violoncello
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
violoncello
2. Violoncelliteratuur

De celloliteratuur uit de 18de eeuw omvat een groot aantal sonates met basso continuo, waaronder werken van Nederlandse componisten als Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Het hoogtepunt uit deze tijd vormen de zes solosuites van J.S. Bach (de zesde suite is voor een vijfsnarig instrument, de violoncello piccolo). In de composities van L. Boccherini, zelf cellist, wordt m.n. ook van het hoge register van de cello gebruik gemaakt (in het strijktrio in c kl.t. tot c3). De eerste sonates voor violoncello met een obligate pianopartij zijn de twee sonates op. 5 (in F en g) van Beethoven. Andere werken van Beethoven voor violoncello zijn de sonates op. 69, 102 en drie variatiewerken. Sonates of kleinere werken zijn verder gecomponeerd o.a. door Schumann, Chopin, Brahms, Saint-Saëns, Reger, Debussy, Strauss, Rachmaninov, Honegger, Hindemith en Kodály. Werken voor violoncello met orkest componeerden C.Ph.E. Bach, Stamitz, Schumann, Dvořák, Tsjaikovski, Lalo, Saint-Saëns, Elgar, Caplet, Roussel, Hindemith, Martinu, Pijper, Badings. Beethoven componeerde een tripelconcert met cello, Brahms een dubbelconcert (viool, cello). Sonates voor cello-solo zijn geschreven door o.a. Reger en Kodály. Vanaf de Weense klassieken komen cellosolo's voor in orkestwerken (aria ‘Batti, batti’ uit Don Giovanni van Mozart). Solistische partijen voor het cellokoor worden aangetroffen in o.a. de Unvollendete van Schubert, de tweede symfonie van Brahms, Shéhérazade van Rimski-Korssakov, de Pathétique van Tsjaikovski, de 7de symfonie van Bruckner, La mer van Debussy. In Don Quixote verwerkte Richard Strauss een beroemde cello-solo.