viool
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
viool
2. Speeltechniek

De vioolsnaren worden aangestreken door de op een strijkstok gespannen haren. Van de afzonderlijke speeltechnieken voor beide handen (wijziging van toonhoogte en van intensiteit door de linkerhand; de verschillende wijzen van in trilling brengen van de snaren door de rechterhand) is de rechterhandtechniek, m.n. de streektechniek, het meest bepalend voor klank, volume, sfeer, karakter, en ritmiek van de tonen. Als hoofdstreken zijn te onderscheiden: détaché (elke toon krijgt één op- of afstreek zonder dat de strijkstok de snaren loslaat), martellato (in de rusten tussen de tonen wordt druk, op de – vast op de snaar rustende – strijkstok uitgeoefend), legato (de afzonderlijke tonen worden zo aan elkaar verbonden dat zij in elkaar overgaan), spiccato (de snaar wordt aangestreken met een opgeworpen springende streeksoort in het midden van de stok) en saltato of sautillé (snelle streek, waarbij men de strijkstok op zijn eigen elasticiteit laat springen). Speciale effecten zijn: col legno (met het hout van de strijkstok op de snaar slaan of strijken); sul ponticello (dicht bij de kam strijken, veroorzaakt een glasachtige klank); sul tasto (op de toets, maakt de toon doffer doordat de hogere boventonen verdwijnen); tremolo (gelijkmatig strijken met zeer korte, snelle streken); pizzicato (tokkelen met een van de handen). De linkerhandtechniek bestaat, behalve uit het verkorten van de snaren door het plaatsen van de vingers in verschillende posities, ook uit vibrato (beving), waardoor de toon meer intensiteit krijgt; het dubbelgreepspel (verschillende tonen tegelijk) is zowel een kwestie van linker- als van rechterhandtechniek (akkoordspel).

Bij de eigentijdse composities worden allerlei nieuwe effecten toegepast, waaronder velerlei soorten pizzicato (o.m. het zgn. Bartók-pizzicato, waarbij de snaar op de toets slaat), het tussen kam en staartstuk strijken (zeer hoge krasserige tonen), op het staartstuk strijken, op het corpus kloppen, glissando- (met de vinger van de linkerhand over een snaar glijden) en flageoleteffecten, het gebruik van contactmicrofoons, enz. De specifiek ‘tonale’ stemming van de vioolsnaren, alsmede het feit dat de viool vnl. een melodie-instrument is, maakt haar gebruik in de eigentijdse muziek problematisch.

Een sourdine, op de kam geplaatst, verzwakt de toon en veroorzaakt een speciaal timbre (weinig boventonen). Scordatura wordt de verstemming van de snaren genoemd, afwijkend van de normale stemming (bijv. de vioolsolo in deel II van Mahlers 4de symfonie: de snaren zijn een grote seconde hoger gestemd en de solopartij staat een grote seconde lager genoteerd dan de overige instrumenten. Alle spelen in dezelfde toonsoort, maar de klankkleur van de viool geeft een bijzonder effect).

Strijkstokhouding. In de 18de eeuw hadden zich uit de veelheid van houdingen die uit middeleeuwse afbeeldingen bekend zijn, de Italiaanse stokhouding (hand op ca. € van de stoklengte) en de Franse stokhouding (duim onder de slof, vingers op de stok, pink onder het uiteinde van de stok) ontwikkeld; vermengingen van beide houdingen kwamen voor. Onder invloed van de musiceertrant van de romantiek, waarbij een groter klankvolume gewenst was, wijzigde de stokhouding zich via de Duitse (aanrakingspunt op de stok: eerste lid wijsvinger) en de Frans-Belgische (aanrakingspunt: wijsvinger tussen eerste en tweede lid) tot de huidige (aanrakingspunt: vlak voor het derde lid).