Voltaire [letterkunde]
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Voltaire [letterkunde]
3. Denkbeelden

Zijn politieke denkbeelden waren sterk beïnvloed door zijn verblijf in Engeland. Voltaire was een typisch ‘verlicht’ burger uit de 18de eeuw met sterke aristocratische allures, voor wie het gewone volk niet telde, getuige zijn Jusqu’à quel point on doit tromper le peuple (1756). Hij eiste stemrecht voor de derde stand, maar alleen voor de bezitters. Hij was voor de vrijheid, maar met restricties. Hij was tegen de doodstraf: ‘een gehangene diende nergens voor’. Hij ijverde voor praktische hygiënische maatregelen als inenting tegen de pokken en oprichting van ziekenhuizen, enz. Ook in zijn godsdienstige denkbeelden stond hij onder Engelse invloed. Hij was deïst (zie deïsme), geloofde aan een persoonlijke God en was verontrust over het probleem van het kwade in de wereld. Bij hem vindt men meestal twijfel aan de onsterfelijkheid van de ziel en aan het bestaan van de vrije wil, al zou hij graag gewild hebben dat zij bestonden.

Uit al zijn werk komt Voltaire naar voren als een levendige, satirische geest, eerder een agressief dan een constructief denker. Misschien komen zijn veelzijdigheid en ‘actualiteit’ het best tot uiting in de 600 artikelen van zijn Dictionnaire philosophique (1764; Ned. vert.: Filosofisch woordenboekje, 1975) en zijn Traité sur la tolérance (1763), die nog niets van hun levendigheid verloren hebben. De Voltaire-studie heeft een wetenschappelijke basis gekregen door de werkzaamheden van het door Th. Besterman opgerichte Institut et Musée Voltaire (Genève, 1952; sinds 1971 als Voltaire Foundation gevestigd in Oxford), met als voornaamste taak een nieuwe uitgave van het volledige werk (137 dln. Voorzien; publicatie in chronologische volgorde).

WERK (o.a.): Oedipe (1718; toneel); Artémise (1720; toneel); Henriade (1723; epos); Hérode et Mariamne (1725; toneel); Essay upon the civil wars in France (1727); Brutus (1730; toneel); Eryphile (1732; toneel); Le temple du goût (1733; satire); Adelaïde Deguesclin (1734; toneel); Alzire (1736; toneel); Mort de César (1736; toneel); L’enfant prodigue (1736; toneel); Vie de Molière (1739); Mahomet (1742; toneel); Mérope (1743; toneel); Princesse de Navarre (1745; toneel); Zadig (1747; verhaal); Sémiramis (1748; toneel); Le monde comme il va (1748; verhaal); Nanine (1749; toneel); Oreste (1750; toneel); Micromégas (1752; verhaal); Rome sauvée (1752; toneel); La pucelle d’Orléans (1755; epos); Le temple de la gloire (1745; libretto voor operaballet met muziek van Rameau); La loi naturelle (1758); Histoire de la Russie sous Pierre le Grand (1759–1763); La vanité (1760; satire); Trancrède (1760; toneel); L'Écossaise (1760; toneel); Pièces originales concernant la mort des Sieurs de Calas (1762); Olympie (1763; toneel); Jeannot et Colin (1764; verhaal); Défense de mon oncle (1767); L’ingénu (1767; verhaal); Profession de foi des théistes (1768); Singularités de la nature (1768); Droits des hommes (1769); Dieu et les hommes (1769); Questions sur l'Encyclopédie (9 dln., 1770–1772); Les lois de Minos (1773; toneel); Le taureau blanc (1775; verhaal); Prix de la justice et de l’humanité (1777); Mémoires pour servir à la vie de Voltaire (1784). Recente vert.: Filosofische vertellingen (2004; verhalen en korte romans).