| Eerste Wereldoorlog | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 1. Voorgeschiedenis, aanleiding en oorzaken |
| 1.1 Stand van zaken aan het eind van de 19de eeuw |
De late 19de eeuw werd gekenmerkt door optimisme met betrekking tot de economische en sociale vooruitgang, door nationalisme en imperialisme. De ‘belle époque’-maatschappij leek bezeten door slechts één ideologie: die van het materialisme. Veel politieke zetten op het schaakbord waren gebaseerd op streven naar hogere omzetten, met afzetmarkten, kartelvorming, marktbeheersing, marktverdeling, enzovoort. In deze sfeer wilden militairen hun lang gekoesterde ‘plannen’ ten uitvoer brengen en de politici, al of niet door een parlementaire democratie gebonden, wilden voor de militairen niet onderdoen. De invloed van de kranten was groot. Men was gefascineerd door het cijfermateriaal dat de statistici opleverden: steenkool- en staalproductie, tonnage van schepen, sterkte van legers, bevolkingsgroei – het waren stuk voor stuk elementen waarmee de kleine burger dagelijks werd geconfronteerd en waardoor zijn vaderlandsliefde werd aangewakkerd. Het proletariaat had zijn eerste sociale overwinningen geboekt, maar de Tweede Internationale was verdeeld door een Frans-Duits verschil van inzicht (Jean Jaurès versus Karl Johann Kautsky), waardoor de socialistische partijen nationalistisch van karakter werden.
| 1.2 Triple Alliantie en Triple Entente – twee machtsblokken |
Sinds 1907 waren twee groepen van Europese mogendheden door een aantal militaire verdragen en ententes met elkaar verbonden. Aanvankelijk waren echter zowel de mogendheden van de Triple Alliantie (de latere Centralen) als die van de Triple Entente (de latere Geallieerden) onderling nog sterk verdeeld. In de Triple Alliantie bleef Italië een zeer onzekere bondgenoot, terwijl de verstandhouding in de Triple Entente tussen Rusland en Groot-Brittannië slecht was.
Rusland was door de Japans-Russische Oorlog verzwakt en Oostenrijk-Hongarije maakte van de kans gebruik om in 1908 Bosnië-Hercegovina in te lijven, wat in strijd was met de bepalingen van het Congres van Berlijn. Servië, Turkije en vooral Rusland reageerden heftig, maar Rusland durfde niet daadwerkelijk in te grijpen, omdat zijn bondgenoten Frankrijk en Groot-Brittannië in deze zaak geen positie kozen. Dit landjepik van Oostenrijk-Hongarije wakkerde het Servische nationalisme sterk aan.
| 1.3 Frankrijk en Duitsland ruziën over Marokko |
Om Frankrijk neutraal te houden in de kwestie-Bosnië had de Duitse keizer Wilhelm II concessies aan Frankrijk gedaan ten gunste van Frankrijks imperialistische politiek in Marokko. Belangrijke voorwaarde was dat Duitsland voor de helft zou mogen bijdragen tot de economische uitrusting van dit land (1909). Frankrijk, gesteund door Groot-Brittannië, hield zich niet aan deze belofte, legde beslag op de tolrechten in Marokko en bezette de heilige stad Fez. Wilhelm II eiste echter stevige compensatie voor Marokko; hij liet de kanonneerboot Panther, op terugreis naar Zuid-Afrika, in Agadir binnenlopen om de ‘Duitse belangen’ te verdedigen. De pers in Frankrijk en Engeland sprak van de ‘Panthersprong naar Agadir’. Uit de onderhandelingen verkreeg Duitsland slechts een klein stuk van Frans Kongo; zowel Duitsland als Frankrijk was meer dan ooit gefrustreerd.
| 1.4 Groot-Brittannië en Duitsland en de vlootkwestie |
De tegenstellingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland kwamen voort uit de vlootkwestie. Londen hield vast aan het principe dat zijn vloot ten minste even sterk moest zijn als die van de sterkste twee mogendheden samen. De Duitse admiraal Von Tirpitz had, met de keizer, andere ideeën over deze zaak. Vanaf 1898 bouwden zij een imposante Hochseeflotte, die de Britten uitdaagde op hun beurt hun Royal Navy te voorzien van de geduchte Dreadnoughts (slagschepen), waardoor een fatale bewapeningwedloop ontstond. In 1912 voerde Lord Haldane, Brits minister van Oorlog, besprekingen in Potsdam. Duitsland wilde zijn vlootprogramma slechts inkrimpen als Groot-Brittannië de Triple Entente losliet. Hiertoe was Londen niet bereid en de relatie met Duitsland verkoelde aanzienlijk.
| 1.5 Balkanoorlogen |
De Turkse overheersing van Macedonië was een doorn in het oog van de Groot-Servische Beweging. Met hulp van Rusland gingen Serven, Grieken en Bulgaren in 1912 in het offensief tegen Turkije (Eerste Balkanoorlog). Turkije werd verslagen, maar bij het verdelen van de buit bleken de bondgenoten het niet eens: een Tweede Balkanoorlog was nodig om te komen tot het Verdrag van Boekarest, waarbij Bulgarije zich met heel wat minder winst tevreden moest stellen. Rusland had zijn invloed in de Balkan flink verstevigd, zodat de Donaumonarchie en Duitsland zich geen enkele concessie aan Servië meer konden veroorloven. In 1912 en 1913 werden de banden tussen de verschillende partners nauwer aangehaald (Frankrijk/Rusland; Frankrijk/Groot-Brittannië; Duitsland/Oostenrijk-Hongarije).
| 1.6 1913, Oorlogspsychose |
Sinds 1913 werd de effectiviteit van de legers in vredestijd verhoogd, eerst bij de leden van de Triple Alliantie (de latere Centralen), daarna bij de Triple Entente (de latere Geallieerden). Zelfs het neutrale België voerde in 1913 de algemene dienstplicht in. Alleen Groot-Brittannië en Italië deden voorlopig niet mee. Deze bewapeningswedloop heeft bijgedragen tot het scheppen van een oorlogspsychose die bevorderlijk was voor de rechtvaardiging van de grote oorlogsuitgaven. In 1914 wilde niemand in Europa een ‘grote oorlog’, maar iedereen achtte een snelle diplomatieke overwinning, desnoods met militaire acties, vanzelfsprekend.
| 1.7 De Balkan, het kruitvat van Europa |
De Balkan vormde het 'kruitvat van Europa'. Hier streefden Oostenrijk-Hongarije en Rusland naar invloed. Toen de regering in Wenen, die kampte met nationalistische onrust onder haar Slavische onderdanen, in 1908 Bosnië-Hercegovina inlijfde (hoofdstad: Sarajevo) was dit tegen de zin van het kleine buurland Servië, dat zelf een oogje had op dit gebied. Er woonden immers veel Serviërs. Servië, de luis in de pels van Oostenrijk-Hongarije, wist zich gesteund door Rusland. Dit land droeg het panslavisme uit, een streven om alle Slaven van het Oostenrijkse en Turkse juk te bevrijden en te verenigen in een federatie onder leiding van Rusland. Het panslavisme was tegelijk ook een dekmantel voor het Russische streven naar beheersing van de Bosporus en de Dardanellen.
Bondgenootschappen, bedoeld als garantie voor vrede, bleken in 1914 een rampzalige uitwerking te hebben. Toen het ene kruitvat (de Balkan) explodeerde, werden door dit noodlottige lontensysteem automatisch de andere (Elzas-Lotharingen; vlootbouw) geactiveerd. Zo lieten de meest geavanceerde industrielanden (Frankrijk, Duitsland, Engeland), die veel te verliezen hadden en dus gebaat waren bij vrede, zich in een fatale spiraal meetrekken door Rusland en Oostenrijk, twee mogendheden met regimes die op hun laatste benen liepen en daardoor onverantwoorde risico's durfden te nemen.