| Zoekweergave | viool | Terug |
| Introductie |
viool (Italiaans: violino; Frans: violon; Duits: Violine, Geige; Engels: violin; afleiding onzeker; vgl. vulgair Lat. vítula = een bepaald snaarinstrument, vanwaar Ned. vedel en fidelen), het belangrijkste en hoogstgestemde strijkinstrument, in huidige vorm uit de viola da braccio-familie ontwikkeld, viersnarig, met stemming g–d1–a1–e2 en toonomvang g tot a4, is samengesteld uit 82 onderdelen.
| 1. Bouw |
De 35,5 à 36 cm lange romp of corpus (resonanskast) bestaat uit een gewelfd bovenblad en onder- of achterblad met daartussen de zijranden of ribben. De mate van welving heeft invloed op het karakter en het volume van de klank. Het bovenblad is 2 mm (bij de zijranden) tot 4,5 mm (midden) dik, het onderblad resp. 3 tot 6 mm. Door de klankgaten in het bovenblad, naar de vorm ook wel f-gaten genoemd, kan de in trilling gebrachte lucht het instrument verlaten en het instrumentdeel tussen de gaten, de zgn. borst, vrijer trillen. Bij de rand van de bladen bevindt zich de inleg die dient als begrenzing van het trillende vlak en versiering. Aan de klankkast is de hals bevestigd (waarop een toets is gelijmd), met aan het einde de krul met schroeven om de snaren te spannen en te stemmen. De vier snaren zijn vanaf het staartstuk of snarenhouder over de kam gespannen, die de trillingen overbrengt op het bovenblad. Tussen het boven- en het onderblad is direct achter de rechterkamvoet de stapel geplaatst: een cilindervormig stukje hout (diameter ca. 5 mm) dat de trillingen van het boven- op het achterblad overbrengt en welks plaatsing ten opzichte van de kam invloed heeft op het timbre van het instrument. Verder is aan de binnenzijde van het bovenblad onder de linkerkamvoet de zangbalk 5 à 6 mm dik, 27 à 29 cm lang, aangebracht, die tot functie heeft de trillingen van de snaren over het blad te verspreiden en tegendruk uit te oefenen tegen de druk van de snaren op de kam. Op de viool bevindt zich een kinhouder. Van esdoornhout zijn o.a. achterblad, krul, hals, zijranden en kam; van vurenhout bovenblad, zangbalk, stapel en inwendige klosjes ten behoeve van samenvoeging zijranden; van ebben toets, schroeven en staartstuk; de inleg bestaat uit een van deze drie houtsoorten of een combinatie daarvan. Als bindmiddel wordt uitsluitend natuurlijke lijm van dierlijke oorsprong gebruikt. De snaren zijn vervaardigd van uit geprepareerde darmen gedraaide dierlijke bindweefselvezels (collageen), tegenwoordig meestal omsponnen met metaaldraad (aluminium, zilver, staal). Ook snaren met een chroomstalen kern, hetzij uit één stuk, hetzij gevlochten met een omspinning, worden thans veel toegepast (zij zijn minder gevoelig voor temperatuurinvloeden en vocht); darmsnaren geven echter een soepeler toon.
| 2. Speeltechniek |
De vioolsnaren worden aangestreken door de op een strijkstok gespannen haren. Van de afzonderlijke speeltechnieken voor beide handen (wijziging van toonhoogte en van intensiteit door de linkerhand; de verschillende wijzen van in trilling brengen van de snaren door de rechterhand) is de rechterhandtechniek, m.n. de streektechniek, het meest bepalend voor klank, volume, sfeer, karakter, en ritmiek van de tonen. Als hoofdstreken zijn te onderscheiden: détaché (elke toon krijgt één op- of afstreek zonder dat de strijkstok de snaren loslaat), martellato (in de rusten tussen de tonen wordt druk, op de – vast op de snaar rustende – strijkstok uitgeoefend), legato (de afzonderlijke tonen worden zo aan elkaar verbonden dat zij in elkaar overgaan), spiccato (de snaar wordt aangestreken met een opgeworpen springende streeksoort in het midden van de stok) en saltato of sautillé (snelle streek, waarbij men de strijkstok op zijn eigen elasticiteit laat springen). Speciale effecten zijn: col legno (met het hout van de strijkstok op de snaar slaan of strijken); sul ponticello (dicht bij de kam strijken, veroorzaakt een glasachtige klank); sul tasto (op de toets, maakt de toon doffer doordat de hogere boventonen verdwijnen); tremolo (gelijkmatig strijken met zeer korte, snelle streken); pizzicato (tokkelen met een van de handen). De linkerhandtechniek bestaat, behalve uit het verkorten van de snaren door het plaatsen van de vingers in verschillende posities, ook uit vibrato (beving), waardoor de toon meer intensiteit krijgt; het dubbelgreepspel (verschillende tonen tegelijk) is zowel een kwestie van linker- als van rechterhandtechniek (akkoordspel).
Bij de eigentijdse composities worden allerlei nieuwe effecten toegepast, waaronder velerlei soorten pizzicato (o.m. het zgn. Bartók-pizzicato, waarbij de snaar op de toets slaat), het tussen kam en staartstuk strijken (zeer hoge krasserige tonen), op het staartstuk strijken, op het corpus kloppen, glissando- (met de vinger van de linkerhand over een snaar glijden) en flageoleteffecten, het gebruik van contactmicrofoons, enz. De specifiek ‘tonale’ stemming van de vioolsnaren, alsmede het feit dat de viool vnl. een melodie-instrument is, maakt haar gebruik in de eigentijdse muziek problematisch.
Een sourdine, op de kam geplaatst, verzwakt de toon en veroorzaakt een speciaal timbre (weinig boventonen). Scordatura wordt de verstemming van de snaren genoemd, afwijkend van de normale stemming (bijv. de vioolsolo in deel II van Mahlers 4de symfonie: de snaren zijn een grote seconde hoger gestemd en de solopartij staat een grote seconde lager genoteerd dan de overige instrumenten. Alle spelen in dezelfde toonsoort, maar de klankkleur van de viool geeft een bijzonder effect).
Strijkstokhouding. In de 18de eeuw hadden zich uit de veelheid van houdingen die uit middeleeuwse afbeeldingen bekend zijn, de Italiaanse stokhouding (hand op ca. van de stoklengte) en de Franse stokhouding (duim onder de slof, vingers op de stok, pink onder het uiteinde van de stok) ontwikkeld; vermengingen van beide houdingen kwamen voor. Onder invloed van de musiceertrant van de romantiek, waarbij een groter klankvolume gewenst was, wijzigde de stokhouding zich via de Duitse (aanrakingspunt op de stok: eerste lid wijsvinger) en de Frans-Belgische (aanrakingspunt: wijsvinger tussen eerste en tweede lid) tot de huidige (aanrakingspunt: vlak voor het derde lid).
| 3. Geschiedenis |
De oorsprong van de strijkinstrumenten is nog vrij duister. De oervorm van de middeleeuwse strijkinstrumenten is waarschijnlijk de Arabische rebab, waaruit de Europese rebec ontstond. De Keltische crwth, beïnvloed door de Griekse lyra, wordt ook als voorloper van middeleeuwse instrumenten aangemerkt; andere musicologen zien dit instrument echter als de laatste vorm van de harpachtige rotta. Het typerende kenmerk van de rebec (ook gigue of Geige genoemd) was het peervormig klanklichaam met een bol achterblad, een vorm die later terugkwam bij de pochette en ten slotte in de 18de eeuw geheel verdween. De ontwikkeling van instrumenten met twee bladen, verbonden door zijranden, zette echter door; in Duitsland waren ca. 1500 de Gross-Geige en de Klein-Geige met zijranden bekend. Deze Geigen werden in groepen gebouwd. De middeleeuwse fidel of vielle (waarvan de naam ook vragen opwerpt) had dunne zijranden, een elliptisch corpus (later langgerekter), een aangezette hals met opgezette toets, sagittaal-(rechtopstaande) stemschroeven, sikkel-, spleet- of C-vormige klankgaten, een kam en snarenhouder. Van de vijf snaren waren de beide laagste bourdonsnaren. Door de insnoering (Fr.: taille) van de klankkast kreeg de strijkstok meer vrijheid op de buitenste snaren. Omstreeks eind 16de eeuw onderging de vielle nog diverse verbeteringen. Hieruit groeiden ten slotte de directe voorlopers van de huidige strijkinstrumenten (lira en viola). Wanneer de eerste violen zijn gebouwd, is niet te bepalen. Tijdens de barok had de viool een kortere hals en toets en kleinere langbalk dan tegenwoordig (deze barokviolen worden thans weer gebouwd).
De houding waarin de viool gespeeld werd, maakte ook een ontwikkeling door; aanvankelijk hield men het instrument voor de borst en ondersteunde het met de linkerhand (waardoor geen goed positiespel mogelijk was), later hield men het op de schouder, plaatste de kin aan de rechterkant (thans linkerzijde) van het staartstuk en ging men een kinhouder (Louis Spohr, ca. 1832) toepassen.