba vluchtte uit Leopoldstad, werd op 1 december gearresteerd (wat aanleiding gaf tot de vorming van een tegenregering door A. Gizenga in de Oostprovincie) en werd in februari 1961 onder niet opgehelderde omstandigheden in Katanga vermoord, waarop de Sovjet-Unie en andere landen Gizenga's regering erkenden. Op een conferentie te Tananarive (thans Antananarivo) op Madagaskar in maart 1961 besloten Tsjombe en andere leiders tot het omzetten van Kongo in een confederatie van zelfstandige staten. Elk centraal gezag leek ten onder te gaan, maar nadat het parlement in juli Adoula tot minister-president had aangewezen, verzoende Gizenga zich met diens regering en ondernam de VN-troepenmacht in september 1961 en in januari 1963 acties, waardoor de afscheiding van Katanga ongedaan werd gemaakt. Pogingen van Tsjombe, die in juli 1964 Adoula opvolgde, om een algemene verzoening tot stand te brengen, faalden en hadden daarentegen een nieuwe opflakkering van opstanden in het oosten en noordoosten onder de Lumumbisten tot gevolg. Daarop rekruteerde Tsjombe blanke huursoldaten, die met succes een offensief tegen de rebellen inzetten. Teneinde talrijke in het opstandige gebied verblijvende blanken, die door de rebellen als gijzelaars werden vastgehouden en met uitmoording bedreigd waren, te ontzetten, volgde op 24 november 1964 een bevrijdingsactie in Stanleystad (thans Kisangani) en andere plaatsen door Belgische parachutisten, waarna de opstand verzwakte.
Het succes van Tsjombes beleid ten opzichte van de opstand en van enig economisch herstel verwekte echter steeds meer de naijver van Kasavubu, terwijl Tsjombe zelf het presidentschap ambieerde, waarvan de macht in de nieuw ontworpen grondwet aanzienlijk was uitgebreid. Tsjombe werd in oktober 1965 door Kasavubu ontslagen en Kimba tot minister-president benoemd, maar deze kon in het parlement geen meerderheid vinden.
| 5.6 Staatsgreep Mobutu |
Daarop eigende Mobutu zich op 24 november 1965 door een nieuwe staatsgreep alle regeringsmachten toe, zette hij Kasavubu af en riep zichzelf tot president uit. Een nieuwe, op zijn initiatief opgestelde grondwet, waardoor het centraal gezag aanzienlijk, ten koste van de provinciale besturen, werd versterkt, werd in juni 1967 door een plebisciet, waarbij de vrouwen voor de eerste maal stemrecht genoten, goedgekeurd. De grondwet verbood de politieke partijen en maakte de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR) tot de enig toegestane politieke groepering. Een aantal politieke tegenstanders werd na een schijnproces opgehangen (Pinksteren 1967). Later gingen echter blanke huurlingen, misnoegd over het achterwege blijven van betaling, in het oosten van Kongo aan het muiten en maakten zich, onder leiding van J. Schramme, meester van Bukavu, waar zij eerst op 5 november uit verdreven konden worden. De opstand van de huurlingen gaf weer aanleiding tot excessen tegen Europeanen, vnl. Belgen. De regering Mobutu streefde er tevens naar op economisch gebied meester in eigen land te worden. In 1966 werden de bestaande concessies van gronden en mijnen herzien, de Union Minière ‘gekongoliseerd’ en haar bedrijven in 1967 aan een Société Générale Congolaise des Minérales (Gécomines, later Gécamines) overgedragen.
In 1970 werden de eerste presidentsverkiezingen gehouden, waarbij Mobutu werd gekozen. Op 27 oktober 1971 werd de naam van het land officieel gewijzigd in Zaïre. De politiek van zaïrisering werd voortgezet en in 1973 werden alle buitenlandse ondernemingen genationaliseerd, een beleid dat enkele jaren later door de steeds verslechterende economische situatie alweer ongedaan gemaakt moest worden.
| 5.7 Groeiende oppositie tegen Mobutu |
Het regime van Mobutu, dat krachtig gesteund werd door een aantal westerse industrielanden, stuitte evenwel op binnenlandse tegenstand en in 1977 deden guerrillatroepen van het Kongolese Nationale Bevrijdingsfront (FLNC) vanuit Angola een aanval in de provincie Shaba (het vroegere Katanga). De guerrillatroepen bestonden vnl. uit de ex-gendarmes van Tsjombe. Met steun van de Verenigde Staten, Frankrijk en België gelukte het Mobutu de opstandelingen te verdrijven. Uitvoerige zuiveringen in het overheidsapparaat en de legerleiding volgden. In mei 1978 trokken opnieuw FNLC-troepen de provincie Shaba binnen. Ook nu moesten buitenlandse mogendheden ingrijpen en pas na luchtlandingen van Franse en Belgische para's konden de opstandelingen verdreven worden en werd een Interafrikaanse troepenmacht in het gebied gestationeerd.
Het ingrijpen van de westerse landen werd met name in het Oostblok scherp gekritiseerd en in hetzelfde jaar verbrak Zaïre de betrekkingen met de Sovjet-Unie. Wel werden onder druk van de westerse landen en na het aanbieden van uitgebreide financiële en militaire hulp de betrekkingen met Angola weer aangeknoopt en werden verdragen gesloten met Ghana, Senegal en Zambia. De slechte economische situatie en de steeds weer opduikende geruchten over de slechte behandeling van politieke tegenstanders, de grootscheepse corruptie van Mobutu en zijn naaste medewerkers en familie deden de naam van het regime geen goed. In 1979 bleek de buitenlandse schuldenlast zo hoog opgelopen, dat het IMF moest ingrijpen en strenge voorwaarden moest stellen voor nieuwe financiële hulp.
Mobutus autocratische bewind bleef in binnen- en buitenland blootstaan aan groeiende kritiek, vanwege schendingen van mensenrechten, corruptie en economisch wanbeleid. Hij wist zich echter staande te houden door voortdurende reorganisaties van regering en partij en door behendig politiek laveren. In 1986 tekende Zaïre een grensverdrag met Zambia en een samenwerkingsovereenkomst met Angola. Met België kwam Mobutu op gespannen voet te staan, vooral na het bloedbad dat de presidentiële garde in 1990 onder studenten op de universiteit van Lubumbashi aanrichtte. België schortte zijn hulp op en zag af van kwijtschelding van oude schulden. Pas in 1992 vond een verzoening tussen beide landen plaats, die tot gevolg had dat de hulp weer werd hervat.
In 1991 kwam een Nationale Conferentie bijeen, waarin de oppositiepartijen, verenigd in de ‘Heilige Unie’, zich op een nieuwe grondwet gingen voorbereiden. Mobutu zag zich ten slotte na onlusten gedwongen de voorman van deze coalitie, Tshisekedi, tot premier te benoemen. De bevoegdheden tussen president en premier waren niet scherp afgebakend, zodat de bestuurlijke crisis voortduurde. In maart 1993 benoemde Mobutu Faustin Birindwa tot premier. Tshisekedi verwierp de benoeming onmiddellijk en weigerde zijn premierschap op te geven. Mobutu raakte door dit alles internationaal steeds meer geïsoleerd.
| 5.8 Vluchtelingen uit Rwanda |
Met de toelating van politieke partijen in 1991 escaleerde de politieke verwarring. Een oplossing voor de politieke impasse leek in januari 1994 dichterbij gekomen door een overeenkomst tussen de presidentiële stroming (FPC) en de ‘Heilige Unie’, waarin de belangrijkste oppositiegroepen waren vertegenwoordigd. Onder de naam Hoge Raad van de Republiek-Overgangsparlement (HCR-PT) werden de twee rivaliserende, presidentiële en oppositionele politieke organen samengevoegd onder het voorzitterschap van mgr. Laurent Monsengwo, de aartsbisschop van Kisangani.
In juni 1994 koos de HCR-PT met een geringe meerderheid Leon Kengo wa Dondo tot premier. Kengo was de leider van de gematigde oppositiepartij URD, die in mei uit de oppositionele USOR was gezet. De tot de USOR behorende UDPS waarvan de partijleider, Etienne Tshisekedi, sinds 1992 in binnen- en buitenland als de wettige premier werd gezien, boycotte na de verkiezing van Kengo voor korte tijd de HCR-PT. De toevloed van meer dan een miljoen vluchtelingen uit het naburige Rwanda en de organisatie van hun opvang hadden de internationale rehabilitatie van president Mobutu tot gevolg. In de vluchtelingenkampen heersten anarchie en geweld, vooral veroorzaakt door de Hutu-moordeskaders die voor het nieuwe bewind in Rwanda waren gevlucht.
In mei 1995 maakte de regering bekend dat de parlements- en presidentsverkiezingen die voor juli waren gepland, voor onbepaalde tijd werden uitgesteld, o.m. omdat de nieuwe grondwet nog niet was goedgekeurd. Het uitstel wekte vooral verzet op in Shaba, waar velen een federale staat nastreefden. In juli werd mgr. Monsengwo afgezet als voorzitter van de HCR-PT en niet vervangen. Onderhandelingen over een regering van nationale eenheid liepen op niets uit. Premier Kengo kondigde een bezuinigingsprogramma af in een poging de inflatie van 8500% per jaar te bedwingen.
Zaïre en Rwanda kwamen in 1996 overeen Rwandese vluchtelingen te repatriëren. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR sprak zich uit tegen gedwongen repatriëring. Intussen probeerden de Rwandese Hutu-milities in samenwerking met Zaïrese Hutu’s hun positie te consolideren rond de vluchtelingenkampen in Zaïre, waarbij duizenden doden vielen en tienduizenden op de vlucht sloegen. Door de opmars van het rebellenleger onder leiding van Laurent-Désiré Kabila in Oost-Zaïre verloren de Hutu-milities hun greep op de Rwandese vluchtelingen en in november stroomden zo’n 600 000 Hutu’s uit de vluchtelingenkampen terug naar Rwanda. De Hutu-milities trokken het binnenland van Zaïre in.
| 5.9 De val van Mobutu |
President Mobutu verbleef van augustus tot december 1996 in het buitenland voor medische behandeling. Tijdens zijn afwezigheid was in Kinshasa een machtsvacuüm ontstaan, waarin premier Kengo en de legerleiding tegenstrijdige orders gaven. Grote delen van het land, zoals Shaba en Kasai onttrokken zich al langer aan het centrale gezag en in 1996 voegden zich de provincies Noord- en Zuid-Kivu daarbij. Het gedemoraliseerde en slecht betaalde regeringsleger bood nauwelijks tegenstand aan de rebellen, maar zaaide op zijn terugtocht wel dood en verderf onder de burgerbevolking. Rebellenleider Kabila streefde niet naar een afscheiding van Oost-Zaïre, maar naar een machtsovername in Kinshasa.
In april 1997 benoemde Mobutu Etienne Tshisekedi tot premier. Na een week werd hij vervangen door generaal Bolongo. Nadat Kabila’s Alliance des Forces Démocratiques de Libération (AFDL) Lubumbashi, de hoofdstad van Shaba en de tweede stad van Zaïre, had veroverd, stelde zij Mobutu het ultimatum binnen drie dagen het land te verlaten.
Toen de president het ultimatum naast zich neerlegde, hervatten de rebellen hun offensief en veroverden Kananga, de hoofdstad van de provincie West-Kasai, en Kolwezi, een mijnstad in Shaba. Op 17 mei trokken de troepen van Kabila de hoofdstad Kinshasa binnen, een dag nadat Mobutu via Togo naar Marokko was gevlucht, waar hij in november 1997 overleed. Kabila riep zichzelf tot president uit en maakte bekend dat Zaïre voortaan de Democratische Republiek Congo zou heten. Het nieuwe bewind werd door een groot aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, erkend.
| 5.10 De regering-Laurent Kabila |
Als belangrijkste prioriteiten van zijn regering noemde Kabila het herstel van de infrastructuur, de oprichting van centra voor de modernisering van de landbouw en de elektrificatie van het hele land. Hij slaagde erin zijn belangrijkste rivalen uit teschakelen. In april 1997 gaf Kabila onder zware druk van de Verenigde Naties toestemming de laatste Hutu-vluchtelingen, enkele honderdduizenden, te repatriëren. Volgens verschillende internationale organisaties werden er zo'n 150 000 Hutu-vluchtelingen vermist. Opnieuw was er grote internationale pressie nodig om Kabila te laten instemmen met de komst van een VN-onderzoekscommissie, die de beschuldigingen van systematische slachtingen onder Hutu-vluchtelingen moest onderzoeken. Het werk van de commissie werd stelselmatig onmogelijk gemaakt. In april 1998 besloot VN-secretaris generaal Kofi Annan het VN-onderzoeksteam terug te trekken uit Congo. Dezelfde maand verklaarde de Congolese autoriteiten de VN-mensenrechtenrapporteur Roberto Garreton tot persona non grata, nadat de VN-mensenrechtencommissie het bewind van Kaliba had veroordeeld voor ernstige schendingen van de mensenrechten. In het rapport van de commissie werd melding gemaakt van massale slachtpartijen van Hutu-vluchtelingen door troepen van Kabila en het Rwandese leger.
Het aanvankelijke optimisme van het buitenland over het nieuwe bewind had inmiddels plaatsgemaakt voor argwaan en wantrouwen tegen de nieuwe machthebbers en ook in Congo zelf groeide de oppositie. Verschillende politieke opposanten van Kabila werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens opruiing en het overtreden van het verbod op partijpolitieke activiteiten en demonstraties.
De aanwezigheid van buitenlandse troepen in Congo en de dominantie van de Tutsi binnen de AFDL waren veel Congolezen een doorn in het oog. Kabila bouwde de Tutsi-vertegenwoordiging in de regering geleidelijk af en in juni 1998, kort na de derde regeringshervorming binnen een jaar, besloot hij per decreet dat alle buitenlandse troepen het land dienden te verlaten.
Kort daarop brak er in het oosten van Congo een rebellie uit tegen het bewind van Kabila. De opstandelingen, o.a. Banyamulenge (Congolese Tutsi), verenigden zich in het RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie) en openden met militaire steun uit Oeganda en Rwanda twee fronten. Pas na interventie van Angolese en Zimbabwaanse troepen aan de kant van Kabila werd de opmars van de rebellen gestuit. Later stuurden ook Namibië en Tsjaad troepen om Kabila te steunen. De buitenlandse inmenging forceerde echter geen beslissing en ook besprekingen tussen de partijen leidden in 1998 niet tot een oplossing. De (vermeende) betrokkenheid van Rwanda leidde in augustus in het hele land tot een heksenjacht op Rwandezen, met name Tutsi.
In februari 1999 ontbond Kabila zijn regering en stelde voor de vierde keer in twee jaar een nieuwe ministersploeg samen. In zijn nieuwe regering van Nationale Redding werd opnieuw zijn neef Gaëtan Karudji minister van Binnenlandse Zaken en zijn vertrouweling Abdoulaye Yerodia de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Opmerkelijk was de benoeming van Bemba Saolona, oud Mobutu-aanhanger en de vader van MLC-rebellenleider Jean-Pierre Bemba, tot minister van Economische Zaken. In april 1999 besloot Kabila de regerende AFDL te ontbinden en de politieke macht over te hevelen naar volkscomités op dorpsniveau, de zogenaamde Comité du Pouvoir Populaire (CPP).
In 1999 werden opnieuw journalisten, oppositieleden, ambtenaren en politici gearresteerd. Maar ook werden verschillende in 1998 gearresteerde en veroordeelde politici weer vrijgelaten, onder wie UDPS-leiders Mathieu Kalele en François Kabanda, voorts oppositieleider Joseph Olenghankoy. Hun vrijlating was één van de voorwaarden die de oppositie in Kinshasa gesteld had voor eventuele deelname aan een door Kabila aangekondigd nationaal debat over de politieke toekomst van het land, dat echter wegens boycot door de oppositie geen doorgang vond. In 1999 bleef ongeveer eenderde van het land onder controle van de rebellen. Eind 1998 mengde een nieuwe rebellenbeweging zich in de strijd: de Mouvement de Libération du Congo (MLC) onder leiding van Jean-Pierre Bemba, zoon van oud-Mobutu-aanhanger Bemba Saolona, die sinds maart 1999 deel uitmaakte van de regering van Kabila. De MLC had de provincie Equateur als basis en ontwikkelde goede banden met Oeganda.
Onenigheid over de politieke en militaire koers van de RCD leidde tot spanningen binnen de leiding. Half februari verliet vice-president Arthur Ngoma de RCD uit onvrede met de militaire rol van Oeganda en Rwanda en op 16 mei werd RCD-voorman Ernest Wamba dia Wamba in Goma afgezet als leider. Hij vertrok met zijn aanhang naar Kisangani waarmee een splitsing binnen de RCD een feit was. De nieuwe leider van het RCD in Goma, Emile Ilunga, werd gesteund door Rwanda terwijl Wamba dia Wamba zich verzekerde van Oegandese steun. De gespannen relaties en soms openlijke vijandigheid tussen de twee RCD-facties onderling en de RCD en de MLC waren indicatief voor de toenemende onenigheid tussen bondgenoten Oeganda en Rwanda over het voeren van de oorlog. Nadat Rwandese en Oegandese troepen in augustus in Kisangani met elkaar slaags waren geraakt, sloten president Museveni van Oeganda en vice-president Kagame van Rwanda een akkoord. Hierin werd, naast een onmiddellijke wapenstilstand, vastgelegd dat leiders van beide RCD-facties het RCD in de toekomst mogen vertegenwoordigen.
In juli 1999 leidden onderhandelingen in Lusaka tot de ondertekening van een vredesakkoord tussen Angola, Congo, Namibië, Rwanda, Oeganda en Zimbabwe. Aan de ondertekening, onder toezicht van de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), ging een diplomatiek offensief van Zuid-Afrika vooraf. De RCD weigerde in eerste instantie te ondertekenen maar plaatste op 31 augustus alsnog de vereiste handtekeningen onder het verdrag dat voorzag in een onmiddellijk staakt-het-vuren, het vertrek van buitenlandse troepen, ontwapening van gewapende groepen, de integratie van de RCD- en MLC-troepen in een nieuw Congolees leger en het sturen van een VN-vredesmacht. In de loop van 1999 bouwden alle buitenlandse mogendheden met uitzondering van Rwanda en Zimbabwe hun militaire aanwezigheid in Congo af.
Ondanks het staakt-het-vuren ging de strijd tussen het regeringsleger en zijn bondgenoten en de door Rwanda en Oeganda gesteunde rebellengroepen door. De gevechten concentreerden zich in de provincie Kasai in Centraal-Congo, de provincie Ituri aan de grens met Oeganda en de Kivu-regio in Oost-Congo. Het meeste geweld speelde zich echter af ruim achter de frontlinies in de door rebellengroepen gecontroleerde gebieden. Duizenden mensen vonden bij aanhoudend geweld de dood en honderdduizenden sloegen op de vlucht of raakten ontheemd.
| 6. De 21ste eeuw |
De uitvoering van het Lusaka-akkoord verliep in 2000 moeizaam. Milities werden niet ontwapend, buitenlandse troepen werden mondjesmaat teruggetrokken en het geweld hield aan. De komst van de VN-missie MONUC, die diende toe te zien op de wapenstilstand, werd door president Laurent-Désiré Kabila actief tegengewerkt. Rwanda en Oeganda, voorheen bondgenoten, voerden in mei en juni gevechten in Congo. Het nationale politieke debat dat volgens het Lusaka-akkoord gevoerd zou moeten worden, mislukte. In plaats daarvan vormde president Kabila zelf een parlement. De leden werden door Kabila benoemd of door een regeringscommissie geselecteerd.
Etnische Hema en Lendu waren in 1999 slaags geraakt in de oostelijke provincie Ituri, voornamelijk door een conflict over graasrechten. Oegandese regeringstroepen en de door hen gesteunde rebellen van RCD-ML (vnl. Banyamulenge-Tutsi) raakten betrokken. In 2001 werd het conflict bijgelegd, nadat ca. 7000 burgers waren omgekomen en tienduizenden op de vlucht waren geslagen. Jean-Pierre Bemba, leider van een andere door Oeganda gesteunde rebellenclub, de MLC, bemiddelde bij de beëindiging van de strijd.
Laurent-Désiré Kabila werd in januari 2001 vermoord door een van zijn lijfwachten. Zijn zoon Joseph Kabila volgde hem op. Deze liet weten ernst te willen maken met de uitvoering van het Lusaka-akkoord. Hij ontbond het parlement en hief het verbod op politieke activiteit op. Tevens erkende hij de door de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid benoemde oud-president van Botswana, Quett Masire, als bemiddelaar bij de uitvoering van het Lusaka-akkoord. In februari maakten strijdende partijen een aanvang met de terugtrekking van troepen achter het front, en in maart arriveerden de eerste troepen van MONUC.
Ondanks het staakt-het-vuren werd er in 2002 vooral in Oost-Congo nog hevig gevochten. Desondanks werden in het Zuid-Afrikaanse Sun City gesprekken gevoerd over nationale verzoening tussen regering, de belangrijkste rebellengroepen RCD en MLC, en diverse niet-strijdende groeperingen. Er werd geen algemene overeenstemming bereikt. Dat gebeurde wel later, met een akkoord dat in december 2002 in Pretoria werd ondertekend door de regering, MLC en RCD. Het akkoord omvatte de vorming van een overgangsregering die verkiezingen diende voor te bereiden, en een regering met Kabila als president en vier vice-presidenten. De vice-presidenten vertegenwoordigden de regering, de RCD, de MLC en de niet-gewapende oppositie. Het akkoord was mogelijk geworden nadat Kabila overeenstemming had bereikt met Oeganda en Rwanda over terugtrekking van hun troepen uit Congo. Later trok ook Burundi zich terug, gevolgd door Kabila's bondgenoten Angola, Namibië en Zimbabwe. De VN-troepenmacht MONUC werd uitgebreid tot bijna 9000 militairen, en in 2004 tot 16 000.
In april 2003 werd in het Zuid-Afrikaanse Sun City een akkoord bereikt tussen regering en rebellen over de vorming van een overgangsregering en een nieuwe, voorlopige grondwet. Er zou ook een nieuw nationaal leger gevormd worden, waarin leden van de rebellenbewegingen zouden worden opgenomen.
Het conflict tussen Hema en Lendu laaide in 2003 weer in alle hevigheid op. Vooral om de stad Bunia in Ituri werd fel gevochten; de stad werd ingenomen door de door Hema gedomineerde rebellenbeweging UPC. In augustus werd een nieuw akkoord bereikt tussen Hema- en Lendumilities. De VN-Veiligheidsraad had in mei besloten tot het sturen van een interventiemacht naar Bunia, die geleid werd door Frankrijk. Kort daarop werd het mandaat van MONUC versterkt en verlengd.
De VN verrichtte ook onderzoek naar illegale exploitatie van grondstoffen in Congo. Om het vredesproces niet te verstoren werd een deel van het rapport niet openbaar gemaakt, hetgeen wees op betrokkenheid van de strijdende partijen bij de illegale handel.
Regeringstroepen in het oosten raakten in 2004 onderling slaags door conflicten tussen Kinshasagetrouwen en voormalige strijders van de RCD-Goma die in het leger waren opgenomen. De stad Bukavu werd in juni enige tijd ingenomen door de RCD-Goma. Volgens Kinshasa zat Rwanda achter de muiterij. In het gebied waren ook nog Hutumilities actief, de aartsvijanden van de vooral uit Tutsi bestaande RCD-Goma. Veel inwoners van de stad waren gevlucht; 150 Tutsi onder hen werden in augustus in een vluchtelingenkamp in Burundi vermoord.
Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag besloot in 2004 onderzoek te gaan doen naar genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Congo. De Congolese regering was bereid samen te werken met het Strafhof. UPC-leider Thomas Lubanga werd in 2006 als eerste uitgeleverd aan het hof; hij werd onder meer verdacht van verantwoordelijkheid voor de moord op negen VN-militairen uit Bangladesh in 2005.
In december 2005 stemde een ruime meerderheid van de kiesgerechtigden in met een nieuwe grondwet. De constitutie diende de weg vrij te maken naar vrije verkiezingen.