| 5. De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog |
| 5.1 Tien miljoen doden, twintig miljoen gewonden |
De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog of, zoals zij toen heette, de Grote Oorlog, gevoerd door moderne geïndustrialiseerde staten, maar met verouderde militaire strategieën, waren catastrofaal: ca. 10 miljoen doden en 20 miljoen gewonden, enorme verwoestingen in Vlaanderen en Noord-Frankrijk en grote gaten in de mannelijke bevolkingsopbouw. Men sprak van het verlies van een hele generatie jonge mannen. De oorlog greep diep in aan het thuisfront, in de miljoenen gezinnen, waarvan de mannen als vrijwilliger of dienstplichtige naar het front waren gegaan. Vaak gingen de vrouwen de opengevallen plaatsen innemen: in de industrie, op het land, in de ambtenarij en in dienstverlenende beroepen. Dit bevorderde overigens de emancipatie van de vrouw. In alle oorlogvoerende landen eigenden de regeringen zich grotere bevoegdheden toe. Ingrijpen van de overheid in het sociaaleconomische leven; censuur en propaganda; manipulatie van de publieke opinie; herhaalde oproepen tot opoffering en spaarzaamheid: aan al dit soort fenomenen moest het publiek wennen.
| 5.2 Omwenteling naar nieuwe waarden |
De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte een geestelijke omwenteling. Tot 1914 roemden veel mensen de zegeningen van de technische vooruitgang. Daarna bleek de techniek in staat de moorddadigste machines voort te brengen (gifgas, duikboten, bommenwerpers, gevechtsvliegtuigen). Oude waarden uit het tijdperk van zekerheden maakten plaats voor cynisme. De ‘Belle Époque’ was kapotgeschoten. Kunstenaars en intellectuelen gingen op zoek naar nieuwe uitdrukkingsvormen. De oorlog vormde de kraamkamer of versterker van allerhande 'ismen' in de kunst (het expressionisme dat heftige emoties uitbeeldt; het absurde dadaïsme (zie dada); het surrealisme dat zoekt in de wereld van het onderbewustzijn), en van grote twijfel aan de oude morele waarden.
| 5.3 Gevolgen van de Vredesconferentie van Versailles |
In 1919 kwam in Versailles de vredesconferentie bijeen. De vrede werd gesloten op basis van het door de idealistische Amerikaanse president Woodrow Wilson naar voren gebrachte zelfbeschikkingsrecht van de volken en het principe van de nationale staat. Dit werd echter alleen toegepast op de gebieden van de overwonnenen en het probleem van de minderheden werd niet adequaat opgelost.
Wilson pleitte voor vrijheid der zeeën, wegnemen van economische barrières, algehele ontwapening en doorvoering van het principe van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. De Franse premier Clemenceau en zijn Britse collega Lloyd George stonden hier sceptisch tegenover. Voor Clemenceau stond het veiligheidsmotief voorop. Lloyd George was ook primair uit op versteviging van de positie van zijn eigen land. In ruil waren zij bereid Wilson zijn stokpaardje, de Volkenbond, te gunnen: deze vredesorganisatie zou een nieuwe wereldoorlog moeten voorkomen.
| 5.3.2 Duitsland is niet aanwezig bij de onderhandelingen |
Het eindresultaat van Versailles was een compromis waar niemand echt tevreden mee was. De Duitsers waren niet eens uitgenodigd en hadden het verdrag maar als een dictaat te slikken. Dit zette kwaad bloed en riep om revanche. Zo droeg 'Versailles' de kiemen van de volgende oorlog in zich. Duitsland moest Elzas-Lotharingen afstaan aan Frankrijk, maar ook gebieden aan België, Denemarken en Polen. Dit laatste land kreeg Opper-Silezië, Posen, West-Pruisen en een corridor naar de Oostzee, die maakte dat Oost-Pruisen gescheiden kwam te liggen van de rest van Duitsland. De stad Danzig werd een vrijstaat onder Volkenbondsbestuur.
| 5.3.3. Uiteenvallen van de Donaumonarchie |
Terwijl Duitsland, hoe gekortwiekt ook, grotendeels intact bleef, viel de Habsburgse Donaumonarchie uiteen. In een apart verdrag werd bepaald dat Servië en Montenegro de voormalige Habsburgse bezittingen Dalmatië, Slovenië en Bosnië-Herzegovina kregen. Uit deze fusie ontstond Joegoslavië. Roemenië kreeg Transsylvanië, terwijl Tsjechen met Slowaken werden samengevoegd tot de republiek Tsjechoslowakije. De beide kernlanden van het keizerrijk, Oostenrijk en Hongarije, bleven als zelfstandige republiekjes over. Territoriale versnippering deed zich ook voor langs de Oostzeekust: de onafhankelijkheid van Finland, Estland, Letland, Litouwen en Polen werd erkend. Deze voormalige delen van het tsarenrijk profiteerden van het zelfbeschikkingsrecht. Zij werden ook beschouwd als een buffer om de gevreesde opmars van het Russische communisme tegen te houden.
| 5.3.4 Zware straf voor Duitsland |
In Versailles legden de Geallieerden de schuld voor de oorlog bij Duitsland en zijn bondgenoten. Behalve gebiedsverlies moesten de Duitsers een hele reeks andere maatregelen slikken. Zij verloren al hun kolonies. Het Rijnland werd gedemilitariseerd. Duitsland moest de vloot inleveren, mocht geen luchtmacht meer bezitten en mocht een beroepsleger hebben van hoogstens 100 000 man. Deze inkrimping werd verkocht als eerste stap naar internationale ontwapening, maar de andere landen reduceerden hun strijdkrachten nauwelijks, waardoor Duitsland zich gediscrimineerd voelde. De Geallieerden maakten het bedrag aan herstelbetalingen zo hoog (132 miljard Goudmark), dat Duitsland het nooit zou kunnen opbrengen.
Duitsland beschouwde het Verdrag van Versailles (1919) als een ‘Friedensdiktat’. Twee grote staten, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, namen geen verantwoordelijkheid voor de vredesverdragen. Bovendien waren de Verenigde Staten de machtigste staat en de grootste schuldeiser van de wereld geworden. Het Turkse Midden-Oosten werd verdeeld tussen Franse en Britse protectoraten, ‘mandaatgebieden’ geheten, terwijl men zowel aan de zionisten (Balfourdeclaratie, 1917) als aan de Arabieren vervulling van de nationale verlangens had voorgespiegeld. Het opportunistische Japan profiteerde van de oorlog en nam de economische machtspositie van de Britten in het Verre Oosten over.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.