| Zoekweergave | violoncello | Terug |
| Introductie |
violoncello, ook kortweg cello genoemd, strijkinstrument, ontwikkeld in de tweede helft van de 16de eeuw in Italië, stamt uit de viola-groep en heeft vele kenmerken behouden van de viola da braccio-typen, hoewel de naam een verkleinwoord is van violone (welk instrument gamba-eigenschappen heeft). De cello heeft vier snaren, in kwinten gestemd (C–G–d–a; voor de notering gebruikt men bas- of F-, tenor- of C- en soms viool- of G-sleutel). Het instrument heeft een corpuslengte van 75 cm en komt qua bouw overeen met de viool, afgezien van bepaalde proporties en van de in verhouding hogere zijranden. De cello rust met een verstelbare pen op de grond. Door de grote afstanden tussen de tonen is het niet mogelijk, zoals bij de viool en altviool, vier opvolgende tonen te spelen zonder positiewisseling. Om meer mogelijkheden met de linkerhandtechniek te hebben, gebruikt men ook de duim op de snaren (duimpositie). Dubbelgreepspel wordt in ensemblewerken en in het orkest weinig, in solowerken wel toegepast. De hoofdstreken zijn dezelfde als die bij het vioolspel (zie viool: § speeltechniek).
| 1. Geschiedenis |
Omstreeks 1680 schreef D. Gabrielli de eerste solowerken, Ricercari per violoncello solo, voor het instrument. De meer virtuoze behandeling van het instrument, in verband waarmee het vanaf de 18de eeuw kleiner werd gebouwd, ging uit van Frankrijk; Michel Corette publiceerde in 1741 de eerste violoncello-school, en Jean Louis Duport in 1770 het eerste grote systematische studiewerk. De invoering van François Tourtes concaaf gebogen strijkstok tegen het eind van de 18de eeuw bevorderde de techniek, waardoor de cello, die aanvankelijk een basso continuo-functie had, een zelfstandiger partij in kamermuziekensembles werd, m.n. in het strijkkwartet. Speelde de cello in het orkest aanvankelijk unisono met de contrabas, vanaf de 19de eeuw werd ook de orkestfunctie veel belangrijker.
Bekende cellisten uit de 20ste eeuw zijn Pablo Casals, Pierre Fournier en Mstislav Rostropovitsj, in Nederland Carel van Leeuwen Boomkamp,Tibor de Machula en Anner Bijlsma.
| 2. Violoncelliteratuur |
De celloliteratuur uit de 18de eeuw omvat een groot aantal sonates met basso continuo, waaronder werken van Nederlandse componisten als Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Het hoogtepunt uit deze tijd vormen de zes solosuites van J.S. Bach (de zesde suite is voor een vijfsnarig instrument, de violoncello piccolo). In de composities van L. Boccherini, zelf cellist, wordt m.n. ook van het hoge register van de cello gebruik gemaakt (in het strijktrio in c kl.t. tot c3). De eerste sonates voor violoncello met een obligate pianopartij zijn de twee sonates op. 5 (in F en g) van Beethoven. Andere werken van Beethoven voor violoncello zijn de sonates op. 69, 102 en drie variatiewerken. Sonates of kleinere werken zijn verder gecomponeerd o.a. door Schumann, Chopin, Brahms, Saint-Saëns, Reger, Debussy, Strauss, Rachmaninov, Honegger, Hindemith en Kodály. Werken voor violoncello met orkest componeerden C.Ph.E. Bach, Stamitz, Schumann, Dvořák, Tsjaikovski, Lalo, Saint-Saëns, Elgar, Caplet, Roussel, Hindemith, Martinu, Pijper, Badings. Beethoven componeerde een tripelconcert met cello, Brahms een dubbelconcert (viool, cello). Sonates voor cello-solo zijn geschreven door o.a. Reger en Kodály. Vanaf de Weense klassieken komen cellosolo's voor in orkestwerken (aria ‘Batti, batti’ uit Don Giovanni van Mozart). Solistische partijen voor het cellokoor worden aangetroffen in o.a. de Unvollendete van Schubert, de tweede symfonie van Brahms, Shéhérazade van Rimski-Korssakov, de Pathétique van Tsjaikovski, de 7de symfonie van Bruckner, La mer van Debussy. In Don Quixote verwerkte Richard Strauss een beroemde cello-solo.