| Eerste Wereldoorlog | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 4. Manier van oorlogvoeren |
| 4.1 Moderne wapens maar ouderwetse legerleiding |
De Eerste Wereldoorlog geldt als de eerste oorlog waarin soldaten op een industriële schaal werden gedood. Dat was een gevolg van het feit dat er een aantal moderne wapens werd gehanteerd, maar dat de generaals nog grotendeels vasthielden aan oude, negentiende-eeuwse tactieken. De verwoestende uitwerking hiervan blijkt het duidelijkst uit het beeld van soldaten die van hun commandant het bevel krijgen een doorbraak te forceren door hun loopgraaf uit te klimmen en dwars door het niemandsland richting de vijand op te rukken, en die dan vervolgens, zodra zij buiten hun loopgraaf zijn, genadeloos worden neergemaaid door het vijandelijke mitrailleurvuur. Dit gebeurt niet één keer maar vele keren.
| 4.2 Mitrailleurs, granaten, gifgas en tanks |
De mitrailleur was een nieuw wapen in de Eerste Wereldoorlog, net als granaten, en gifgas (strijdgassen), voor het eerst gebruikt door de Duitsers in de tweede Slag bij Ieper (april-mei 1915). De artillerie was verder ontwikkeld en had een groter bereik. Voor het eerst waren de doelwitten niet te zien en werd dus niet gericht geschoten. De nieuwe wapens, met name de mitrailleur, zorgden ervoor dat de verdediger altijd in het voordeel was. Andere nieuwe vindingen, zoals de tank (voor het eerst door de Britten ingezet tijdens de Slag aan de Somme van 1916) en het gevechtsvliegtuig, en ook de geschikte tactieken voor deze wapens, waren nog niet ver genoeg ontwikkeld om de patstelling te doorbreken.
| 4.3 Loopgravenoorlog |
De loopgraven zijn dan ook synoniem geworden voor de Eerste Wereldoorlog. In de zomer van 1914 werd door beide partijen nog gedacht aan een snelle overwinning. Aan het westfront zorgde de mislukking van het Von Schlieffenplan er echter voor dat de oorlog daar al in het najaar van 1914 vastliep. Aan het oostfront was de strijd in mindere mate een stellingenoorlog. In de loopgraven, die steeds verder geperfectioneerd werden, leidden de soldaten doorgaans een saai bestaan, al stonden zij er constant bloot aan het gevaar van bombardementen en aanvallen met gifgas. Ze moesten leren leven met de angst voor sluipschutters, en met ratten.
De generaals hielden ondertussen vaak vast aan de vertrouwde tactieken die zij op de militaire academies hadden geleerd. Daarin was nog plaats voor heroïek. Bevelhebbers als de Britse Douglas ‘Butcher’ Haig dachten dat hun soldaten een goede kans zouden maken op de overwinning, als zij maar vastbesloten zouden zijn en voldoende moed toonden. Maar tegen de dodelijke wapens die in de Eerste Wereldoorlog werden gehanteerd, was geen heldenmoed opgewassen. Bij de veldslagen aan het westfront werden dan ook vaak slechts enkele kilometers terreinwinst geboekt, ten koste van honderdduizenden doden.
Aanvallen konden wel slagen als de soldaten die de vijandelijke loopgraaf moesten innemen op de juiste manier ondersteund werden door beschietingen van hun artillerie, maar dit gebeurde slechts zelden. Daarbij kwam dat er eigenlijk geen geschikte wapens waren voor aanvallende soldaten. De meeste offensieven mislukten. Pas in 1918, met de Amerikaanse deelname aan de oorlog, kon een doorbraak worden geforceerd nadat veel mannen en materieel beschikbaar waren gekomen.
| 4.4 Luchtsteun |
Voor het eerst werd in de Eerste Wereldoorlog ook in de lucht gevochten, al werden vliegtuigen nog voornamelijk gebruikt voor verkenningsdoeleinden. Er vonden wel enkele slagen tussen vliegtuigen in de lucht plaats. Ook werden vliegtuigen gebruikt voor bombardementen, net als zeppelins. De Duitse luchtschepen zaaiden zelfs dood en verderf onder burgers in Engelse steden.
| 4.5 Duikboten |
De enige grote zeeslag van de oorlog was de Slag bij Jutland, op 31 mei en 1 juni 1916. De slag zelf bleef onbeslist, maar het Duitse doel, het doorbreken van de Britse zeeblokkade, werd niet bereikt. Van meer belang was de duikbotenoorlog. De keuze van de Duitsers in 1917 om ook neutrale schepen te bombarderen, zou leiden tot de Amerikaanse deelname aan de oorlog en daarmee aan de Duitse nederlaag.
| 4.6 Dienstplicht |
In de meeste landen was er al in 1914 een dienstplicht. Alleen de Britten stuurden een beroepsleger naar het continent, de British Expeditionary Force, dat grotendeels bestond uit veteranen die gevechtservaring hadden opgedaan in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Dit leger was echter al snel ‘opgebruikt’, waarna het Britse ministerie van Defensie een campagne begon om vrijwilligers te werven met de slogan ‘Your country needs you!’. Hele dorpen, sportclubs en schoolklassen konden zich tegelijk inschrijven om bijeen te worden gevoegd in pal batallions. Voordat deze regimenten in de slag aan de Somme ‘op’ dreigden te raken, met alle sociale gevolgen voor het thuisfront vandien (dorpen konden op één dag van een hele generatie aan jongemannen beroofd worden), kwam er ook in Groot-Brittannië een dienstplicht (begin 1916).
| 4.7. ‘Totale’ oorlog |
Behalve de dienstplicht waren er meer redenen waarom de Eerste Wereldoorlog een totale oorlog genoemd kan worden. De strijd onttrok grote hoeveelheden goederen en diensten aan de maatschappij: voedsel, brandstof, kleding, laarzen, medicijnen, zeep, vervoersfaciliteiten en medische voorzieningen. De regeringen van de oorlogvoerende landen vergrootten hun controle over de industriële productie. Steeds meer vrouwen moesten worden ingeschakeld om het werk van de mannen die aan het front dienden over te nemen.