| wijsbegeerte | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
wijsbegeerte of filosofie (v. Gr. philosophia = liefde tot of streven naar kennis, phileoo = beminnen en sophia = wijsheid, kennis).
| 1. Algemeen |
De westerse wijsbegeerte of filosofie is ontstaan bij de oude Grieken, omstreeks 600 v.C. De eersten die zich vragen gingen stellen omtrent de aard, of het wezen van het geheel van de werkelijkheid (de natuur, de wereld, de mens) en het ontstaan ervan, waren de Voor-Socratici, de filosofen die voor Socrates (469–399 v.C.) leefden. Oorspronkelijk stelden filosofen voornamelijk vragen als: Wat is de aard van de werkelijkheid?, of: Wat is zijn?, Waaruit komt het zijnde voort?, Wat is het hoogste zijnde?
Al snel kwamen daarbij de kentheoretische vragen omtrent het vermogen om zekere, of zuivere kennis te verkrijgen (zie kennistheorie). Ook gingen zij de vraag stellen: hoe goed te leven? (ethiek), en de vraag: wat is schoonheid? (esthetica). Deze vragen zijn eigenlijk altijd de belangrijkste vragen van de filosofie gebleven.
Later splitste de wetenschap zich af van de filosofie, waardoor sommige vragen die voorheen filosofisch waren, zoals de vraag naar het functioneren van de zintuigen, niet meer binnen het bereik van de filosofie vielen en er een nieuwe tak van filosofie ontstond: de wetenschapsfilosofie. Wijsbegeerte is een periode vermengd geweest met theologie (zie middeleeuwse wijsbegeerte en scholastiek), in de loop der tijd werd de wijsgerige antropologie (de filosofie van de mens) een onafhankelijke tak van filosofie en gingen filosofen ook nadenken over de aard en het functioneren van taal. In de geschiedenis van de wijsbegeerte zijn er verschillende stromingen geweest die deze problemen steeds weer op een andere manier benaderden; vanuit andere vooronderstellingen en met andere methoden.