| Verenigde Staten van Amerika | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 6. De 21ste eeuw |
| 6.1 Verkiezingsstrijd 2000 |
De verkiezingen van november 2000 gingen tussen de Democratische vice-president Al Gore en de Republikeinse gouverneur George W. Bush van Texas. In hun strijd voor het presidentsschap werden Gore en Bush terzijde gestaan door respectievelijk senator Joseph Lieberman van Connecticut en door Dick Cheney, de voormalig minister van Defensie onder zijn vader George Bush. De verkiezingsstrijd draaide inhoudelijk vooral om Bush’ belofte van belastingverlaging, terwijl Gore voorrang gaf aan schuldaflossing en het veiligstellen van de oudedagsvoorziening.
Doordat in de staat Florida, waarvan de uitslag beslissend was voor het winnen van de verkiezingen, Al Gore slechts enkele honderden stemmen minder leek te hebben dan George Bush, werd besloten tot hertelling. Maar de eerste hertellingen gaven geen uitsluitsel, en na een reeks rechtszaken over hertellingen, wees het federale Hooggerechtshof een laatste hertelling af, waardoor Bush officieel winnaar werd; Al Gore erkende zijn nederlaag. Bij verschillende onderzoeken in 2001 bleek uiteindelijk dat de zege van George Bush inderdaad terecht was. Om een situatie als deze in de toekomst te voorkomen, presenteerden twee ex-presidenten, Jimmy Carter en Gerald Ford, in augustus 2001 een plan tot hervorming van de verkiezingsprocedures. In oktober 2002 bereikte het Congres overeenstemming over hervorming en modernisering van het verkiezingsstelsel om problemen als tijdens de presidentverkiezingen van 2000 in Florida te voorkomen. Het systeem zou pas na 2004 operationeel zijn.
De bittere juridische strijd om de uitslag (en het feit dat Gore in totaal meer stemmen had gekregen) leidde tot een verscherping van de tegenstellingen tussen beide grote partijen en betekende dat de nieuwe president een zwak mandaat zou hebben. In de Senaat hadden beide partijen nu evenveel zetels, terwijl de kleine Republikeinse meerderheid in het Huis verder slonk en zelfs toen de Republikeinse senator James Jeffords van Vermont in mei 2001 uit protest tegen de weinig verzoenende opstelling van de nieuwe regering opstapte. Bij de Congresverkiezingen in november 2002 verloren de Democraten hun meerderheid van één zetel in de Senaat en vergrootten de Republikeinen hun meerderheid in het Huis.
| 6.2 Eerste regeerperiode Bush jr. (2001-2004) |
| 6.2.1 Vóór 11 september 2001 |
De nieuwe president wees de gerespecteerde voormalig generaal en chef-staf Colin Powell aan als minister van Buitenlandse Zaken en politicologe Condoleezza Rice als Nationale Veiligheidsadviseur. Donald Rumsfeld werd minister van Defensie, een post die hij ook al onder president Ford had vervuld. Bush koos John Ashcroft, een conservatieve ex-senator van Missouri, als minister van Justitie, terwijl Paul O’Neill, topman van aluminiumconcern Alcoa, de post Financiën kreeg.
In februari 2001 presenteerde Bush zijn plan voor een belastingverlichting van $ 1600 miljard over tien jaar, door onder meer een sterke verlaging van de toptarieven in de inkomstenbelasting en de successierechten. De plannen kregen veel kritiek, omdat zij ten koste zouden gaan van het onder Clinton gerealiseerde begrotingsevenwicht en de vermindering van de staatsschuld, maar de regering wees op de noodzaak de afzwakkende economie een impuls te geven. In mei werd een aangepast plan aangenomen, dat voorzag in een belastingverlaging van $ 1350 miljard.
Ook op andere terreinen rekende de nieuwe regering af met de erfenis van de Democraten. Een aantal onder Clinton ingevoerde milieuwetten werd ingetrokken. De regering besloot steun aan internationale hulporganisaties te staken indien deze abortus in hun pakket hadden. Bush’ energiewet, die onder meer voorzag in belastingfaciliteiten voor de sector en toestemming voor omstreden olieboringen in een natuurreservaat in Alaska, kreeg brede steun in het Congres, evenals de onderwijswet, die hogere eisen stelde aan de kwaliteit van openbare scholen.
De staat Californië werd begin 2001 getroffen door herhaalde stroomstoringen als gevolg van achtergebleven investeringen in opwekkingscapaciteit, die in verband werden gebracht met een ondoordachte deregulering van de sector. Ook elders deden zich tekorten voor. De stroomtarieven stegen met tientallen procenten.
In het buitenland maakte de regering-Bush zich in de eerste helft van 2001 niet zeer geliefd. In maart liet Bush weten geen heil te zien in het ook door de VS getekende Kyoto-protocol uit 1997 ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In mei bevestigde hij de Amerikaanse intentie een ‘ruimteschild’, een raketafweersysteem in de ruimte, te bouwen, en distantieerde hij zich van het ABM-verdrag uit 1972, dat dergelijke systemen verbood. Diezelfde maand blokkeerde het Huis opnieuw de achterstallige contributies aan de Verenigde Naties, nadat het Amerikaanse lid van de VN-mensenrechtencommissie was weggestemd. In december 2001 nam de Senaat ten een afgezwakte versie aan van een amendement van het Huis tegen deelname aan het Internationaal Strafhof ter vervolging van oorlogsmisdadigers in Den Haag (het oprichtingsverdrag daartoe was in december 2000 door president Clinton getekend.) In mei 2002 trok de regering zich officieel terug uit het verdrag. Ook weigerden de Verenigde Staten het mandaat van de VN-vredesmacht in Bosnië te verlengen zolang deelnemende militairen onder jurisdictie van het Strafhof zouden vallen. Daarop besloot de Veiligheidsraad deelnemers aan VN-vredesmissies tijdelijke immuniteit te verlenen, zoals ook bleek te zijn bedongen voor Europese deelnemers aan de VN-operaties in Afghanistan. In oktober 2002 besloot de EU de mogelijkheid te bieden dat Amerikaanse verdachten in de Verenigde Staten zelf zouden worden berecht, indien het om het personen op officiële missies ging.
In juli 2001 dwarsboomden de VS een VN-plan om de handel in kleine wapens aan te pakken, en verwierp de regering een ontwerpprotocol voor de naleving van de in 1972 gesloten conventie tegen biologische wapens.
| 6.2.2 De aanslagen van 11 september 2001 |
In de morgen van 11 september 2001 boorde een Boeing-767 van American Airlines, met 92 inzittenden, zich in de noordtoren van het World Trade Center in Lower Manhattan in New York; 16 minuten later vloog een Boeing-757 van United Airlines, met 65 personen aan boord, tegen de zuidtoren. Terwijl duizenden mensen in paniek de brandende gebouwen ontvluchtten, kwam om 9.40 uur een Boeing-757 van American Airlines, met 64 mensen aan boord, neer op het Pentagon, het ministerie van Defensie, in Washington. Tegen half elf stortte in New York de zuidtoren in, enkele minuten later de noordtoren, duizenden mensen (onder wie honderden toegesnelde hulpverleners) verpletterend. Tegelijk stortte nabij Pittsburgh, Pennsylvania, een Boeing-757 van United Airlines, met 44 inzittenden, neer. Later bleek dat alle toestellen waren gekaapt voor zelfmoordacties, waarbij een kaper het vliegtuig bestuurde. Bij de vierde actie, mogelijk gericht op het Witte Huis, hadden (zo bleek uit telefoongesprekken met passagiers) enkele inzittenden de kapers overmeesterd.
President Bush, op bezoek in Florida, keerde, na een kort verblijf op een luchtmachtbasis, terug naar Washington, waar hij de natie toesprak en beloofde de verantwoordelijken te zullen opsporen en straffen. In eerste instantie dachten velen aan een wraakactie van Irak, maar de meeste van de 19 kapers konden snel worden geïdentificeerd en bleken banden te onderhouden met het al-Qaida-netwerk van de Saoediër Osama bin Laden, die ook betrokken was geweest bij de bloedige aanslagen op Amerikaanse ambassades in Afrika, in 1998, en die in Afghanistan verbleef. Terwijl in New York naar overlevenden werd gezocht en voorzichtig begonnen werd met puinruimen, werden in de VS en in verschillende Europese landen honderden verdachten gearresteerd, waarmee vermoedelijk andere terroristische acties werden voorkomen. Uiteindelijk bleken in New York ongeveer 2800 slachtoffers te zijn gevallen (veel minder dan aanvankelijk werd gevreesd) en in Washington 189.
Na 11 september werd de toon van de buitenlandse politiek bepaald door de noodzaak een wereldbrede coalitie tegen het internationale terrorisme op te bouwen, en werden oude geschillen bijgelegd. Vooral de verhouding met Rusland verbeterde sterk. Rusland en enkele Centraal-Aziatische voormalige sovjetrepublieken nabij Afghanistan steunden de geallieerde actie. Maar ondanks een persoonlijke top van Bush met president Vladimir Poetin, in Texas in november 2001, kon geen overeenstemming worden bereikt over het ABM-verdrag (waarover de VS de Russen in augustus een ultimatum hadden gesteld), en in december zegde Bush alsnog eenzijdig het verdrag op. In mei 2002 tekenden hij en president Poetin in Moskou een nieuw verdrag dat voorzag in reductie van de wederzijdse aantallen kernkoppen met twee derde over een periode van tien jaar; in Rome bevestigden de leiders van de NAVO-landen daarop een nieuw ‘partnerschap’ met Rusland.
Op 11 december 2001 werd de eerste verdachte van de aanvallen van 11 september aangeklaagd, de zgn. ‘twintigste kaper’, die vóór 11 september na een tip was aangehouden. In oktober had het Congres de regering speciale bevoegdheden verleend om het terrorisme te bestrijden. In de Verenigde Staten en daarbuiten werden vele verdachten van gepleegde of geplande aanslagen gearresteerd, onder wie een Amerikaan met banden met al-Qaida die een aanval met een ‘vuile bom’ op Washington zou voorbereiden. Er was echter veel kritiek op het falen van de FBI en de CIA, vooral toen bleek dat er waarschuwingen waren ontvangen voor de aanslagen op 11 september 2001. President Bush besloot daarop tot een ingrijpende reorganisatie van het veiligheidsapparaat, en de instelling van een overkoepelend ministerie van Binnenlandse Veiligheid.
De 9/11-commissie, die de aanslagen van 2001 moest onderzoeken, bracht in juli 2004 een rapport uit dat uiterst kritisch was over de regering. Zo had Bush bij zijn aantrede in 2001 de waarschuwingen van zijn voorganger, Clinton, genegeerd, hadden de inlichtingendiensten langs elkaar heen gewerkt en had vice-president Cheney ten onrechte naar Saddam Hussein gewezen. De commissie adviseerde een Nationale Directeur Inlichtingen te benoemen om de inspanningen op dit gebied te bundelen, waartoe de CIA zou moeten worden opgesplitst. Bush nam het voorstel over, dat ondanks bedenkingen van veel Republikeinen in december 2004 door het Congres werd aanvaard.
| 6.2.3 Afghanistan |
Vrijwel direct na de aanslagen van 11 september 2001 ondernamen Bush en minister Colin Powell van Buitenlandse Zaken een diplomatiek offensief om internationale steun te verwerven voor militaire actie tegen de daders en landen die hun onderdak boden. De meeste landen, ook Pakistan, dat diplomatieke betrekkingen onderhield met het Talibanbewind in Afghanistan, schaarden zich achter de VS, en de VN-Veiligheidsraad nam een resolutie aan die sancties mogelijk maakte tegen landen die terroristen steunden. De NAVO-landen verplichtten zich, overeenkomstig artikel 5 van het handvest, tot steun aan de aangevallen bondgenoot. Het Talibanregime weigerde Bin Laden uit te leveren, maar terwijl de VS, met steun van vooral Groot-Brittannië, zich opmaakten voor een militaire actie en veel Afghanen het land ontvluchtten, liet Bush weten geen snelle, massale tegenaanval te zullen ondernemen. Pas op 7 oktober 2001 werd begonnen met luchtaanvallen op strategische doelen (operatie-Enduring Freedom). Enkele weken later werden ook Amerikaanse en Britse commando-eenheden ingezet. Verschillende andere NAVO-landen leverden ondersteunende troepen en materieel.
Op 13 november 2001 trok de Noordelijke Alliantie Kabul binnen en sloegen de Talibantroepen op de vlucht. Op andere plaatsen werd fel weerstand geboden, vooral in Kandahar, waar Talibanleider Mohammed Omar zetelde. Op 7 december kwam het regime ten val, maar bleek Omar verdwenen. Twee dagen eerder was overeenstemming bereikt tussen vertegenwoordigers van verschillende Afghaanse groeperingen over de instelling van een interimregering, met als president de Pathaanse leider Hamid Karzai. De Europese Unie besloot een vredesmacht in het land te stationeren. In december 2001 viel ook het al-Qaida-bolwerk in de bergen van Tora Bora, nabij Jalalabad, maar Bin Laden werd niet gevonden en bleek eind 2002 nog in leven te zijn. Een andere leider van het netwerk, Abu Zubaydah, werd in 2002 in Pakistan opgepakt en aan de Verenigde Staten uitgeleverd. Op 1 maart 2003 arresteerde de Pakistaanse politie nummer drie van het terreurnetwerk al-Qaida, Khaled Sheikh Mohammed en in 2004 volgden in Jemen de arrestatie van nog twee al-Qaida-kopstukken, Abdul Rauf Nassib en de Egyptenaar Sayyed Imam Sherif. Toch bleven al-Qaida en de Taliban actief in Afghanistan.
Gevangen strijders werden overgebracht naar een speciaal ingericht kamp bij de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op Cuba. De detentie van circa 600 strijders uit Afghanistan op de basis Guantánamo Bay (waar volgens het Rode Kruis enkele tientallen zelfmoord pleegden) en het voornemen van geheime berechting gaf aanleiding tot kritiek omdat deze in strijd zou zijn met het internationale oorlogsrecht. Enkele Britten en een Australiër onder hen kregen op aandringen van hun regeringen juridische bijstand. In december 2003 bepaalden twee beroepshoven dat de gevangenen ten onrechte werden uitgesloten van hun grondwettelijke rechten; eerder had het Hooggerechtshof aangekondigd zich over de zaak te zullen buigen. Pas in de loop van het jaar 2004 werd een aantal verdachten vrijgelaten en werden enkele Britten, Fransen, Russen, een Spanjaard en een Saoediër aan de autoriteiten van hun vaderland overgedragen. In juni van dat jaar besliste het Hooggerechtshof dat de gedetineerden een beroep konden doen op de normale Amerikaanse rechtsgang. In augustus mochten de gevangenen voor het eerst met journalisten praten. In december 2004 zou de eerste verdachte worden voorgeleid, maar dit werd afgelast nadat een federale rechter in Washington had bepaald dat de procedure in strijd was met de Conventies van Genève.
De verdrijving van de Taliban en al-Qaida uit Afghanistan werd in oktober 2004 weliswaar bekroond met de vrije verkiezing van Hamid Karzai tot president, maar grote delen van het land bleven onveilig; Osama bin Laden bleef onvindbaar en zond af en toe een boodschap uit, onder meer vlak voor de Amerikaanse verkiezingen.
| 6.2.4 Israël |
De noodzaak een draagvlak te bouwen in de Arabische wereld zette de relatie met Israël op scherp. Premier Ariel Sharon werd onder zware druk gezet om escalatie van het conflict te voorkomen, en Bush sprak zich openlijk uit voor een Palestijnse staat. Toen in december het geweld steeds verder uit de hand liep, liet Bush echter weten toch begrip te hebben voor het harde optreden van Sharon, die daarop rechtstreeks de oorlog verklaarde aan de Palestijnse Autoriteit van Arafat.
In maart 2002 steunden de Verenigde Staten een VN-resolutie waarin voorzien werd in een Palestijnse staat. Premier Sharon had echter geen animo voor hernieuwde vredesonderhandelingen en vergeleek de terroristische acties van het Palestijnse verzet met die van al-Qaida. In juni 2002 sprak Bush zijn steun uit voor Sharons eis dat eerst Arafat van het toneel moest verdwijnen.
Tezamen met de VN, de EU en Rusland lanceerden de VS eind april 2003 een nieuwe ‘routekaart’ naar vrede, die door Israël en de nieuwe Palestijnse regering van Mahmoud Abbas werd geaccepteerd. Israël weigerde echter nederzettingen te ontruimen en ging door met de bouw van een omstreden muur, veelal dwars door Palestijns land. Na een gesprek met Abbas veroordeelde Bush de muur, om later tegenover Sharon zijn bezwaren weer terug te nemen. Een staakt-het-vuren van Hamas en andere extremistische groepen hield geen stand en in september trad Abbas af. Bij wijze van sanctie werden de Amerikaanse garanties voor Israëlische leningen voor nieuwe nederzettingen iets verlaagd. Maar Sharons aankondiging, in december, eenzijdig grenzen te zullen vaststellen wanneer het Palestijnse geweld niet binnen enkele maanden zou ophouden, werd in Washington met instemming begroet.
Op 14 april 2004 sprak president Bush in een brief zijn steun uit voor het plan van premier Sharon om alle 21 Israëlische nederzettingen in de Gazastrook te ontruimen, en in ruil daarvoor de grote verstedelijkte nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te behouden. Ook zei Bush dat de Palestijnen die in 1948 hun land ontvluchtten, en hun nazaten, nooit mogen terugkeren. Deze koerswijziging van Bush stond lijnrecht tegenover het tot dan toe door de Amerikanen ingenomen standpunt dat de Israëlische nederzettingenpolitiek een obstakel voor vrede was, en was strijdig met de door de Verenigde Staten, de Verenigde Naties, de Europese Unie en Rusland opgestelde routekaart naar vrede.
Het plan van Sharon had zowel in Israël als in de Palestijnse gebieden al voor grote beroering gezorgd. Sharons eigen partij, Likud, hield op 2 mei een referendum over het plan. Dit liep uit op een zware nederlaag voor Sharon: 59,9% stemde tegen. Na de dood van Arafat, in november 2004, zei Bush dat nieuw Palestijns leiderschap de kans op vrede verhoogde; hij ging niet in op de oproep van de Britse premier Blair om een internationale conferentie te beleggen, maar zei wel dat de VS zich ervoor inzetten in 2008 een Palestijnse staat te vestigen.
| 6.2.5 Irak 2002-2004 |
Irak was een van de weinige landen die de aanvallen van 11 september 2001 niet veroordeelden, maar een directe betrokkenheid kon niet worden aangetoond. In januari 2002 kwalificeerde Bush in zijn State of the Union drie landen als de ‘As van het Kwaad’: Irak, Iran en Noord-Korea, en Bush liet weten eindelijk te willen afrekenen met de Iraakse leider Saddam Hussein. Dit voornemen leidde tot verhitte discussies binnen de regering over de vraag of Amerika zelfstandig tegen Irak zou optreden of alleen wanneer het een mandaat kreeg van de VN-Veiligheidsraad. Daarbij spraken minister van Defensie Donald Rumsfeld en Nationaal Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice zich uit voor eventuele unilaterale actie, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het belang van een internationale aanpak benadrukte. Ook de Britse premier Tony Blair, die zich als enige van de Europese bondgenoten bereid verklaarde de Verenigde Staten in zo’n actie te steunen, pleitte voor een brede coalitie.
In het najaar van 2002 diende Bush bij de Veiligheidsraad een nieuwe resolutie over Irak in, met de impliciete waarschuwing dat Irak bij niet-naleving zou worden aangevallen. Daarbij hielden de Verenigde Staten de optie open om dan eenzijdig op te treden. In november nam de VN-Veiligheidsraad unaniem resolutie 1441 aan. Overeenkomstig de resolutie liet Irak daarop de VN-inspecteurs weer toe en Irak publiceerde een rapport volgens welk het niet meer over massavernietigingswapens beschikte. De Amerikanen wezen dit als onjuist van de hand en stuurden troepen naar het Golfgebied als voorbereiding op een eventuele aanval op Irak. Op 27 januari 2003 brachten de VN-inspecteurs hun eerste rapport uit, waaruit bleek dat Irak veel vragen over zijn wapenarsenaal onbeantwoord liet, en op 5 februari presenteerde minister Powell Amerikaans bewijsmateriaal dat Irak nog altijd over massavernietigingswapens beschikte en banden met al-Qaida had. Een tweede VN-rapportage, op 14 februari, leverde echter weinig nieuw inzicht op. De oorlogsvoorbereiding leidde intussen tot grote verdeeldheid onder de bondgenoten van de Verenigde Staten, en over de vraag of voor een aanval een nieuwe VN-resolutie nodig was. Duitsland lieten weten tegen een aanval te zijn, en kreeg daarin nu bijval van Frankrijk; veel andere EU- en NAVO-landen betuigden steun aan een eventuele aanval.
Op 21 maart 2003 vielen ongeveer 100 000 Amerikaanse, Britse en Australische troepen onder bevel van generaal Tommy Franks Irak binnen. Een dag tevoren was begonnen met het bombarderen van doelen in Bagdad. Binnen de VN-Veiligheidsraad bleek geen overeenstemming mogelijk over een VN-mandaat voor de actie, die volgens de Amerikaanse president Bush en de Britse premier Blair echter werd gewettigd door resolutie 1441 van november 2002. Hoewel de VN-wapeninspecteurs onder leiding van Hans Blix geen overtuigend bewijs konden vinden voor de aanwezigheid van massavernietigingswapens, had minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in februari aanwijzingen gepresenteerd dat Irak aan chemische en kernwapens werkte en terroristen steunde. Veiligheidsraadsleden Frankrijk en Rusland waren niet overtuigd, en binnen de NAVO en de EU ontstond grote verdeeldheid over de kwestie; in Europa werd massaal betoogd tegen de aanval.
Na aanvankelijke tegenslagen (onder meer doordat het Turkse parlement geen grondaanval via Turkije toestond) trokken de coalitietroepen op 9 april 2003 Bagdad binnen, waar velen hen als bevrijders toejuichten. Op 1 mei verklaarde Bush dat de oorlog voorbij was. Ongeveer 400 man van de coalitietroepen waren gesneuveld. Veel kopstukken van het regime gaven zich over of werden opgepakt, maar Saddam Hussein bleek ontkomen; de Amerikanen zetten US$ 25 mln op zijn hoofd. Van de vermeende massavernietigingswapens werd geen spoor gevonden. Pas op 13 december 2003 werd Saddam Hussein nabij zijn geboortestad Tikrit gearresteerd na door iemand uit zijn nabije omgeving te zijn verraden.
Terwijl de hevige bombardementen veel burgerslachtoffers (schattingen spreken van 5500 doden) hadden geëist en grote schade hadden aangericht (ook aan de water- en stroomvoorziening), bleek de coalitie slecht voorbereid op herstel. In mei 2003 benoemde Bush diplomaat Paul Bremer III tot burgerlijke bewindvoerder. De VN-Veiligheidsraad gaf de coalitie een mandaat om het land voorlopig te besturen, en onder meer Italië, Japan, Nederland, Polen, Spanje, Turkije en Zuid-Korea stuurden vredestroepen.
De buitenlanders en hun Iraakse medestanders (vooral politie) werden echter het doelwit van toenemend geweld, waarvan de herkomst veelal onduidelijk bleef. De VN en het Rode Kruis trokken zich na bloedige aanslagen op hun hoofdkantoren grotendeels terug. De VS benoemden in juli 2003 een Iraakse regeringsraad en zegden toe in juni 2004 de macht te zullen overdragen aan een voorlopige regering. Op een donorconferentie in Madrid zegden veel landen financiële steun toe. De vaak lucratieve contracten voor de wederopbouw gingen echter vooral naar Amerikaanse bedrijven met connecties binnen de regering.
Begin april 2004 gaf minister van Buitenlandse Zaken Powell toe dat de bewijzen die hij in februari 2003 aan de hand van satellietfoto's, opnamen van onderschepte gesprekken en informatie van overgelopen Irakezen aan de VN-Veiligheidsraad had gepresenteerd om de Raad ervan te overtuigen dat Irak een gevaar voor de wereld was en een oorlog onvermijdelijk, ondeugdelijk waren. Zij waren gebaseerd op gebrekkige en foute inlichtingen. Nog steeds waren in Irak geen massavernietigingswapens aangetroffen.
De aanhouding van Saddam Hussein, eind 2003, kon niet voorkomen dat de oorlog gevaarlijk escaleerde. Bloedige aanslagen waren aan de orde van de dag, veelal nadrukkelijk gericht op het torpederen van politiek en economisch herstel: systematische aanslagen op politiebureaus en op nieuwe rekruten voor leger en politie, vernielingen van oliepijpleidingen en nutsvoorzieningen en het vermoorden van medewerkers daarvan. Ook werd het moreel van Amerika’s bondgenoten systematisch ondermijnd door gerichte aanslagen, ontvoeringen en onthoofdingen (voor de camera en via internet verspreid). Een tiental bondgenoten haakte af, zoals Spanje, nadat na de aanslagen in Madrid op 11 maart 2004 een andere regering was gekozen, of liet weten de missie niet te zullen verlengen, zoals Nederland.
Eind april 2004 barstte een schandaal los toen buitengewoon schokkende foto's werden gepubliceerd van Irakezen die in de Abu Ghraib-gevangenis nabij Bagdad werden vernederd en gemarteld door Amerikaanse militairen. De verantwoordelijke Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld kwam zwaar onder vuur te liggen. Democraten eisten zijn aftreden. Rumsfeld bood zijn 'diepste verontschuldigingen' aan voor de misdragingen, maar weigerde af te treden. President Bush, vice-president Cheney en adviseur nationale veiligheid Condoleezza Rice hielden hem de hand boven het hoofd. In de loop van 2005 werden negen Amerikaanse militairen bestraft; de veroordeelden kregen maximaal tien jaar gevangenisstraf. Ze waren allen militairen van lagere rang, die zeiden in opdracht van hun superieuren te hebben gehandeld. Het ministerie van Defensie ontkende dit. Geen enkele hogere militair of politicus zou opdracht hebben gegeven om gedetineerden te mishandelen. De veroordeelden zouden op eigen initiatief hebben gehandeld. Ze hadden hiertoe de kans gekregen omdat er indertijd te weinig leidinggevenden waren in Irak.
De Amerikanen probeerden hun eigen rol in de strijd terug te brengen door de Verenigde Naties en de NAVO meer te betrekken en het gezag geleidelijk over te dragen aan een Iraaks interim-bewind. Dat lukte ten dele; op 8 juni 2004 nam de VN-Veiligheidsraad een resolutie aan voor de instelling van een interim-regering, die in januari 2005 te houden verkiezingen moest voorbereiden, en de NAVO besloot zich te belasten met de training van Iraakse militairen en politie. Op 28 juni 2004, twee dagen eerder dan gepland om eventueel geweld vóór te zijn, droegen de Verenigde Staten de soevereiniteit over aan de Iraakse interim-regering, onder leiding van de uit ballingschap teruggekeerde Iyad Allawi. Vlak na de overdracht verliet civiel bestuurder Paul Bremer Irak en keerde terug naar de VS.
In het najaar van 2004 werd de opstandige stad Falluja grotendeels verwoest. Er werden tussen de 1000 en 1200 opstandelingen gedood. Het aantal burgerslachtoffers werd vele malen hoger geraamd, maar bleef onbekend; bij de aanval op Falluja wezen de Amerikanen hulp van het Rode Kruis af.
| 6.2.6 Noord-Korea |
De strijd tegen het terrorisme werd verder gecompliceerd toen Noord-Korea in oktober 2002 bekendmaakte aan een kernbom te werken, in strijd met het verdrag uit 1994 waarbij de Verenigde Staten in ruil voor stopzetting van het nucleaire programma olie leverden. Washington zette die levering stop, waarop Noord-Korea aankondigde de productie van plutonium te hervatten en de VN-inspecteurs uitwees. De spanning liep verder op toen bleek dat Noord-Korea al over beschikte over een of meer kernwapens en over raketten die de Verenigde Staten zouden kunnen bereiken. In januari 2003 zegde Noord-Korea het Non-Proliferatieverdrag op. Het land weigerde multilaterale besprekingen en dreigde met een kernaanval op de VS (waartoe experts het technisch in staat achtten). In augustus 2003 stemde Noord-Korea toch in met besprekingen, waaraan ook Zuid-Korea, China en Japan deelnamen, in Peking, maar stelde daar eisen (veiligheidsgaranties en hulp, in ruil voor bevriezing van het kernwapenprogramma) die voor de VS onaanvaardbaar waren. Uiteindelijk werden in juni 2004 officieel besprekingen geopend, maar deze liepen vast op wederzijdse verwijten.
| 6.2.7 Syrië |
Al vóór de invasie van Irak beschuldigde Amerika Syrië ervan wapens te leveren, zelf over chemische wapens te beschikken en terroristen te steunen. In april 2003 bezocht minister van Buitenlandse Zaken Powell Damascus, waar hem alle medewerking werd toegezegd. Maar in september volgden nieuwe dreigementen, terwijl het Congres economische sancties voorbereidde. Washington protesteerde niet toen Israël in oktober een Palestijns kamp in Syrië bombardeerde.
Op 11 mei 2004 kondigde president Bush sancties tegen Syrië af. Alle export naar Syrië, behalve die van voedsel en medicijnen, werd verboden omdat het land terroristen zou steunen en massavernietigingswapens zou bezitten. De maatregel volgde uit een voorstel van het Congres dat eind 2003 wet werd. Syrië veroordeelde de sancties als 'onrechtvaardig en ongerechtvaardigd'.
| 6.2.8 Iran |
Minister Donald Rumsfeld van Defensie liet in mei 2003 weten dat de VS ook in Iran een ander bewind willen zien; de Amerikanen beschuldigden het land van steun aan terrorisme. Ook zou Iran in strijd met het Non-Proliferatieverdrag kernwapens ontwikkelen. Na zware druk van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) stemde Iran in oktober 2003 in met strengere en onaangekondigde controles van de nucleaire installaties in het land door inspecteurs van het IAEA. Toen Iran eind december 2003 werd getroffen door een zware aardbeving, boden de VS humanitaire hulp en ontstond enige toenadering. Toch bleef Iran aan verrijking van uranium werken. In november 2004 beloofde Teheran de Europese Unie het programma te zullen opschorten, maar volgens Washington ging Iran in het geheim door met de ontwikkeling van kernwapens.
| 6.2.9 Verhoudingen in het Congres |
Bij de tussentijdse verkiezingen in november 2002 verloren de Democraten hun meerderheid van één zetel in de Senaat en vergrootten de Republikeinen hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, een uitslag die een duidelijke steun betekende voor het beleid van president Bush. Afgevaardigde Dick Gephardt trad daarop af als leider van de Democratische fractie in het Huis, en werd opgevolgd door Nancy Pelosi, de eerste vrouwelijke fractieleider.
De gelijktijdig met de presidentsverkiezingen gehouden verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden en voor 34 zetels van de Senaat brachten de Republikeinen in november 2004 winst: zij kregen ten minste 231 van de 435 zetels in het Huis van Afgevaardigden en 55 van de 100 zetels in de Senaat.
| 6.2.10 Doodstraf |
In juni 2001 werd Timothy McVeigh, dader van de bomaanslag in Oklahoma City in 1995 waarbij 168 doden vielen, na een maand uitstel in verband met een vormfout, terechtgesteld. In datzelfde jaar berispte het Internationaal Gerechtshof de VS vanwege de executie in 1999 van twee Duitsers zonder dat dezen in de gelegenheid waren gesteld de hulp van hun consulaat in te roepen.
Van verschillende zijden bleef het verzet tegen de doodstraf aanhouden. In juli 2001 sprak rechter Sandra O’Connor van het Hooggerechtshof haar twijfels uit over de toepassing van de doodstraf, gezien het aanzienlijke aantal juridische dwalingen. In juli 2002 bepaalde een federale rechter in New York dat de doodstraf als zodanig in strijd is met de grondwet, vooral gezien het aantal gerechtelijke dwalingen. En vlak voor zijn aftreden, in januari 2003, verleende de Republikeinse gouverneur George Ryan van Illinois gratie aan alle 164 terdoodveroordeelden in zijn staat, verwijzend naar de vele rechterlijke dwalingen.
In 2002 oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof dat het executeren van mensen met een geestelijke achterstand in strijd is met de grondwet; in datzelfde jaar besliste hetzelfde hof ook dat de doodstraf alleen uitgesproken kan worden door een jury en dat de straf in geval van geestelijk gehandicapte moordenaars in strijd is met de grondwet. Een federaal hof van beroep verklaarde in september 2003 ruim 100 doodvonnissen in drie staten onwettig omdat de straf door een rechter in plaats van een jury was vastgesteld. In 2005 verbood het Hooggerechtshof de voltrekking van de doodstraf bij veroordeelden die nog geen achttien jaar waren ten tijde van het misdrijf.
| 6.2.11 Binnenlandse kwesties |
In februari 2004 deed het Hooggerechtshof van Massachusetts een uitspraak ten gunste van het homohuwelijk, en enkele dagen later gaf de burgemeester van San Francisco toestemming voor de voltrekking ervan. President Bush pleitte daarop voor een grondwettelijk verbod op dergelijke huwelijken. De Senaat wees dit voorstel van de hand, maar het Hooggerechtshof van Californië verklaarde de gang van zaken in San Francisco (en de voltrokken homohuwelijken) onwettig. Met zijn stellingname tegen het homohuwelijk bleek Bush een breed publiek aan te spreken. Uiteindelijk bleek de kwestie een belangrijke rol te hebben gespeeld bij de verkiezingen in 2004; in alle 11 staten waar in november een referendum werd gehouden over het homohuwelijk, werd het afgewezen. In maart 2004 nam het Congres een wet aan die bepaalde dat een foetus een persoon is, waarin velen een aanloop zagen naar een verbod op abortus. De onder Clinton aangenomen wet die het wapenbezit aan banden legde, werd in september 2004 ingetrokken.
| 6.2.12 Rampen |
Kort na de aanslagen van 11 september 2001 groeide de angst voor andere terroristische acties, mogelijk met chemische, biologische of nucleaire wapens, toen in oktober 2001 bij media en officiële instellingen brieven werden ontvangen met sporen van het dodelijke miltvuur. Verschillende regeringsgebouwen, waaronder het Capitool, moesten worden ontruimd en gereinigd. Vijf mensen die (direct of indirect) in aanraking met de brieven waren gekomen, kwamen om het leven. De oorsprong van de in New Jersey geposte brieven werd niet gevonden, en er kon geen verband worden gelegd met terroristische groepen. Vermoed werd dat het om een actie van binnenlandse extremisten ging.
Op 12 november 2001 stortte in de New Yorkse wijk Queens (waar veel slachtoffers van de terreuraanslag op 11 september hadden gewoond) een net opgestegen Airbus van American Airlines neer. Alle 260 inzittenden en zeven bewoners kwamen om het leven. Aanvankelijk werd gedacht aan een nieuwe daad van terrorisme en werden weer strenge veiligheidsmaatregelen genomen, maar het bleek een ongeluk te zijn.
In 2002 werden het midden- en zuidwesten getroffen door ernstige droogte en in veel staten braken bosbranden uit. In de omgeving van Denver, Colorado, en in Arizona werden honderden woningen in de as gelegd; in Californië gingen veel eeuwenoude sequoia’s verloren. In oktober 2003 braken in het zuiden van Californië opnieuw talrijke bosbranden uit, die als gevolg van langdurige droogte en hevige wind duizenden woningen in de as legden, 22 mensen kwamen om het leven.
In februari 2003 kwamen zeven astronauten om het leven toen het ruimteveer Columbia bij terugkeer naar de aarde in stukken brak. De oorzaak bleek te liggen in beschadiging van het hitteschild bij de lancering.
Een storing in het elektriciteitsnet in Ohio leidde in augustus 2003 tot urenlange stroomuitval in een groot deel van het noordoosten van de VS en in aangrenzende delen van Canada en trof 50 miljoen mensen. Het energiebedrijf, dat al eerder nalatigheid was verweten, bleek veel geld in het verkiezingsfonds van Bush te hebben gestort.
| 6.2.13 Begroting en economie |
Vanaf 2001 verslechterde de economische situatie. De werkloosheid liep op tot circa 6%. In december 2001 verlaagde de Federal Reserve (de centrale bank) de officiële rente tot 1,75%; in november 2002 tot 1,25% en in juni 2003 zelfs tot 1%, het laagste tarief in 45 jaar.
Het economische klimaat werd in 2002 beheerst door een aanhoudende malaise op de beurs en een reeks boekhoudschandalen. Veel bedrijven, waaronder het energieconcern Enron, dat in december 2001 ten onder ging, en de telecomgigant WorldCom, die in juni 2002 bezweek, bleken hun resultaten kunstmatig te hebben opgeklopt, vaak met goedkeuring van hun accountants. Bush hekelde de moraal van het bedrijfsleven en kondigde strengere wetgeving aan; accountantskantoor Arthur Andersen werd aangeklaagd en moest zijn activiteiten staken. De voorzitter van de SEC, de toezichthouder op de effectenbeurs, moest het veld ruimen. In het najaar van 2002 vroegen United Airlines en verzekeringsbedrijf Conseco uitstel van betaling aan.
In juli 2002 kreeg Bush van het Congres een mandaat om vrijhandelsverdragen af te sluiten (‘fast track’). Tegelijk werden echter de landbouwsubsidies verhoogd en voerden de VS ‘antidumpingheffingen’ in op ingevoerd staal, wat tot een handelsconflict leidde met onder meer de EU en Japan, die de zaak aanhangig maakten bij de WTO. Hierop draaide Washington de plannen deels terug.
In 2002 liep het federale begrotingstekort als gevolg van de afgenomen economische groei, de forse belastingverlagingen van 2001 en de extra uitgaven aan nationale veiligheid op tot ruim 3% van het bbp. Binnen de regering kon echter geen overeenstemming worden bereikt over de belastingplannen voor 2002, als gevolg van uiteenlopende opvattingen over de wenselijkheid van verdere stimulering en de vooral door minister O’Neill van Financiën benadrukte noodzaak van vereenvoudiging van het belastingstelsel. In december 2002 ontsloeg Bush O’Neill en economisch topadviseur Larry Lindsay, om de impasse te doorbreken en in een poging het vertrouwen in de economie te versterken. De president wees de uit het bedrijfsleven afkomstige John Snow aan als opvolger van O’Neill, en voormalig topbankier Stephen Friedman als zijn economische adviseur.
In 2003 kondigde Bush nieuwe belastingverlagingen aan voor in totaal US$ 674 mld (over 10 jaar), waarbij met name de belasting op dividend zou worden geschrapt. Dit zou een stimulans geven aan de economie. Tegelijk vroeg hij meer geld voor defensie, vooral voor geavanceerde wapensystemen. De regering flatteerde daarbij het begrotingstekort door de reserves van de oudedagsvoorziening in te calculeren. Ook de zich aankondigende oorlog in Irak bleef buiten beeld. De begroting stuitte echter op veel verzet, onder meer van Fed-voorzitter Alan Greenspan, en het Congres stemde in mei 2003 in met een gehalveerde belastingverlaging. Het Congres ging in november 2003 akkoord met een uitbreiding van de ziektekostenvergoedingen voor ouderen, maar verwierp de Energiewet, die voorzag in royale subsidies aan olie- en steenkoolbedrijven. Wel werd US$ 87 mld extra gevoteerd voor de oorlog.
Ook veel staten en steden kampten met tekorten. In Californië werd uit woede over slechte voorzieningen en een nieuwe belastingheffing (op auto’s) een referendum georganiseerd om de Democratische gouverneur Gray Davis af te zetten en een nieuwe gouverneur te kiezen. Onder de kandidaten was acteur Arnold Schwarzenegger, die op 7 oktober 2003 na een roerige campagne werd gekozen.
In januari 2004 becijferde het Budgetbureau van het Congres dat het financieringstekort over de komende tien jaar tweemaal zo hoog zou uitkomen als de regering voorspelde. Toch tekende Bush aan de vooravond van de verkiezingen de wet op de vierde belastingverlaging tijdens zijn regeerperiode, waardoor het tekort nog verder zou oplopen. Herhaaldelijk moesten in verband met de sterk stijgende uitgaven, vooral aan de oorlog in Irak en de binnenlandse veiligheid, extra middelen worden gevoteerd en moest het wettelijke plafond voor de staatsschuld worden verhoogd.
Tegenover een aanhoudend hoge groei in 2004 (4,4%) en een teruglopende werkloosheid (tot 5,5%) stond een weer wat oplopende inflatie, een explosief groeiend tekort op de betalingsbalans en een zich versnellende daling van de wisselkoers van de dollar, vooral tegenover de euro. De Federal Reserve verhoogde een aantal malen de rente, tot 2,25% in december. Uit een onderzoek van het Census Bureau, in augustus, bleek dat ondanks de gunstige conjunctuur het aantal armen in de VS in 2003 met 1,3 miljoen was toegenomen, en het aantal mensen zonder ziektekostenverzekering met 1,4 miljoen.
| 6.3 Presidentsverkiezingen 2004 |
De voorverkiezingen voor de kandidatuur van de Democratic Party bij de presidentsverkiezingen van november 2004 werden beslist op dinsdag 2 maart 2004, Super Tuesday. John Kerry, senator voor Massachusetts, kwam als grote winnaar uit de bus door overtuigend te winnen in New York, Californië, Ohio en zes andere staten. Na Kerry's overwinning gooide ook de laatst overgebleven Democratische kandidaat, John Edwards, senator voor North Carolina, de handdoek in de ring. Eerder hadden Howard Dean, oud-gouverneur van Vermont, en generaal Wesley Clark, oud-opperbevelhebber van de NAVO, de strijd al opgegeven. Als ‘running mate’ koos Kerry in juli John Edwards.
Van meet af aan ging de campagne meer over karakter en betrouwbaarheid dan over inhoudelijke geschillen over de oorlog in Irak, veiligheid of de economie. Kerry, die in Vietnam had gevochten en was onderscheiden, verweet Bush dat hij zich indertijd aan de oorlog had weten te onttrekken, waarop de Republikeinen indirect probeerden Kerry’s oorlogsverleden in diskrediet te brengen. Kerry wees erop dat onder Bush de werkloosheid was opgelopen en Bush waarschuwde dat Kerry de belastingen zou verhogen. Pas bij de eerste van de politieke debatten verweet Kerry de president een ‘kolossale vergissing’ te hebben begaan met de invasie van Irak; volgens de meeste commentaren kwam hij uit de debatten als overwinnaar naar voren, maar uiteindelijk won Bush’ imago van man van het volk die voor traditionele waarden stond, het van de afstandelijke intelligentie van Kerry. De op 2 november gehouden presidentsverkiezingen werden een overwinning voor zittend president Bush en diens running mate, vice-president Dick Cheney. De Republikeinse strategie om het brede midden van Amerika aan te spreken op conservatieve en godsdienstige waarden, had succes gehad: bij exit polls bleken ‘ethische kwesties’ als abortus en het homohuwelijk voor de meeste kiezers doorslaggevend te zijn geweest.
Bush kreeg 51% van de stemmen en daarmee 286 kiesmannen achter zich tegen Kerry 252. Consumentenactivist Ralph Nader, die dit keer als onafhankelijk kandidaat meedeed aan de verkiezingen, kreeg slechts 0,3% van de stemmen. De opkomst van 60,7% was de hoogste sinds 1960.
| 6.4 Tweede regeerperiode Bush jr. |
| 6.4.1 Benoemingen |
George W. Bush werd op 20 januari 2005 geïnaugureerd voor zijn tweede termijn als president. Dick Cheney bleef vice-president, maar minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell trad af. Officieel stapte hij op om meer tijd aan zijn familie te besteden. Er werd echter alom aangenomen dat hij in werkelijkheid vertrok omdat hij slecht overweg kon met de 'haviken' in en rondom het kabinet, zoals Donald Rumsfeld, die minister van Defensie bleef. Voormalig veiligheidsadviseur Condoleezza Rice volgde Powell op. Zij kondigde na haar beëdiging aan dat de Verenigde Staten meer wilden samenwerken met het buitenland. De eerste regering-Bush was vaak verweten dat zij zich te weinig gelegen liet liggen aan de Verenigde Naties en de buitenlandse bondgenoten. Ook wilden de Verenigde Staten wereldwijd despotisme gaan bestrijden, want onderdrukking en wanhoop zouden de belangrijkste voedingsbodems van het internationale terrorisme zijn.
Alberto Gonzales werd minister van Justitie. Hij volgde John Ashcroft op, die kampte met gezondheidsproblemen. Gonzales was tijdens Bush' eerste ambtstermijn juridisch adviseur van het Witte Huis. Tom Ridge trad 'om persoonlijke redenen' af als minister van Binnenlandse Veiligheid. Hij werd opgevolgd door Michael Chertoff. Na de terreuraanslagen in 2001 had hij als hoofd van de afdeling strafzaken van het ministerie van Justitie geadviseerd om de burgerrechten in de Verenigde Staten in te perken. John Snow werd minister van Financiën en de uit Cuba afkomstige Carlos Gutierrez minister van Handel.
John Roberts trad op 29 september 2005 aan als voorzitter van het Hooggerechtshof. Hij volgde William Rehnquist op, die op 3 september 2005 was overleden. De door president Bush voorgedragen Roberts was voormalig cassatieadvocaat en rechter. Hij stond bekend als gematigd conservatief.
President Bush stelde op 17 februari 2005 John Negroponte aan als eerste centrale directeur van alle Amerikaanse inlichtingendiensten. De functie werd gecreëerd op aanraden van de 11 septembercommissie, die onderzocht waarom de inlichtingendiensten de terreuraanslagen op 11 september 2001 niet hadden voorzien. Een van haar conclusies was dat de inlichtingendiensten onderling langs elkaar heen werkten. De centrale directeur moest hier verandering in brengen. Tevens werd de National Security Service opgericht, een inlichtingendienst binnen de FBI. Deze doet binnenlands onderzoek naar activiteiten die de openbare veiligheid mogelijk in gevaar brengen en probeert informatie van Justitie, spionagediensten en contraterroristische diensten met elkaar in verband te brengen.
De commissie-Silberman-Robb deed onderzoek naar het falen van de inlichtingendiensten in de aanloop naar de aanval op Irak, in maart 2003. Ze beweerden toen dat Irak over massavernietigingswapens beschikte, iets dat later niet waar bleek te zijn. Op 31 maart 2005 publiceerde de commissie een rapport, waarin ook zij concludeerde dat de inlichtingendiensten gebrekkig samenwerkten. Op haar aanraden werd de National Clandestine Service opgericht. Deze organisatie valt onder verantwoordelijkheid van de CIA en coördineert de activiteiten van de spionnen van alle Amerikaanse inlichtingendiensten.
| 6.4.2 Poltieke schandalen |
De regering- Bush werd in 2005 in verlegenheid gebracht door de zaak Valerie Plame, door de pers aangeduid als 'Plamegate'. De zaak gaat terug tot 2002, toen diplomaat Joseph Wilson in opdracht van het Witte Huis naar Niger reisde. Hij moest onderzoeken of de Iraakse dictator Saddam Hussein geprobeerd had daar grondstoffen voor massavernietigingswapens te kopen. Wilson constateerde dat hiervan geen sprake was. Maar omdat het Witte Huis het publiek hierna toch van het tegendeel probeerde te overtuigen, publiceerde Wilson in juli 2003 een spraakmakend artikel, waarin hij stelde dat de regering-Bush moedwillig leugens verkondigde. Niet lang hierna onthulden diverse kranten en tijdschriften dat Wilsons echtgenote, Valerie Plame, als geheim agent voor de CIA werkte. De bladen baseerden zich op anonieme bronnen binnen het Witte Huis. Alom werd aangenomen dat deze bronnen zich via Plame wilden wreken op Wilson. Met hun openbaring suggereerden ze dat Wilsons bezoek aan Niger niet meer was dan een snoepreisje, dat zijn vrouw voor hem had geregeld. Het openbaar maken van de identiteit van geheim agenten is in de Verenigde Staten strafbaar. Toen in oktober 2005 uit justitieel onderzoek bleek dat Lewis Libby een van de anonieme bronnen was, moest hij dan ook aftreden. Als stafchef van vice-president Cheney en veiligheidsadviseur van president Bush was hij een van de meest invloedrijke mensen van de Verenigde Staten.
Plamegate was niet het enige schandaal dat de Republikeinse Partij in verlegenheid bracht. In de zomer van 2005 werd de meest invloedrijke Republikeinse lobbyist, Jack Abramoff, gearresteerd. Hij zou mensen tegen betaling in contact hebben gebracht met zijn relaties rondom de president, maar ook Indianenstammen hebben opgelicht. En Tom DeLay, leider van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden, zou verkiezingscampagnes van Republikeinse politici hebben laten sponsoren door Texaanse bedrijven. Dit is in Texas verboden. DeLay trad in september af.
| 6.4.3 Irak 2005-2006 |
Volgens onderzoek van de krant Wall Street Journal, uitgevoerd in oktober 2005, was 53 procent van de Amerikanen tegen de oorlog in Irak. In maart 2003 was 77 procent nog voor. De verandering van de publieke opinie hing samen met de 2000ste Amerikaanse dode in Irak, die in oktober 2005 viel. Maar er ontstond ook weerzin omdat de oorlog de Amerikaanse staat gemiddeld 6 miljard dollar per maand kostte en veel langer duurde dan aanvankelijk was verwacht. Verder rees de vraag of de Amerikaanse aanwezigheid in Irak wel zin had, want de binnenlandse spanningen namen er in 2005 alleen maar toe. En menig Amerikaan voelde zich bedrogen, omdat het kabinet in 2003 stellig had beweerd dat Irak over massavernietigingswapens beschikte, hetgeen uiteindelijk niet waar bleek te zijn.
President Bush verscheen in 2005 regelmatig op tv om zijn Irak-beleid te verdedigen. Hij zei dat de Iraakse dictator Saddam Hussein zeker geprobeerd zou hebben om massavernietigingswapens te bemachtigen, als de coalitietroepen hem niet hadden verdreven. En die coalitietroepen moesten voorlopig nog in Irak blijven, omdat het land anders een vrijhaven voor terroristen zou worden. Democratische Congresleden zeiden hierop dat extremistische organisaties als al-Qaida pas na de Amerikaans-Britse invasie actief waren geworden in Irak. Ze eisten dat Bush aangaf wanneer Amerika zijn troepen terugtrekt. Met steun van het Congres besloot de president echter dat ze blijven tot Irak zijn eigen binnenlandse veiligheid kan bewaken.
| 6.4.4 Vervoer en marteling van gevangenen |
In de loop van 2005 verschenen in de media berichten over mishandelingen door Amerikaanse militairen in gevangenissen buiten de Verenigde Staten, onder meer in Afghanistan en de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op Cuba, waar zo'n vijfhonderd terreurverdachten sinds 2002 vastzitten zonder te zijn veroordeeld. In juni 2005 kwam ook de CIA in opspraak. Mensenrechtenorganisaties beweerden dat de inlichtingendienst terreurverdachten liet ondervragen in landen die martelen, zoals Pakistan, Syrië en Egypte. Op 2 november 2005 meldde de Washington Post dat de CIA kopstukken van het internationale terrorisme vasthield en mishandelde in geheime detentiecentra in Thailand, Afghanistan en Oost-Europa. Medewerkers van de CIA zouden dit tegenover het dagblad hebben verklaard. Hierna spraken regeringen van enkele West-Europese landen het vermoeden uit dat de CIA vliegvelden op hun grondgebied gebruikte voor geheime vluchten, mogelijk voor het vervoer van deze terreurverdachten.
Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice sprak op 7 november 2005 te Brussel met de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de NAVO-lidstaten. Rice gaf toe dat de CIA terreurverdachten per vliegtuig van het ene naar het andere ondervragingscentrum vervoerde, maar of de geheime detentiecentra werkelijk bestonden, liet ze in het midden. Ze ontkende dat de Amerikaanse regering instemde met marteling.
De Europese ministers accepteerden deze verklaring, maar de Amerikaanse Republikeinse senator John McCain vond het betoog van Rice te vrijblijvend. Op zijn aandringen riep het Congres op 15 december 2005 op tot een wettelijk verbod op hardhandige, inhumane en vernederende behandeling van gedetineerden in Amerikaanse gevangenissen en ondervragingscentra buiten de Verenigde Staten. President Bush dreigde aanvankelijk zijn veto uit te spreken over zo'n verbod. Hij dacht dat de kans op terroristische aanslagen in de Verenigde Staten zou toenemen als gearresteerde terreurverdachten niet langer gedwongen konden worden om hun geheimen prijs te geven. Maar eind december 2005 stemde hij toch met het voorstel in, omdat onder dwang afgelegde bekentenissen volgens deskundigen onbetrouwbaar zijn.
| 6.4.5 De orkaan Katrina |
Eind augustus 2005 verliet het overgrote deel van de inwoners van New Orleans de stad, op de vlucht voor de orkaan Katrina. De orkaan kwam op 29 augustus vanaf de Golf van Mexico aan land. Hij viel in categorie 4 op de schaal van Shaffir-Simpson, met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. De ravage in New Orleans viel aanvankelijk mee. Wel was er veel schade aan olie-installaties. De olieproductie viel hierdoor terug tot het niveau van 1943. Maar toen een dag na de orkaan dijken van het meer Pontchartrain doorbraken, ontstonden veel grotere problemen. Ca. 80 procent van New Orleans liep onder water, op sommige plaatsen stond het water 7 meter hoog. De naar schatting 100 000 mensen die nog in de stad aanwezig waren, vluchtten naar daken en viaducten. Omdat hulp uitbleef, zaten ze daar dagenlang zonder eten of drinken. Alle winkels waren verwoest of gesloten en werden op grote schaal geplunderd. Ondertussen maakten straatbendes de stad onveilig, omdat het politieapparaat slecht functioneerde. De gemeente had al voor de orkaan het stadion Superdome opengesteld als schuilplaats voor burgers. Voor de ca. tienduizend mensen aldaar was de situatie niet veel beter. De orkaan had een deel van het dak weggeblazen. Tevens bestond er gebrek aan sanitaire voorzieningen, drinkwater, voedsel en medicijnen.
Pas enkele dagen na de ramp kwam het leger naar New Orleans om mensen in veiligheid te brengen. Vanaf 7 september werden de 10 000 mensen die toen nog in de stad waren, op last van burgemeester Ray Nagin gedwongen geëvacueerd. New Orleans zat nog altijd zonder elektriciteit, telefoon, voedsel en drinkwater. De overstroming had tonnen chemisch vervuild slib verspreid en hele wijken waren verwoest.
Half oktober 2005 werd het laatste water weggepompt. Het grootste deel van de stad was eind december echter nog onbewoonbaar. 80 procent van de inwoners was nog niet teruggekeerd. Er waren inmiddels ruim 1300 doden geborgen, het merendeel in de kustgebieden van de staten Louisiana, waar New Orleans in ligt, en Mississippi. Onder hen waren ca. 200 patiënten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, die niet waren geëvacueerd. Er werden nog ca. 3000 mensen vermist.
Ondertussen analyseerden de media en de politiek wat er precies was misgegaan. De mensen die New Orleans niet tijdig waren ontvlucht, bleken vrijwel allemaal Afro-Amerikanen en ouderen te zijn, die het geld niet hadden om weg te gaan. Van de bevolking van New Orleans was overigens 70 procent zwart. Een derde leefde onder de armoedegrens. In de hele Verenigde Staten was dat in 2005 12,7 procent.
De federale overheid had de ernst van de situatie pas laat ingezien en bovendien stroef samengewerkt met de lokale overheden. President Bush bood hiervoor zijn excuses aan. Daar kwam bij dat de federale rampenbestrijdingsdienst slecht functioneerde door onkundig leiderschap. Directeur Michael Brown trad daarom af. De federale politiek werd verder verweten dat ze sinds 2001 veel aandacht had besteed aan terrorismebestrijding, maar weinig oog had voor andere bedreigingen van de veiligheid. En doordat ook milieubescherming geen prioriteit had, hadden projectontwikkelaars de kans gekregen natte natuurgebieden rondom New Orleans in cultuur te brengen. Deze hadden hierdoor hun temperende werking op stormen verloren en konden minder overtollig water absorberen of afvoeren. Ook New Orleans zelf trof blaam. De stad had al jaren eerder geld van de federale overheid gekregen voor dijkverzwaring. Dit was echter aan andere doelen besteed.
| 6.4.6 Economie |
Het Amerikaanse handelstekort bedroeg in september 2005 66,1 miljard dollar, een historisch record. Het begrotingstekort bedroeg in november 3 procent van het bruto binnenlands product. In 2005 stroomde dagelijks gemiddeld 3 miljard dollar vanuit het buitenland naar de Verenigde Staten om de tekorten te financieren. Het meeste geld kwam binnen via de verkoop van staatsobligaties en was afkomstig uit landen waarmee de Verenigde Staten een handelstekort hadden, vooral Japan en China.
Niet alleen de Amerikaanse staat, maar ook de burgers leefden op krediet. Eind 2005 stonden zij gemiddeld 1,5 procent van hun jaarinkomen in het rood, iets dat sinds 1933 niet meer was voorgekomen. Mede door de binnenlandse overbestedingen groeide de economie met 3,5 procent. Deze groei had een positief effect op de dollar, die aantrok van 1,36 ten opzichte van de euro in januari 2005 tot 1,20 in december. Ook dollaraankopen door China dreven de koers op.