| Zoekweergave | Eerste Wereldoorlog | Terug |
| Introductie |
Eerste Wereldoorlog, de van 1914 tot 1918 gevoerde oorlog in Europa tussen de Centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije) en de Geallieerden (Frankrijk, Engeland, Rusland, België, Servië, later ook Italië, Roemenië en de Verenigde Staten).
| 1. Voorgeschiedenis, aanleiding en oorzaken |
| 1.1 Stand van zaken aan het eind van de 19de eeuw |
De late 19de eeuw werd gekenmerkt door optimisme met betrekking tot de economische en sociale vooruitgang, door nationalisme en imperialisme. De ‘belle époque’-maatschappij leek bezeten door slechts één ideologie: die van het materialisme. Veel politieke zetten op het schaakbord waren gebaseerd op streven naar hogere omzetten, met afzetmarkten, kartelvorming, marktbeheersing, marktverdeling, enzovoort. In deze sfeer wilden militairen hun lang gekoesterde ‘plannen’ ten uitvoer brengen en de politici, al of niet door een parlementaire democratie gebonden, wilden voor de militairen niet onderdoen. De invloed van de kranten was groot. Men was gefascineerd door het cijfermateriaal dat de statistici opleverden: steenkool- en staalproductie, tonnage van schepen, sterkte van legers, bevolkingsgroei – het waren stuk voor stuk elementen waarmee de kleine burger dagelijks werd geconfronteerd en waardoor zijn vaderlandsliefde werd aangewakkerd. Het proletariaat had zijn eerste sociale overwinningen geboekt, maar de Tweede Internationale was verdeeld door een Frans-Duits verschil van inzicht (Jean Jaurès versus Karl Johann Kautsky), waardoor de socialistische partijen nationalistisch van karakter werden.
| 1.2 Triple Alliantie en Triple Entente – twee machtsblokken |
Sinds 1907 waren twee groepen van Europese mogendheden door een aantal militaire verdragen en ententes met elkaar verbonden. Aanvankelijk waren echter zowel de mogendheden van de Triple Alliantie (de latere Centralen) als die van de Triple Entente (de latere Geallieerden) onderling nog sterk verdeeld. In de Triple Alliantie bleef Italië een zeer onzekere bondgenoot, terwijl de verstandhouding in de Triple Entente tussen Rusland en Groot-Brittannië slecht was.
Rusland was door de Japans-Russische Oorlog verzwakt en Oostenrijk-Hongarije maakte van de kans gebruik om in 1908 Bosnië-Hercegovina in te lijven, wat in strijd was met de bepalingen van het Congres van Berlijn. Servië, Turkije en vooral Rusland reageerden heftig, maar Rusland durfde niet daadwerkelijk in te grijpen, omdat zijn bondgenoten Frankrijk en Groot-Brittannië in deze zaak geen positie kozen. Dit landjepik van Oostenrijk-Hongarije wakkerde het Servische nationalisme sterk aan.
| 1.3 Frankrijk en Duitsland ruziën over Marokko |
Om Frankrijk neutraal te houden in de kwestie-Bosnië had de Duitse keizer Wilhelm II concessies aan Frankrijk gedaan ten gunste van Frankrijks imperialistische politiek in Marokko. Belangrijke voorwaarde was dat Duitsland voor de helft zou mogen bijdragen tot de economische uitrusting van dit land (1909). Frankrijk, gesteund door Groot-Brittannië, hield zich niet aan deze belofte, legde beslag op de tolrechten in Marokko en bezette de heilige stad Fez. Wilhelm II eiste echter stevige compensatie voor Marokko; hij liet de kanonneerboot Panther, op terugreis naar Zuid-Afrika, in Agadir binnenlopen om de ‘Duitse belangen’ te verdedigen. De pers in Frankrijk en Engeland sprak van de ‘Panthersprong naar Agadir’. Uit de onderhandelingen verkreeg Duitsland slechts een klein stuk van Frans Kongo; zowel Duitsland als Frankrijk was meer dan ooit gefrustreerd.
| 1.4 Groot-Brittannië en Duitsland en de vlootkwestie |
De tegenstellingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland kwamen voort uit de vlootkwestie. Londen hield vast aan het principe dat zijn vloot ten minste even sterk moest zijn als die van de sterkste twee mogendheden samen. De Duitse admiraal Von Tirpitz had, met de keizer, andere ideeën over deze zaak. Vanaf 1898 bouwden zij een imposante Hochseeflotte, die de Britten uitdaagde op hun beurt hun Royal Navy te voorzien van de geduchte Dreadnoughts (slagschepen), waardoor een fatale bewapeningwedloop ontstond. In 1912 voerde Lord Haldane, Brits minister van Oorlog, besprekingen in Potsdam. Duitsland wilde zijn vlootprogramma slechts inkrimpen als Groot-Brittannië de Triple Entente losliet. Hiertoe was Londen niet bereid en de relatie met Duitsland verkoelde aanzienlijk.
| 1.5 Balkanoorlogen |
De Turkse overheersing van Macedonië was een doorn in het oog van de Groot-Servische Beweging. Met hulp van Rusland gingen Serven, Grieken en Bulgaren in 1912 in het offensief tegen Turkije (Eerste Balkanoorlog). Turkije werd verslagen, maar bij het verdelen van de buit bleken de bondgenoten het niet eens: een Tweede Balkanoorlog was nodig om te komen tot het Verdrag van Boekarest, waarbij Bulgarije zich met heel wat minder winst tevreden moest stellen. Rusland had zijn invloed in de Balkan flink verstevigd, zodat de Donaumonarchie en Duitsland zich geen enkele concessie aan Servië meer konden veroorloven. In 1912 en 1913 werden de banden tussen de verschillende partners nauwer aangehaald (Frankrijk/Rusland; Frankrijk/Groot-Brittannië; Duitsland/Oostenrijk-Hongarije).
| 1.6 1913, Oorlogspsychose |
Sinds 1913 werd de effectiviteit van de legers in vredestijd verhoogd, eerst bij de leden van de Triple Alliantie (de latere Centralen), daarna bij de Triple Entente (de latere Geallieerden). Zelfs het neutrale België voerde in 1913 de algemene dienstplicht in. Alleen Groot-Brittannië en Italië deden voorlopig niet mee. Deze bewapeningswedloop heeft bijgedragen tot het scheppen van een oorlogspsychose die bevorderlijk was voor de rechtvaardiging van de grote oorlogsuitgaven. In 1914 wilde niemand in Europa een ‘grote oorlog’, maar iedereen achtte een snelle diplomatieke overwinning, desnoods met militaire acties, vanzelfsprekend.
| 1.7 De Balkan, het kruitvat van Europa |
De Balkan vormde het 'kruitvat van Europa'. Hier streefden Oostenrijk-Hongarije en Rusland naar invloed. Toen de regering in Wenen, die kampte met nationalistische onrust onder haar Slavische onderdanen, in 1908 Bosnië-Hercegovina inlijfde (hoofdstad: Sarajevo) was dit tegen de zin van het kleine buurland Servië, dat zelf een oogje had op dit gebied. Er woonden immers veel Serviërs. Servië, de luis in de pels van Oostenrijk-Hongarije, wist zich gesteund door Rusland. Dit land droeg het panslavisme uit, een streven om alle Slaven van het Oostenrijkse en Turkse juk te bevrijden en te verenigen in een federatie onder leiding van Rusland. Het panslavisme was tegelijk ook een dekmantel voor het Russische streven naar beheersing van de Bosporus en de Dardanellen.
Bondgenootschappen, bedoeld als garantie voor vrede, bleken in 1914 een rampzalige uitwerking te hebben. Toen het ene kruitvat (de Balkan) explodeerde, werden door dit noodlottige lontensysteem automatisch de andere (Elzas-Lotharingen; vlootbouw) geactiveerd. Zo lieten de meest geavanceerde industrielanden (Frankrijk, Duitsland, Engeland), die veel te verliezen hadden en dus gebaat waren bij vrede, zich in een fatale spiraal meetrekken door Rusland en Oostenrijk, twee mogendheden met regimes die op hun laatste benen liepen en daardoor onverantwoorde risico's durfden te nemen.
| 2. Begin van de Eerste Wereldoorlog |
De moord op aartshertog-troonopvolger Frans Ferdinand en zijn echtgenote op 28 juni 1914 in Sarajevo door de Serviër Gavrilo Princip werd door Oostenrijk aangegrepen om met één slag zijn prestige in de Balkan te herstellen. De rechtstreekse medeplichtigheid van Servië aan de moord was niet bewezen, maar Oostenrijk-Hongarije stelde Servië en de Groot-Servische Beweging hiervoor aansprakelijk. Een maand later, op 23 juli, stuurde de Oostenrijkse keizer Frans Jozef I, na ruggespraak met keizer Wilhelm II, een ultimatum aan Servië. Hierin eiste de Donaumonarchie de bestraffing, onder haar controle, van de moordenaars. Servië stemde toe het conflict te onderwerpen aan het Permanente Hof van Arbitrage te Den Haag, maar weigerde een Oostenrijks onderzoek op Servische bodem. Oostenrijk verbrak daarop de onderhandelingen (25 juli) en op 28 juli verklaarde het Servië de oorlog.
Op 29 juli mobiliseerde Rusland gedeeltelijk zijn troepen om Oostenrijk te intimideren en op 30 juli ging tsaar Nicolaas II over tot algemene mobilisatie en traden de militaire verdragen met Frankrijk en Groot-Brittannië in werking. Op 31 juli stuurde Duitsland ultimatums naar Rusland en naar Frankrijk. Van Rusland werd geëist dat het de mobilisatie zou stopzetten en aan Frankrijk werd gevraagd om zijn houding kenbaar te maken. Rusland antwoordde niet meer, zodat Duitsland op 1 augustus Rusland de oorlog verklaarde. Frankrijk antwoordde dat het zou handelen ‘naar eigen belang’ en ontving op 3 augustus de Duitse oorlogsverklaring.
| 3. Verloop van de oorlog |
| 3.1 Von Schlieffenplan |
Volgens het Duitse krijgsplan, het Von Schlieffenplan(zie Alfred von Schlieffen), moest eerst Frankrijk verslagen zijn, voordat het Duitse leger tegen de 'Russische stoomwals' kon optrekken. Dit zou moeten lukken in zes weken tijd. Het Duitse leger trok daarom door het neutrale België in een poging Noord-Frankrijk te overvallen en Parijs te omsingelen. Daarop verklaarde Groot-Brittannië aan Duitsland de oorlog.
| 3.2 Schending van de neutraliteit van België |
Op 31 juli 1914 had Groot-Brittannië aan Frankrijk en aan Duitsland gevraagd of ze de Belgische neutraliteit zouden eerbiedigen. Frankrijk had hierop positief gereageerd; Duitsland kwam echter met de wedervraag of Groot-Brittannië neutraal zou blijven als Duitsland de Belgische neutraliteit zou eerbiedigen. Hierop kwam geen antwoord. Het Duitse ultimatum aan België kwam op 2 augustus. België weigerde de vrije doortocht van de Duitse troepen en deed een beroep op de Britse garantie van zijn neutraliteit. Op 4 augustus 1914 overschreden de Duitse troepen het Belgische grondgebied, met als gevolg dat Groot-Brittannië, als derde lid van de Triple Entente, in oorlog was met Duitsland en de Donaumonarchie.
| 3.3 Opmars van de Duitse troepen |
De Duitsers zagen bij de uitvoering van het Von Schlieffenplan af van een doortocht door Nederland. Opperbevelhebber Von Moltke achtte in augustus 1914 een Duitse rechterflank die in het Belgische Bergen (Mons) al naar het zuiden omboog om Parijs te bereiken, voldoende. Vanwege het felle verzet van de forten van Luik en de bedreiging in de rug van de vesting Antwerpen trok de Duitse rechterflank onder Von Kluck langzamer en met minder troepen naar Parijs. De Duitsers ondervonden moeilijkheden met hun bevoorrading en bereikten in gebroken slaglinie de Franse rivier de Marne. Op het moment dat deze Duitse beweging haar maximum had bereikt, volgde een Franse tegenaanval: de Franse opperbevelhebber, Joffre, geassisteerd door de commandant van Parijs, Galiéni, lanceerde een krachtige tegenstoot aan de Marne. De Duitsers werden teruggeslagen tot aan de Aisne.
| 3.4 Slag aan de IJzer, begin van de loopgravenoorlog |
Intussen waren de Britten (British Expeditionary Forces, BEF) op het continent gearriveerd. De Duitsers trachtten nu met alle macht de ‘wedloop naar Het Kanaal' te winnen. Ze rekenden af met de vesting Antwerpen, maar konden niet beletten dat koning Albert met een deel van het Belgische leger wist te ontsnappen en stelling kon nemen achter de rivier de IJzer. De Britten hadden de sector bij Ieper bezet en de Fransen lagen meer zuidwaarts. In oktober-november had de eerste Slag van Ieper plaats. De Slag aan de IJzer was daar het eerste onderdeel van. Ondanks heftige pogingen konden de Duitsers de Geallieerden niet uit hun stellingen verdrijven. Maar evenmin konden de Geallieerden in december in Artesië en in Champagne enige beduidende successen boeken. Vanaf Nieuwpoort tot de Frans-Zwitserse grens bij Bazel groef men zich in; het werd een stellingenoorlog.
| 3.5 Rusland en Turkije |
De Russen waren eerder gemobiliseerd dan de Centralen hadden vermoed en vielen Oost-Pruisen en Galicië binnen. De Duitse generaal Paul von Hindenburg kon ze bij Tannenberg verslaan in september 1918, maar de Oostenrijkers verloren Lemberg (Lvov) en konden evenmin iets uithalen tegen de Serviërs (Slag om Belgrado). In november probeerden de Duitsers Warschau in te nemen, maar zij slaagden daarin niet. Op 1 november trad Turkije in de oorlog aan de kant van de Centralen. Rusland was hierdoor van de Middellandse Zee afgesloten en een Britse aanval op het Turkse Midden-Oosten werd steeds waarschijnlijker.
| 3.6 Uitbreiding van de bondgenoten |
Wat zich in augustus 1914 had aangediend als militaire wandelingen tussen enkele Europese hoofdsteden, bleek aan het einde van 1914 uit te gaan lopen op een van de grootste slachtpartijen uit de westerse geschiedenis. Elk kamp zocht naar nieuwe bondgenoten. De Geallieerden kregen de steun van Japan, Italië (zie irredentisme), Roemenië, Griekenland en ten slotte de Verenigde Staten; de Centralen brachten Turkije en Bulgarije in hun kamp. Aan de kant van de Geallieerde streden ook soldaten uit de rijksdelen en koloniën van Frankrijk en Groot-Brittannië mee. Zo maakten Canadezen, Newfoundlanders, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Indiërs, Zuid-Afrikanen, en Senegalezen kennis met Europa.
De militaire operaties breidden zich tot andere gebieden uit en er ontstonden fronten, in onder meer Italië, de Balkan, het Midden-Oosten en Afrika. Hier wisten de Geallieerden de hand te leggen op de Duitse koloniën, zoals Japan dit al met de Duitse concessiegebieden in China had gedaan.
| 3.7 Introductie van nieuwe wapens |
Beide partijen zetten een hele generatie nieuwe wapens in, waaronder de mitrailleur, granaten en gifgas (zie strijdgassen). Bij elke aanval vielen vele duizenden doden en gewonden, zonder dat er veel terreinwinst werd geboekt. De verdediger was altijd in het voordeel; die kon zich op achterliggende loopgraven terugtrekken. Zodra de soldaten van de aanvallende partij uit hun loopgraven klauterden, kwamen zij onder moordend trommelvuur te liggen. Er werden dus verouderde tactieken gebruikt tegen nieuwe wapens. Soldaten waren slechts kanonnenvlees. In de Slag bij Verdun (1916) vielen in acht maanden tijd rond de 700 000 doden, Fransen en Duitsers bij elkaar opgeteld. Het resultaat was een maanlandschap van miljoenen bomkraters. De Engelsen ondervonden bij de Slag aan de Somme (waar zij in 1916 hun nieuwe wapen, de tank, inzetten) en rond de Vlaamse stad Ieper eveneens de moorddadige gevolgen van de gemechaniseerde oorlog.
| 3.8 Geen beslissende doorbraak op het westfront |
Het westelijke front werd in de jaren 1915 en 1916 gekenmerkt door een aantal offensieven (Artesië en Loos; Tweede Slag om Ieper in 1915; Slag bij Verdun en Slag aan de Somme in 1916) die tot doel hadden de ‘forcing’ of ‘Big Push’ te realiseren, een beslissende doorbraak die een einde aan de oorlog kon maken. Zeer veel materieel en mensenlevens werden daaraan opgeofferd. De diverse legerleidingen ontbrak het aan realiteitszin en de politici waren niet bij machte iets aan de situatie te veranderen.
| 3.9 Centralen breken door aan het oostfront |
Aan het oostfront wisten de Russen begin 1915 nog het initiatief te behouden in de slag om de Karpaten, maar ze werden honderden kilometers teruggeslagen in een groots opgezet offensief (mei 1915), waarbij de Duitse generaal August von Mackensen grote roem oogstte. De Geallieerden hielden gecombineerde acties in de Dardanellen (februari–mei 1915), maar de Duitse generaal Liman von Sanders wist de Turken kundig te leiden. Ook de landing bij Thessaloníke (oktober 1915–1916) bleek geen direct succes voor de Geallieerden. De offensieven van de Italianen aan de Isonzo waren even talloos als kansloos; ze slaagden er niet in de Oostenrijkers uit hun uitstekende verdediging te lokken. Na mei 1915, toen de Russische dreiging veel verder weg lag, konden de Oostenrijkers, gesteund door Duitse troepen, eindelijk met Servië afrekenen. Het land werd in oktober 1915 veroverd. In augustus 1916 trachtten de Russen nog terug te slaan; generaal Broesilov kon in Galicië enige vooruitgang boeken, maar de Centralen liepen het dan net in de oorlog gekomen Roemenië overhoop.
| 3.10 Het Suezkanaal, Lawrence of Arabia |
De Turken deden in 1914 en 1915 twee aanvallen op het Suezkanaal (dat van vitaal belang was voor de aanvoer van troepen en goederen uit het Gemenebest). Groot-Brittannië wist Egypte voor zich te winnen door het als een onafhankelijke staat te erkennen, maar een Brits offensief vanuit de Perzische Golf in Mesopotamië werd een catastrofe voor de Britten. Ook de Russische aanvallen op Aziatisch Turkije (Erzurum en Kars) hadden weinig succes. Door deze operaties werd wel voorkomen dat Turks-Duitse offensieven in de richting van Brits-Indië vaste vormen aannamen. In Arabië trachtten de Britten eerst met Sjarif Hoessein van Mekka tot een vergelijk te komen, waardoor dit gebied zich losmaakte van het Turkse Rijk. Een belangrijke rol werd hierbij gespeeld door Lawrence of Arabia (zie Thomas Edward Lawrence). Definitief succes werd hier slechts in 1917 geboekt, toen de Britse veldmaarschalk Allenby Jeruzalem veroverde en in 1918, toen hij samen met Hoesseins zoon Feisal Syrië kon bezetten (1918).
| 3.11 Onderzeebootoorlog |
Al vrij snel na het uitbreken van de vijandelijkheden was de Britse blokkade van de Duitse kust sluitend gemaakt en waren de zeeën zo goed als gezuiverd van Duitse koopvaarders. Duitsland aarzelde met het inzetten van de oorlogsvloot, omdat men deze achter de hand wilde hebben bij een eventuele vredessluiting. Hierdoor was Duitsland niet in staat de blokkade te breken. Door de snellere Britse scheepsbouw werd het nadelige verschil voor Duitsland steeds groter. Acties van de Duitse vloot bleven beperkt tot snelle uitvallen (Slag bij Doggersbank). Duitsland beantwoordde de blokkade met een handelsoorlog, maar na enkele successen (onder andere bij de Chileense stad Coronel) werden zijn kruisers geleidelijk uitgeschakeld (vooral bij de Falklandeilanden). Meer succes hadden zij met de onderzeebootoorlog, ten onrechte een ‘tegenblokkade’ genoemd, waarvan ook neutrale koopvaarders (waaronder Nederlandse) bij honderden het slachtoffer werden. Omdat de Britse blokkade de voedselvoorziening en de aanvoer van voor de oorlog noodzakelijke grondstoffen steeds meer ontwrichtte, besloot de Duitse vlootleiding de blokkade alsnog te doorbreken. De ‘Hochseeflotte’ leverde in mei 1916 de Zeeslag bij Jutland tegen de ‘Grand Fleet’ onder Jellicoe. Ondanks een tactisch succes van de Duitsers, die de minste verliezen leden, was strategisch de winst voor de Britten.
Belangrijker was de winst die de Duitsers haalden uit de sedert 1 februari 1917 aangekondigde onbeperkte onderzeebootoorlog. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd niet minder dan 1,5 miljoen ton van de geallieerde koopvaardij tot zinken gebracht; voor die tijd niet geringe cijfers. Ook veel passagiersschepen werden door de Duitsers tot zinken gebracht, tot grote woede van de neutralen en vooral van de Verenigde Staten, al vervoerden deze schepen ook wel oorlogsmaterieel. In een gecombineerde actie van de Britten werd de haven van Zeebrugge in 1918 uitgeschakeld en voerden de geallieerden geleidelijk het konvooisysteem in, waarbij handelsschepen een escorte kregen van oorlogsschepen.
| 3.12 Oorlogshandelingen in Afrika |
Duitsland was pas laat op het Afrikaanse continent verschenen. De Duitse invloed was daardoor niet groot, hoewel het aanzienlijke gebieden in bezit had. Vanaf 1914 begonnen de Geallieerden op veel plaatsen offensieven tegen Duitse kolonies. Vanuit de Goudkust veroverden de Britten Duits Togoland, dat zich al op 26 augustus 1914 overgaf. De Zuid-Afrikaanse leiders Louis Botha en Jan Christiaan Smuts streden aan de kant van Groot-Brittannië en veroverden na een lange en moeizame campagne Zuidwest-Afrika (overgave op 9 juli 1915), het huidige Namibië. Duits Kameroen werd door Britten, Fransen en Belgen aangevallen en Youandé viel op 1 januari 1916. Alleen in Duits Oost-Afrika (Tanganyika) namen de Duitsers onder de leiding van Von Lettow-Vorbeck het initiatief en vielen Britse gebieden aan bij het Victoriameer, in Oeganda en bij Mombasa. In dit deel van Afrika konden de Duitsers standhouden tot in 1918. De bevolking streed meestal aan de kant van de kolonisatoren en onder blanke officieren. Sommige Frans-Afrikaanse kolonies (waaronder Senegal) leverden manschappen aan het moederland die aan het westelijke en het zuidelijke front in Europa werden ingezet.
| 3.13 Oorlogsmoeheid in 1917 |
Ondanks het feit dat aan het westelijke front de moordende offensieven elkaar opvolgden (het Nivelle-offensief in april 1917; de Derde Slag bij Ieper-Passendale in juli–september), overigens zonder noemenswaardige terreinwinsten maar wel met ruim 1 miljoen slachtoffers, was er in 1917 een duidelijke oorlogsmoeheid te merken in beide kampen. De Duitse politicus Matthias Erzberger was voorstander van de Friedensresolution, een ‘vrede zonder annexaties’. De Franse staatsman Joseph Caillaux sprak zelfs over ‘een vrede zonder overwinning’. Er was defaitisme in het Franse leger, muiterij zelfs, en in Italië werden oproerige arbeiders uit Turijn naar het front gestuurd, waar hun moedeloosheid zorgde voor de catastrofe van de Elfde Slag bij de Isonzo (september 1917).
In 1917 nam de nieuwe Oostenrijkse keizer, Karel I, contact op met de Geallieerden en deed paus Benedictus XV op 1 augustus 1917 een plechtige vredesoproep. Al deze pogingen mislukten omdat de Duitsers de annexatie van België niet wilden opgeven. In beide kampen was geen serieuze bereidheid om compromissen te sluiten.
| 3.14 De Verenigde Staten sluiten zich aan bij de Geallieerden |
Twee belangrijke politieke feiten domineerden 1917: de intrede van de Verenigde Staten in de oorlog aan de kant van de Geallieerden en de Oktoberrevolutie (zie Russische Revolutie) in Rusland. De Geallieerden konden met de hulp van de Verenigde Staten rekenen op een geweldige economische en industriële macht, die hun uitgeputte reserves massaal kwam aanvullen. De Duitsers hielpen de revolutionairen in Rusland en de Vrede van Brest-Litovsk deed in feite het tweede front in het oosten ophouden. Ludendorff kon zo troepen vrijmaken voor het westelijke front, maar alleen niet voldoende omdat de Duitsers en de Polen tot in Riga en in Oekraïne doordrongen en in gevechten bleven gewikkeld met de bolsjevieken. Begin 1918 formuleerden de Geallieerden hun doelstellingen inzake een vrede in een rede van de Britse premier Lloyd George op 5 januari, drie dagen later gevolgd door de rede van president Woodrow Wilson (de ‘Veertien Punten’) voor het Amerikaanse Congres. De Centralen reageerden afwijzend.
| 3.15 Kaiserschlacht aan de Somme, 1918 |
In maart 1918 barstte de ‘Kaiserschlacht’ aan de Somme los. De Geallieerden weken terug, maar de Duitsers verloren meer manschappen. In april–mei beukte Ludendorff op het geallieerde front aan de Aisne en in juni stond het hele westelijke front in lichterlaaie. De Duitsers bombardeerden zelfs Parijs vanaf een afstand van ruim honderd kilometer.
| 3.16 Successen voor de Geallieerden |
Door een uiterste krachtsinspanning van de Geallieerden, nu daadwerkelijk gesteund door Amerikaanse divisies, en door een beter gebruik van tanks, kon maarschalk Ferdinand Foch in juli 1918 een tegenoffensief inzetten aan de Marne, dat uitgebreid werd in de volgende twee maanden aan de IJzer en bij Saint-Mihiel en dat het moreel van de Duitse troepen brak (8 augustus 1918, de ‘Zwarte Dag’ voor de Duitse legerleiding), omdat het ook het thuisfront beïnvloedde. Ondanks de wapenstilstand die Roemenië in mei vroeg, volgde een geallieerd offensief in Bulgarije, Macedonië en Italië, dat succes opleverde. Op 29 september 1918 vroeg Bulgarije een wapenbestand, op 30 oktober deed Turkije hetzelfde, op 3 november legde Oostenrijk-Hongarije de wapens neer.
| 3.17 Novemberrevolutie in Duitsland, einde van de oorlog |
Om te voorkomen dat het leger de schuld van een nederlaag zou krijgen, benoemde de Duitse keizer Wilhelm II op advies van de legerleiding een burgerregering, die steunde op liberalen en socialisten. In Duitsland brak de Novemberrevolutie uit. Verder vechten leek nu zinloos. De Duitse keizer vluchtte naar Nederland en in Berlijn werd de republiek uitgeroepen, de Weimar-Republiek. Vertegenwoordigers van de burgerregering kwamen op 11 november 1918 in het bos van Compiègne een wapenstilstand overeen met de Geallieerden. Voor de legerleiding voelde dit snelle capituleren als een dolkstoot in de rug. Deze 'dolkstootlegende' legde een zware hypotheek op de prille democratie van de Republiek van Weimar.
| 4. Manier van oorlogvoeren |
| 4.1 Moderne wapens maar ouderwetse legerleiding |
De Eerste Wereldoorlog geldt als de eerste oorlog waarin soldaten op een industriële schaal werden gedood. Dat was een gevolg van het feit dat er een aantal moderne wapens werd gehanteerd, maar dat de generaals nog grotendeels vasthielden aan oude, negentiende-eeuwse tactieken. De verwoestende uitwerking hiervan blijkt het duidelijkst uit het beeld van soldaten die van hun commandant het bevel krijgen een doorbraak te forceren door hun loopgraaf uit te klimmen en dwars door het niemandsland richting de vijand op te rukken, en die dan vervolgens, zodra zij buiten hun loopgraaf zijn, genadeloos worden neergemaaid door het vijandelijke mitrailleurvuur. Dit gebeurt niet één keer maar vele keren.
| 4.2 Mitrailleurs, granaten, gifgas en tanks |
De mitrailleur was een nieuw wapen in de Eerste Wereldoorlog, net als granaten, en gifgas (strijdgassen), voor het eerst gebruikt door de Duitsers in de tweede Slag bij Ieper (april-mei 1915). De artillerie was verder ontwikkeld en had een groter bereik. Voor het eerst waren de doelwitten niet te zien en werd dus niet gericht geschoten. De nieuwe wapens, met name de mitrailleur, zorgden ervoor dat de verdediger altijd in het voordeel was. Andere nieuwe vindingen, zoals de tank (voor het eerst door de Britten ingezet tijdens de Slag aan de Somme van 1916) en het gevechtsvliegtuig, en ook de geschikte tactieken voor deze wapens, waren nog niet ver genoeg ontwikkeld om de patstelling te doorbreken.
| 4.3 Loopgravenoorlog |
De loopgraven zijn dan ook synoniem geworden voor de Eerste Wereldoorlog. In de zomer van 1914 werd door beide partijen nog gedacht aan een snelle overwinning. Aan het westfront zorgde de mislukking van het Von Schlieffenplan er echter voor dat de oorlog daar al in het najaar van 1914 vastliep. Aan het oostfront was de strijd in mindere mate een stellingenoorlog. In de loopgraven, die steeds verder geperfectioneerd werden, leidden de soldaten doorgaans een saai bestaan, al stonden zij er constant bloot aan het gevaar van bombardementen en aanvallen met gifgas. Ze moesten leren leven met de angst voor sluipschutters, en met ratten.
De generaals hielden ondertussen vaak vast aan de vertrouwde tactieken die zij op de militaire academies hadden geleerd. Daarin was nog plaats voor heroïek. Bevelhebbers als de Britse Douglas ‘Butcher’ Haig dachten dat hun soldaten een goede kans zouden maken op de overwinning, als zij maar vastbesloten zouden zijn en voldoende moed toonden. Maar tegen de dodelijke wapens die in de Eerste Wereldoorlog werden gehanteerd, was geen heldenmoed opgewassen. Bij de veldslagen aan het westfront werden dan ook vaak slechts enkele kilometers terreinwinst geboekt, ten koste van honderdduizenden doden.
Aanvallen konden wel slagen als de soldaten die de vijandelijke loopgraaf moesten innemen op de juiste manier ondersteund werden door beschietingen van hun artillerie, maar dit gebeurde slechts zelden. Daarbij kwam dat er eigenlijk geen geschikte wapens waren voor aanvallende soldaten. De meeste offensieven mislukten. Pas in 1918, met de Amerikaanse deelname aan de oorlog, kon een doorbraak worden geforceerd nadat veel mannen en materieel beschikbaar waren gekomen.
| 4.4 Luchtsteun |
Voor het eerst werd in de Eerste Wereldoorlog ook in de lucht gevochten, al werden vliegtuigen nog voornamelijk gebruikt voor verkenningsdoeleinden. Er vonden wel enkele slagen tussen vliegtuigen in de lucht plaats. Ook werden vliegtuigen gebruikt voor bombardementen, net als zeppelins. De Duitse luchtschepen zaaiden zelfs dood en verderf onder burgers in Engelse steden.
| 4.5 Duikboten |
De enige grote zeeslag van de oorlog was de Slag bij Jutland, op 31 mei en 1 juni 1916. De slag zelf bleef onbeslist, maar het Duitse doel, het doorbreken van de Britse zeeblokkade, werd niet bereikt. Van meer belang was de duikbotenoorlog. De keuze van de Duitsers in 1917 om ook neutrale schepen te bombarderen, zou leiden tot de Amerikaanse deelname aan de oorlog en daarmee aan de Duitse nederlaag.
| 4.6 Dienstplicht |
In de meeste landen was er al in 1914 een dienstplicht. Alleen de Britten stuurden een beroepsleger naar het continent, de British Expeditionary Force, dat grotendeels bestond uit veteranen die gevechtservaring hadden opgedaan in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Dit leger was echter al snel ‘opgebruikt’, waarna het Britse ministerie van Defensie een campagne begon om vrijwilligers te werven met de slogan ‘Your country needs you!’. Hele dorpen, sportclubs en schoolklassen konden zich tegelijk inschrijven om bijeen te worden gevoegd in pal batallions. Voordat deze regimenten in de slag aan de Somme ‘op’ dreigden te raken, met alle sociale gevolgen voor het thuisfront vandien (dorpen konden op één dag van een hele generatie aan jongemannen beroofd worden), kwam er ook in Groot-Brittannië een dienstplicht (begin 1916).
| 4.7. ‘Totale’ oorlog |
Behalve de dienstplicht waren er meer redenen waarom de Eerste Wereldoorlog een totale oorlog genoemd kan worden. De strijd onttrok grote hoeveelheden goederen en diensten aan de maatschappij: voedsel, brandstof, kleding, laarzen, medicijnen, zeep, vervoersfaciliteiten en medische voorzieningen. De regeringen van de oorlogvoerende landen vergrootten hun controle over de industriële productie. Steeds meer vrouwen moesten worden ingeschakeld om het werk van de mannen die aan het front dienden over te nemen.
| 5. Pers en propanda |
Het thuisfront was sterk bij de oorlog betrokken vanwege de grote rol van de media. Voor het eerst werd een oorlog volop bij de mensen thuis gebracht. De media werden door de regeringen gebruikt om de oorlog te rechtvaardigen en het moreel van het thuisfront hoog te houden. Behalve dag- en weekbladen bespeelden literatuur, kunst, affiches, kaarten, pamfletten en film de publieke opinie.
| 5.1 Creëren van een vijandbeeld |
Pers en propaganda werden gebruikt om een vijandbeeld te creëren en in stand te houden, bijvoorbeeld via Britse posters waarop de Duitsers als monsters werden afgebeeld en in krantenberichten waarin de vermeende gruweldaden van deze ‘Hunnen’ tegen Belgische kinderen werden beschreven. De krantenlezers in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten werd verteld dat de oorlog een gevolg was van de Duitse minachting voor vrijheid en democratie. In de Duitse kranten werd schande gesproken van de veronderstelde mishandeling van Duitse krijgsgevangenen door Afrikanen in Franse dienst, de ‘Zwarte schande’. Het moreel van het thuisfront werd hoog gehouden door bijvoorbeeld foto’s in de kranten van krijgsgevangen gemaakte vijandelijke soldaten of buitgemaakt oorlogsmaterieel.
| 5.2 Rol van het affiche |
Affiches werden gebruikt om de eigen deelname aan de oorlog te rechtvaardigen, maar ook om mannen aan te sporen in dienst te gaan en burgers op te roepen te doneren ten behoeve van de oorlogsinspanningen. Verder waren er oproepen tot het boycotten van producten uit het land van de vijand.
| 5.3. Censuur |
De militaire censuur was bij de start van de oorlog ingesteld. Deze moest defaitisme aan het thuisfront voorkomen en ervoor zorgen dat de vijand niet kon profiteren van de informatie in de media. In 1916 werd de censuur strenger. Zelfs in de kranten verschenen steeds meer witte plekken, wat er uiteindelijk voor zorgde dat mensen het geloof in de media verloren. De media pasten ook zelfcensuur toe. Duitse en Franse persbureaus noemden met opzet lagere cijfers over de verliezen, zodat de bevolking de moed niet verloor.
De Britse pers had nog de meeste vrijheid. Deze kon ook misstanden aan de kaak stellen. Toen in 1915 een ernstig tekort aan granaten aan het licht kwam, leidde dit tot een politieke crisis in Engeland. Nadat de pers zich ermee had bemoeid, moest de regering een commissie oprichten om de granaatcrisis te bestrijden. Maar ook de relatief vrije Britse pers paste zelfcensuur toe, omdat ze de eigen soldaten wilde steunen.
| 5.4 Rol van de film |
Ook films werden gebruikt als propaganda. Het thuisfront kon in de bioscoop zien hoe het er aan het front toeging, maar kreeg allerminst een realistisch beeld voorgeschoteld. Je kreeg het leven in de loopgraven te zien, maar de echte verschrikkingen van de oorlog werden niet in beeld gebracht. Er waren wel nagespeelde gevechtsscènes, maar het gebruik van gifgas mocht bijvoorbeeld niet worden vertoond.
| 5. De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog |
| 5.1 Tien miljoen doden, twintig miljoen gewonden |
De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog of, zoals zij toen heette, de Grote Oorlog, gevoerd door moderne geïndustrialiseerde staten, maar met verouderde militaire strategieën, waren catastrofaal: ca. 10 miljoen doden en 20 miljoen gewonden, enorme verwoestingen in Vlaanderen en Noord-Frankrijk en grote gaten in de mannelijke bevolkingsopbouw. Men sprak van het verlies van een hele generatie jonge mannen. De oorlog greep diep in aan het thuisfront, in de miljoenen gezinnen, waarvan de mannen als vrijwilliger of dienstplichtige naar het front waren gegaan. Vaak gingen de vrouwen de opengevallen plaatsen innemen: in de industrie, op het land, in de ambtenarij en in dienstverlenende beroepen. Dit bevorderde overigens de emancipatie van de vrouw. In alle oorlogvoerende landen eigenden de regeringen zich grotere bevoegdheden toe. Ingrijpen van de overheid in het sociaaleconomische leven; censuur en propaganda; manipulatie van de publieke opinie; herhaalde oproepen tot opoffering en spaarzaamheid: aan al dit soort fenomenen moest het publiek wennen.
| 5.2 Omwenteling naar nieuwe waarden |
De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte een geestelijke omwenteling. Tot 1914 roemden veel mensen de zegeningen van de technische vooruitgang. Daarna bleek de techniek in staat de moorddadigste machines voort te brengen (gifgas, duikboten, bommenwerpers, gevechtsvliegtuigen). Oude waarden uit het tijdperk van zekerheden maakten plaats voor cynisme. De ‘Belle Époque’ was kapotgeschoten. Kunstenaars en intellectuelen gingen op zoek naar nieuwe uitdrukkingsvormen. De oorlog vormde de kraamkamer of versterker van allerhande 'ismen' in de kunst (het expressionisme dat heftige emoties uitbeeldt; het absurde dadaïsme (zie dada); het surrealisme dat zoekt in de wereld van het onderbewustzijn), en van grote twijfel aan de oude morele waarden.
| 5.3 Gevolgen van de Vredesconferentie van Versailles |
In 1919 kwam in Versailles de vredesconferentie bijeen. De vrede werd gesloten op basis van het door de idealistische Amerikaanse president Woodrow Wilson naar voren gebrachte zelfbeschikkingsrecht van de volken en het principe van de nationale staat. Dit werd echter alleen toegepast op de gebieden van de overwonnenen en het probleem van de minderheden werd niet adequaat opgelost.
| 5.3.1 Volkenbond |
Wilson pleitte voor vrijheid der zeeën, wegnemen van economische barrières, algehele ontwapening en doorvoering van het principe van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. De Franse premier Clemenceau en zijn Britse collega Lloyd George stonden hier sceptisch tegenover. Voor Clemenceau stond het veiligheidsmotief voorop. Lloyd George was ook primair uit op versteviging van de positie van zijn eigen land. In ruil waren zij bereid Wilson zijn stokpaardje, de Volkenbond, te gunnen: deze vredesorganisatie zou een nieuwe wereldoorlog moeten voorkomen.
| 5.3.2 Duitsland is niet aanwezig bij de onderhandelingen |
Het eindresultaat van Versailles was een compromis waar niemand echt tevreden mee was. De Duitsers waren niet eens uitgenodigd en hadden het verdrag maar als een dictaat te slikken. Dit zette kwaad bloed en riep om revanche. Zo droeg 'Versailles' de kiemen van de volgende oorlog in zich. Duitsland moest Elzas-Lotharingen afstaan aan Frankrijk, maar ook gebieden aan België, Denemarken en Polen. Dit laatste land kreeg Opper-Silezië, Posen, West-Pruisen en een corridor naar de Oostzee, die maakte dat Oost-Pruisen gescheiden kwam te liggen van de rest van Duitsland. De stad Danzig werd een vrijstaat onder Volkenbondsbestuur.
| 5.3.3. Uiteenvallen van de Donaumonarchie |
Terwijl Duitsland, hoe gekortwiekt ook, grotendeels intact bleef, viel de Habsburgse Donaumonarchie uiteen. In een apart verdrag werd bepaald dat Servië en Montenegro de voormalige Habsburgse bezittingen Dalmatië, Slovenië en Bosnië-Herzegovina kregen. Uit deze fusie ontstond Joegoslavië. Roemenië kreeg Transsylvanië, terwijl Tsjechen met Slowaken werden samengevoegd tot de republiek Tsjechoslowakije. De beide kernlanden van het keizerrijk, Oostenrijk en Hongarije, bleven als zelfstandige republiekjes over. Territoriale versnippering deed zich ook voor langs de Oostzeekust: de onafhankelijkheid van Finland, Estland, Letland, Litouwen en Polen werd erkend. Deze voormalige delen van het tsarenrijk profiteerden van het zelfbeschikkingsrecht. Zij werden ook beschouwd als een buffer om de gevreesde opmars van het Russische communisme tegen te houden.
| 5.3.4 Zware straf voor Duitsland |
In Versailles legden de Geallieerden de schuld voor de oorlog bij Duitsland en zijn bondgenoten. Behalve gebiedsverlies moesten de Duitsers een hele reeks andere maatregelen slikken. Zij verloren al hun kolonies. Het Rijnland werd gedemilitariseerd. Duitsland moest de vloot inleveren, mocht geen luchtmacht meer bezitten en mocht een beroepsleger hebben van hoogstens 100 000 man. Deze inkrimping werd verkocht als eerste stap naar internationale ontwapening, maar de andere landen reduceerden hun strijdkrachten nauwelijks, waardoor Duitsland zich gediscrimineerd voelde. De Geallieerden maakten het bedrag aan herstelbetalingen zo hoog (132 miljard Goudmark), dat Duitsland het nooit zou kunnen opbrengen.
Duitsland beschouwde het Verdrag van Versailles (1919) als een ‘Friedensdiktat’. Twee grote staten, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, namen geen verantwoordelijkheid voor de vredesverdragen. Bovendien waren de Verenigde Staten de machtigste staat en de grootste schuldeiser van de wereld geworden. Het Turkse Midden-Oosten werd verdeeld tussen Franse en Britse protectoraten, ‘mandaatgebieden’ geheten, terwijl men zowel aan de zionisten (Balfourdeclaratie, 1917) als aan de Arabieren vervulling van de nationale verlangens had voorgespiegeld. Het opportunistische Japan profiteerde van de oorlog en nam de economische machtspositie van de Britten in het Verre Oosten over.