wijsbegeerte
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
wijsbegeerte
3. Geschiedenis van de moderne wijsbegeerte

Met ‘moderne wijsbegeerte’ wordt gewoonlijk de periode aangeduid die met de renaissance begint en tot heden doorloopt. Deze periode is allerminst een eenheid, omdat er zeer veel en totaal verschillende stromingen onder begrepen worden. Omdat de moderne wijsbegeerte ontstaan is toen deze zich als aparte discipline van de godsdienst losmaakte en zich op (natuur)- wetenschappelijke en maatschappelijke problemen ging richten, is het misschien mogelijk als algemeen kenmerk en als punt van overeenstemming tussen veel filosofen aan te geven: het uitgaan van een autonoom en kritisch gebruik van de rede.

3.1 Periodisering

Een exact beginpunt van de moderne wijsbegeerte is niet vast te stellen omdat over het begin van de eerste periode, de renaissance, zeer uiteenlopende opvattingen bestaan. Filosofisch gezien kan men Nicolaas van Cusa (15de eeuw) als de eerste grote vertegenwoordiger van de moderne wijsbegeerte beschouwen. Met Giordano Bruno eindigt de renaissancefilosofie, waarna vanaf ca. 1600 de tijd van de grote systemen begint (o.a. Descartes, Spinoza, Leibniz). Deze gaat over in de Verlichting, die men soms al in de 17de eeuw laat beginnen, maar die in elk geval de 18de eeuw bestrijkt. Omstreeks 1800 begint daarnaast de ontwikkeling van het Duitse idealisme (van Kant tot Hegel). De 19de eeuw is enerzijds gekenmerkt door een voortgaan op de periode rond 1800, anderzijds door een gescheiden ontwikkeling in de verschillende landen (vooral Duitsland, Engeland en Frankrijk). In de 20ste eeuw herkrijgt de wijsbegeerte vanaf de periode tussen de twee wereldoorlogen haar internationaal karakter en beleeft zij een grote bloei in enkele stromingen als existentialisme en neopositivisme. Uitgesproken vruchtbare perioden in de moderne wijsbegeerte zijn derhalve: de eerste helft van de 17de eeuw, de tijd rond 1800 en de tijd rond 1930.

3.2 Renaissancefilosofie

Met het losmaken van de wijsbegeerte uit de theologie gingen gepaard a. een teruggrijpen op de Griekse filosofie, naar vorm en inhoud, en b. een bemoeienis met (natuur)wetenschappelijke problemen. Zo kan men binnen de renaissance resp. een humanistische en een natuurwetenschappelijke stroming onderscheiden. Beide beginnen in Italië in de 15de eeuw, met als voornaamste centra Florence en Padua en met als belangrijkste filosofen: Nicolaas van Cusa (Duitser, maar vooral in Italië werkend), Ficinus, Pico della Mirandola, Pomponazzi en Valla. Een van de belangrijkste thema's was de plaats van de mens in de kosmos, waarbij vooral de onderlinge samenhang van individu en totaliteit werd benadrukt. Hoogtepunt én afsluiting van deze Italiaanse periode is ten tijde van Bruno (16de eeuw).

In het overige West-Europa begon de renaissancefilosofie pas in de 16de eeuw, met een enigszins andersoortige thematiek: daar lag de nadruk veel meer op concrete levensproblemen dan op natuurfilosofische en metafysische speculaties (Erasmus, Lips, Montaigne). Ook werd getracht de filosofie weer voor theologische systeembouw te gebruiken (Melanchthon, Suarez).

3.3 De tijd van de grote systemen (17de eeuw)

Toen de betekenis van de nieuwe natuurwetenschap goed doordrong, ontstond voor de filosofen de behoefte deze in verbinding te brengen met de wijsbegeerte, en het natuurwetenschappelijk onderzoek van een wijsgerig fundament te voorzien. Dit gebeurde vooral bij Descartes (in de continentale filosofie daarom meestal geldend als ‘de vader van de moderne wijsbegeerte’) en bij Francis Bacon (in Engeland als het begin der moderne wijsbegeerte beschouwd). Richtte de aandacht van deze filosofen zich vooral op de methode, latere 17de-eeuwse filosofen hebben getracht de wereld in één omvattende visie te begrijpen. Hierbij zijn twee verschillende tendensen waar te nemen: een materialistische en een spiritualistische, resp. vertegenwoordigd door Gassendi en Hobbes, en door Spinoza, Geulincx, Malebranche en Blaise Pascal. Hierbij werden onderzoekingen naar de grondslagen van de moraal en de inrichting van de staat betrokken. In Engeland bleef de empiristische traditie zich sterk ontwikkelen (Locke, Berkeley) naast het continentale rationalisme (Bayle). Leibniz trachtte een synthese te vormen van empirisme en rationalisme, waarbij hij een al te rationele scepsis en een te ver doorgevoerd empirisme bestreed. Zijn totaalvisie blijft echter fragmentarisch.

3.4 De wijsbegeerte van de Verlichting (18de eeuw)

Hoofdkenmerk van deze periode is het vertrouwen in de mogelijkheden van de mens en vooral van zijn rede. Alles wat onredelijk is, kan en moet worden afgeschaft. Autoriteitsgeloof, vooral op het terrein van godsdienst en moraal, wordt fel bestreden. In Engeland begint de Verlichting met moraalfilosofie (Shaftesbury, Bentham, Mandeville) en met redelijk verantwoorde godsdienst (Toland, Cherbury). In Frankrijk trekt men scherpere consequenties, die leiden tot materialisme en atheïsme. Het filosoferen wordt er niet zozeer door enkele beroemde grote figuren beheerst, maar gebeurt in min of meer vaste groepen, waarvan die om de Encyclopédie de bekendste was (Diderot, d'Alembert, Holbach). In Duitsland ten slotte komt de Verlichting vooral tot uiting in geheel redelijk-systematisch opgebouwde filosofie (Wolff). Als tegenstroom begint in deze periode de romantiek (Herder, Rousseau). Aan het eindpunt van de Verlichting staan als baanbrekers van de huidige wijsbegeerte Hume en Kant.

3.5 Duitse filosofie omstreeks 1800

In Kants filosofie komen alle lijnen van de voorafgaande filosofische richtingen samen. Zijn filosofie vormt een synthese van empirisme, rationalisme, materialisme en spiritualisme, evenals van romantiek en Verlichtingsfilosofie. In zijn voetspoor heeft het Duitse idealisme (Fichte, Schelling, Novalis, Hölderlin, Hegel, Schopenhauer, Schleiermacher) deze synthese op ongekende wijze uitgebouwd, in nauwe samenhang met de gehele culturele opbloei in Duitsland in deze tijd (Goethe, Schiller). Kant onderwierp het gehele gebruik van de rede aan een kritisch onderzoek, waarbij hij constateerde dat alle kennis berust op zintuiglijke waarneming en denken en niet verder reikt dan de ervaringswereld. Dit dualisme van waarneming en verstand willen de filosofen na hem tot één fundament herleiden. In zo'n poging ziet Hegel ziet de totale wereld als de verschijningsvorm van de Geest die zich in een dialectisch proces manifesteert. Hegels filosofie is zo de meestomvattende visie, waarna alleen nog onderdelen hiervan voor uitbouw en kritiek vatbaar zijn.

3.6 Wijsbegeerte van de 19de eeuw

Vertrekkend uit de hegeliaanse positie is er een radicalisering van de wijsbegeerte in Duitsland (jong-hegelianen, Feuerbach, Marx, Engels, en later Nietzsche), zowel in godsdienstig als in maatschappelijk opzicht. Daarnaast blijft zich de filosofie binnen de universitaire kaders bewegen zonder veel belangrijke figuren op te leveren. Evenals in Duitsland blijft ook in de andere landen de filosofie zich geïsoleerd binnen het eigen taalgebied ontwikkelen; in Frankrijk ontstaat het positivisme door toedoen van Comte en later de wetenschapsfilosofie; in Engeland wordt de empiristische lijn voortgezet (John Stuart Mill), waarnaast een enigszins hegeliaans idealisme zich handhaaft. In Nederland oriënteert men zich meestal op Duitsland, maar ook op het Engelse empirisme (Opzoomer); in België oriënteert men zich op Frankrijk.

3.7 Wijsbegeerte van de 20ste eeuw

Op het einde van de 19de eeuw begint zich in Duitsland een nieuwe ontwikkeling af te tekenen, waarbij men weer teruggrijpt op de periode rond 1800 (vooral op Kant en later ook op Hegel). Het katholicisme manifesteert zich in de filosofie door een teruggrijpen op Thomas van Aquino (neothomisme). Naast deze vruchtbare herlevingen op grond van de traditie ontstaat er in de Angelsaksische filosofie een vernieuwing door het pragmatisme (Peirce, James, Dewey). De 20ste eeuw wordt dan vooral gekenmerkt door het ontbreken van een gemeenschappelijke wijsgerige achtergrond en door het bestaan van zeer uiteenlopende, vaak elkaar fel bestrijdende stromingen, zoals het neokantianisme (Cassirer, Hartmann); de fenomenologie (Brentano, Husserl, Scheler); de existentiefilosofie (Heidegger, Jaspers, Sartre); het neomarxisme en de dialectische filosofie (Bloch, Lukács, Marcuse, Habermas); het neopositivisme van de Wiener Kreis (Carnap, Popper) en van Wittgenstein, Russell, Ayer; de analytische filosofie (Moore, Wittgenstein, Ryle); het structuralisme (Lévi-Strauss, Foucault).

Een van de belangrijkste twistpunten is, of de filosofie zich moet beperken tot logisch controleerbare, wetenschappelijk verifieerbare uitspraken, óf zich juist met levensproblemen en diepere, metafysische achtergronden moet bezighouden. Steeds meer is men er echter van overtuigd dat van de filosofie een kritische bezinning op de waarden van onze samenleving wordt gevraagd en op het functioneren van de wetenschappen daarin.

3.8 Wijsbegeerte sinds 1990

Ongetwijfeld was het postmodernisme aan het eind van de 20ste eeuw de meest spraakmakende stroming, ook al was de invloed ervan buiten de filosofie (in de geesteswetenschappen, de kunstwereld en religie) veel groter dan erbinnen. Postmodernisme was, kentheoretisch gezien, sceptisch (waarheid is niet echt bereikbaar) en ethisch-politiek een vorm van relativisme (waarden zijn uiteindelijk niet fundeerbaar, en daarmee verliezen ook normen aan kracht). Prominente Franse denkers, onder wie Foucault, Derrida en Baudrillard, en de Amerikaan Rorty hebben ieder op een eigen manier de teloorgang van waarheid en waarden als erkend filosofisch ideaal gediagnosticeerd. Lyotard benoemde dit afscheid van de Verlichtingsidealen, oftewel van de Moderniteit, vanuit de filosofie als 'postmodernisme' (Jencks deed het daarvoor binnen de architectuur, anderen binnen de letteren). Lyotard legde een waas van eenheid over uiteenlopend gedachtegoed. Waar kwam deze diagnose op neer?

Vanuit het mensenverslindende geschiedenisverloop van de 20ste eeuw is scepsis geboden ten opzichte van de pretenties en geldingskracht van wetenschap en filosofie. Dit geldt vooral de aanspraken op waarheid, rationaliteit en het morele subject. Door de grote rol van tekst en gesproken woord in de westerse samenleving zijn, ongelukkig genoeg, quasi-vanzelfsprekendheden en inconsistenties 'ingedaald' in onze cultuur; zij zitten verstopt in overheersende begrippen, motto's, denkwijzen en zegswijzen. Deze dienen kritisch gedeconstrueerd te worden.

In de afgelopen 20ste eeuw heeft bovendien een pragmatisch (op effect in plaats van op waarheid en theorie gericht), relativistisch modeldenken het roer overgenomen binnen alle kennisverwerving. Op het terrein van de samenleving hebben fascisme, nazisme en communisme en de atomaire militaire technologie het vertrouwen ondermijnd in het bestaan van universeel geldende, fundamentele menselijke waarden. Voorzover nog geldend of werkzaam ontberen deze een mondiale of zelfs brede basis.

De esthetische dimensie van de cultuur onderging daarentegen een sterke opwaardering: verlies aan gelding van de 'inhoud' werd gecompenseerd door meer genieten van de 'vorm'.

Heel wat hedendaagse filosofen tekenden tegen deze postmoderne diagnose verzet aan. Overtrokken relativisme en scepticisme bijten zichzelf nu eenmaal in de staart (relativisme zelf gerelativeerd). Aandacht voor het milieu was sinds 1971 toch een mondiaal erkend thema geworden. Armoede als verschil tussen 'noord' en 'zuid' ontmoette niet meer uitsluitend onverschilligheid in de ontwikkelde landen. Op kentheoretisch gebied heeft een gematigd-realistisch constructivisme de overhand gekregen in plaats van wanhoop aan alle geldige kennis (vruchtbare denkconstructies en modellen zijn wel voorlopig maar niet willekeurig). Vergelijkende zintuigfysiologie van insecten, dieren en mensen bood groeiend inzicht in de betrekkelijkheid van 's mensen waarnemeningsvermogen, maar navenante research over het brein leerde ook veel over de wonderlijke reikwijdte van ons centraal zenuwstelsel.

Wijsgerige kenleer werd steeds constructivistischer. Filosofie, anders dan de gewone disciplines een metawetenschap, kreeg eind 20ste eeuw ook krachtige impulsen vanuit de samenleving en de opmars van de technologie. Vooral de medische en de biotechnologie dwongen een heroriëntatie in de ethiek af. De schaarste aan medische zorg en de vergrijzing forceerden een problematische selectie van patiënten. DNA-technologie dwong tot nadenken over 'voorttelen in het mensenpark' (Peter Sloterdijk). Foucaults kritische motto 'de mens is een moderne uitvinding' (hij doelde op de late 18de eeuw als start daarvan) werd steeds meer bewaarheid. Het Humaan Genoom Project in de genetica riep opnieuw antropologische vragen op over de veronderstelde uniekheid van de mens. Dat na beëindiging van de Koude Oorlog het er in de moderne wereld vreedzamer aan toe zou gaan, werd gelogenstraft door plotseling uitbarstende oorlogen, etnische zuivering en genocide in Afrika, de Balkan, het Midden-Oosten. Agressie en destructiviteit lijken dieper in het species mens te wortelen dan het 'grote verhaal' over beschaving en humanisme suggereerden.