| Verenigde Staten van Amerika | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 4. Geschiedenis tot WO II |
Zie voor de oorspronkelijke bevolking van de tegenwoordige Verenigde Staten, de Indianen, en de ontdekkingsgeschiedenis van Amerika Noord-Amerika.
| 4.1 Kolonisatie |
De eerste vestigingen van Europeanen vonden plaats in Florida, waar Franse hugenoten en Spanjaarden tussen 1562 en 1568 heftig streden om de voorrang. De Spanjaarden zegevierden en stichtten in 1567 St. Augustine. In het begin van de 17de eeuw vestigden de Spanjaarden zich definitief in New Mexico (1609 stichting van Santa Fe). In het naar de Engelse ‘virgin queen’ Elizabeth I genoemde Virginia slaagden de Engelsen onder leiding van John Smith erin om in 1607 een kolonie te vestigen. Een tweede Engelse vestiging kwam tot stand toen in 1620 de Pilgrim Fathers met het schip de Mayflower landden op de kust van Massachusetts en de kolonie Plymouth stichtten. In de daaropvolgende jaren werden zij gevolgd door de puriteinen, die in 1630 Boston stichtten. In dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden ontdekte de Engelsman Henry Hudson de naar hem genoemde rivier tot aan Albany en in 1624 begon de nederzetting op het eiland Manhattan. Nadat de hele kust verdeeld was, ontwikkelden de kolonies zich al naar gelang hun herkomst en ligging. Vanuit de Engelse kolonie Massachusetts ontstonden de nieuwe kolonies Connecticut en Rhode Island. In het zuiden ontstonden Maryland, Carolina (1663; in 1729 gesplitst in North Carolina en South Carolina) en Georgia (1731). In 1681 verwierf de leider van de quakers, William Penn, het recht tot kolonisatie in het naar hem genoemde Pennsylvania. Engeland ging steeds meer domineren langs de oostkust; de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland, die eerst zelf Nieuw-Zweden opslokte (1655), werd in 1664 veroverd en daarmee strekte het Engelse gebied zich uit van Canada tot Florida. In dit hele gebied werden Indianenstammen in bloedige oorlogen onderworpen.
Aanvankelijk waren de verschillen tussen de kolonies zeer groot, in economisch zowel als in godsdienstig opzicht. In de 18de eeuw werd godsdienstige tolerantie algemeen. Economisch ontstond een tegenstelling tussen het Noorden, dat weinig slavernij had en een gebied was van kleine boeren en handelaars, en het Zuiden, dat steeds meer bepaald werd door het systeem van de slavernij, effectief op de grote plantages van tabak, rijst en, later in de eeuw, katoen. De saamhorigheid in het hele gebied groeide vooral door de voortdurende strijd tegen de Fransen in Canada en door de expansie naar het westen. De Europese oorlogen werden ook in de Nieuwe Wereld gevoerd en leidden ten slotte in de French and Indian War (in Europa Zevenjarige Oorlog geheten) tot de verovering van Canada, dat in 1763 door Frankrijk werd afgestaan. Daarmee leek Engeland oppermachtig, maar juist de uitputtende oorlogen brachten het moederland ertoe steeds zwaardere belastingen op de kolonisten te leggen. Het mercantilistische systeem werd door de kolonisten gevoeld als uitbuiting en het verzet daartegen begon al in 1760. Het verzet mondde ten slotte uit in een oorlog, waarin op 2 juli 1776 de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. De onafhankelijkheid werd verdedigd in de op 4 juli aanvaarde, door Thomas Jefferson geschreven Declaration of Independence. Voor de ontwikkelingen, leidend tot de oorlog waarin de dertien koloniën in Noord-Amerika zich vrijvochten van Engeland, en voor de gebeurtenissen in de oorlog (1775–1783), zie Amerikaanse Vrijheidsoorlog.
| 4.2 Onafhankelijkheid |
Op 19 april 1783 erkenden de Britten bij de Vrede van Versailles hun verlies: de Amerikaanse republiek was daarmee officieel geboren. Er diende zich echter voor de republiek direct een nieuw probleem aan, nl. of de dertien voormalige koloniën tot een ordelijke organisatie in één staat zouden kunnen geraken. In 1781 hadden zij zich verbonden op de Articles of Confederation, een voorlopige grondwet, die de verschillende staten vrijwel onafhankelijk liet en als enig gezamenlijk lichaam het Congres kende, dat slechts enkele maanden per jaar vergaderde. Algauw bleken de euvelen van die al te losse verbintenis. De oorlogsschulden waren groot, de handel was achterop geraakt, het gezag ontbrak en hier en daar kwamen door inflatie bedreigde boeren tot gewapende opstand. Een partij van zgn. Federalisten bepleitte de opstelling van een betere grondwet, een sterker gezag. In 1787 kwam een conventie bijeen te Philadelphia, waar een nieuwe Constitutie werd aanvaard. Daarin werd, op basis van de driemachtenleer van Montesquieu, getracht een evenwicht te vinden tussen vrijheid en orde, tussen de wil van de meerderheid en de bescherming van minderheden (zie voor de bepalingen van de Constitutie § 2.1). Het kostte echter de grootste moeite de verschillende staten tot ondertekening van deze meer centralistische regeling te bewegen. Pas toen aan de grondwet een ‘bill of rights’ was toegevoegd, bestaande uit tien artikelen die de menselijke grondrechten bevatten (de eerste tien amendementen), werd de tegenstand overwonnen. Daarmee begon het geordende bestaan van de Verenigde Staten als een Unie. In 1789 kon de eerste president, George Washington, zijn ambt aanvaarden. De grondwet was de uiteindelijke voltooiing van de revolutie.
| 4.3 De jaren van consolidatie (1787–1815) |
In de praktijk bleek de nieuwe grondwet heel wat beter te voldoen dan het oude systeem. Washington omringde zich met bekwame medewerkers als Thomas Jefferson (Buitenlandse Zaken) en Alexander Hamilton (Financiën). Maar in die twee mannen was ook de principiële verdeeldheid gegeven die de Amerikaanse politiek verder zou bepalen. Hamilton representeerde de handel en de industrie van het Noorden, die belang hadden bij een sterke organisatie van de centrale regering en bij een gezonde financiële politiek door afbetaling van de schulden en herwaardering van het geld; Jefferson kwam op voor de belangen van de landbouw in het Zuiden en Westen en was daarom geporteerd voor meer economische vrijheid en in het algemeen voor meer rechten voor de afzonderlijke staten. Het was Hamilton die door oprichting van een Nationale Bank orde op zaken wist te stellen en die daardoor de steun van Washington kreeg. Om hen heen concentreerde zich een partij die zich de Federalisten ging noemen. Daartegenover kregen Jeffersons aanhangers de naam Republikeinen Party. Maar van een grondige organisatie zoals later was nog geen sprake. Washington werd in 1797 opgevolgd door John Adams die ook Federalist was, maar in 1800 wonnen de Republikeinen de verkiezingen en in 1801 werd Jefferson president. Hij bleek echter zijn idealen van states' rights moeilijk te kunnen volhouden; hij regeerde met veel gezag en kende niet eens het Congres in zijn belangrijkste beslissing, de aankoop van het zgn. Louisiana-territorium van Napoleon in 1803. Het gebied van de Unie werd daardoor verdubbeld. Even eigenzinnig probeerde hij de Amerikaanse neutraliteit te handhaven in de Europese oorlogen van deze tijd. In 1807 trachtte hij Engeland tot eerbiediging van de Amerikaanse rechten te dwingen, door een compleet handelsembargo af te kondigen, dat echter weinig effect sorteerde. Jeffersons opvolger, James Madison, een geleerde onpraktische man, liet zich verleiden tot een oorlogsverklaring aan Engeland in 1812. Met wisselend succes werd gestreden (de Engelsen veroverden o.m. Washington en verbrandden het Witte Huis), maar op het einde, 24 november 1814, werd bij de Vrede van Gent de status quo hersteld. Van de Amerikaanse bedoelingen Engeland ter zee in te tomen en Canada te veroveren, was niets terechtgekomen. Deze tweede oorlog tegen Engeland vond daarin zijn voornaamste betekenis dat het Amerikaanse nationale gevoel als het ware bezegeld werd. Na deze oorlog zou Amerika zich een eeuw lang buiten de Europese politiek houden, volledig geoccupeerd met de eigen opbouw en problemen.
De oorlog had de binnenlandse partijen tot elkaar gebracht. Federalisten en Republikeinen smolten samen tot de partij Nationale Republikeinen. Madisons opvolger, James Monroe, werd in 1820 zelfs zonder noemenswaardige tegenstand herkozen. Men noemt deze periode daarom ook wel de Era of good feeling. In allerlei zaken werd er de nadruk op gelegd dat de nationale eenheid boven de verdeeldheid van de staten ging. Men kan zeggen dat ook de Monroe-leer een uiting was van nationaal bewustzijn. Deze leer werd de grondwet van het Amerikaanse isolationisme, dat lang de buitenlandse politiek kenmerkte.
| 4.4 De uitbreiding naar het westen |
Terwijl de kolonisten hun strijd begonnen tegen Engeland trok de eerste grote pionier, Daniel Boone, door de Cumberlandpas naar Kentucky en opende zo een nieuwe, rijke wereld. Zodra Amerika vrij was begon de stroom van pioniers pas goed en deze zou een eeuw lang niet meer ophouden. Aan de frontier werd de werkelijke geschiedenis gemaakt, daar ontstond het nieuwe Amerika. Deze grote trek had twee reusachtige gevolgen voor de natie, want hij leidde enerzijds tot democratisering, anderzijds tot diepe verdeeldheid. De vermaarde theorie van de Amerikaanse historicus F.J. Turner dat de Amerikaanse democratie ontstaan is ten gevolge van de pioniersexpansie moge overdreven zijn, want er werd natuurlijk ook voortgebouwd op ideeën die uit Europa waren meegebracht, maar het is toch wel juist dat de strijd met de wildernis leidde tot een nieuwe gelijkheid, waarin ieder zich bewijzen moest, ongeacht zijn afkomst. Naarmate de expansie toenam, ontstonden nieuwe staten, Kentucky en Tennessee reeds voor 1800 (resp. 1792 en 1796) en vervolgens in de 19de eeuw Ohio (1803), Louisiana (1812), Indiana (1816), Mississippi (1817), Illinois (1819), Alabama (1819), Missouri (1821), Arkansas (1836), Michigan (1837). Telkens als een zuidelijke staat tot de Unie werd toegelaten volgde een noordelijke of omgekeerd, want de zich steeds verscherpende tegenstelling tussen Noord en Zuid eiste een evenwicht in de Senaat, waar immers alle staten gelijk vertegenwoordigd zijn. Op den duur was in het westen de scheiding tussen typisch noordelijk en zuidelijk niet meer vol te houden: het westen had zijn eigen aard. Maar juist daarom moest de verdere expansie de nationale eenheid wel ondergraven en dat zou ook letterlijk gebeuren. Voordat het echter zover kwam vond de grote democratisering plaats, en die verscherpte en verergerde de tegenstelling nog.
| 4.5 De grote democratisering |
Weliswaar waren de Verenigde Staten opgezet als een democratie, maar aanvankelijk was dat slechts een beperkte, want het kiesrecht was voorbehouden aan de bezittende klasse en slechts een kleine elite bepaalde de politiek. Van de eerste zes presidenten waren er vier planters uit Virginia en de andere twee, vader en zoon Adams, conservatieven uit Massachusetts. Toen in 1828 Andrew Jackson tot president werd gekozen, was dat de uitdrukking van een democratiseringsproces, dat zich vanuit het westen snel over Amerika verspreidde. Jackson was de leider van het volk, dat in verzet kwam tegen de oude elite, zo werd het tenminste gevoeld. Zijn partij wisselde van naam, niet langer noemde zij zich Republikeins, maar Democratisch. Daartegenover verenigden de oude conservatieve handels- en industriekringen, die vooral in New England zetelden, zich in een nieuwe partij met de naam Whigs, om aan te geven dat zij, naar eigen mening, erfgenamen waren van de vrijheidsstrijd tegen Engeland en zich daarom nu moesten verzetten tegen wat zij noemden de dictatuur van ‘King Andrew’. Zij waren wezenlijk de voortzetters van Hamiltons idealen, hun grote leider Henry Clay pleitte voor het zgn. American System: een sterke federale regering moest de industrie met tarieven beschermen, de infrastructuur van het land opbouwen door de aanleg van kanalen en wegen en zo het westelijke landbouwgebied binden aan de industriekernen in het oosten. Daartegenover predikte Jackson het oude evangelie van Jefferson, de rechten van de staten, de vrije economie, verzet tegen alle monopolies. In 1832 weigerde Jackson het charter van de Nationale Bank te vernieuwen en werd daardoor zo populair dat hij met een enorme meerderheid werd herkozen. Na zijn aftreden in 1837 brak de eerste grote economische crisis uit, die veel armoede en ontwrichting bracht. De democratisering, waarvan Jackson de exponent was, bleek vooral ook in de diverse staten van betekenis. Overal werd in de jaren tussen 1820 en 1840 het algemeen kiesrecht ingevoerd, overigens alleen voor blanke mannen. Maar de Verenigde Staten waren daarmee toch ver vooruit op Europa.
| 4.6 De oorlog met Mexico |
Tijdens de expansie naar het westen stuitte men aanvankelijk slechts op enkele Indiaanse stammen, die taai maar vruchteloos verzet boden. Ten slotte echter botste men in het zuidwesten op een andere macht, Mexico, terwijl in het noordwesten het probleem van de afbakening van de grenzen met Canada zou opdoemen. Wat Mexico betreft, in 1821 had dit gebied zich losgemaakt van het Spaanse moederland en in het begin hadden de Mexicanen geen enkel bezwaar tegen de Amerikaanse kolonisten die bij drommen hun provincie Texas binnenstroomden. Maar op den duur werden de Amerikanen een staat in de staat en zo kwam het in 1833 tot een conflict dat uitmondde in de uitroeping van de republiek Texas in 1836. Het lag voor de hand dat de Verenigde Staten de nieuwe republiek zouden annexeren, maar ingewikkelde politieke manoeuvres leidden ertoe dat de annexatie pas in 1845 tot stand kwam. Toen leidde zij tot oorlog: in 1846 vielen de geprovoceerde Mexicanen het Amerikaanse grensleger aan, wat het begin betekende van een tweejarige strijd, die eindigde met een volledige Mexicaanse nederlaag (zelfs Mexico City werd bezet) en vervolgens tot de Vrede van Guadalupe Hidalgo (februari 1848), waarbij Mexico het hele gebied van wat nu New Mexico, Arizona en Californië is, afstond. De president die verantwoordelijk was voor deze krachtige imperialistische politiek, James Polk, wist in dezelfde tijd ook een afdoende regeling met Engeland te treffen inzake de grensafbakening met Canada. In het noordwesten werd door beide partijen wat toegegeven, zodat de 49ste breedtegraad de grens werd (Oregon-verdrag 1846).
De oorlog met Mexico is het eerste grote voorbeeld van het Amerikaanse imperialisme. Er bleek uit dat de Verenigde Staten zich weliswaar tegenover de Oude Wereld isolationistisch opstelden, maar tegelijk naar het westen een ontembare expansie te zien gaven, die zelfs verder ging dan het eigen continent. Terwijl de Amerikanen de Atlantische Oceaan beschouwden als een barrière waarachter zij veilig waren, zagen zij de Grote Oceaan als een open weg naar de rijkdommen van Azië. Hun aandacht in die richting begon al vroeg. Al in 1784 was een Amerikaans schip de haven van Kanton binnengevaren en weldra waren de Verenigde Staten na Engeland de voornaamste handelsmacht in het Verre Oosten. Nadat Engeland in de Eerste Opiumoorlog de opening van China had afgedwongen, waren het de Amerikanen die in 1853 Japan dwongen havens voor de westerlingen open te stellen. Daarmee begon een betrokkenheid die onvoorstelbare gevolgen zou hebben, maar tegelijk onafwendbaar leek. Deze ontwikkeling werd echter in het midden van de 19de eeuw onderbroken door de strijd tussen het Noorden en het Zuiden.
| 4.7 De strijd tussen Noord en Zuid |
De stichters van de Amerikaanse staat hadden zich ernstige zorgen gemaakt hoe zij hun federatie bij elkaar zouden kunnen houden. Met name in het Zuiden was sprake van een opstandige geest tegen het federale gezag en deze werd sterker naarmate de zuidelijke positie verzwakte. In het conflict dat uiteindelijk ontstond draaide alles om het probleem van de slavernij. Terwijl de Noordelijke Staten voor of ca. 1800 overgingen tot, meestal geleidelijke, afschaffing van het systeem, schoot het in het Zuiden juist diepe wortels door de opkomst van de katoenverbouw. In het Noorden deden ondertussen de abolitionisten van zich spreken, radicale tegenstanders van de slavernij, die langzamerhand steeds meer indruk begonnen te maken. Zo verscherpten zich de tegenstellingen. Maar de tegenstellingen zouden niet zo urgent zijn geworden, als niet de uitbreiding naar het westen zulke grote dilemma's had opgeroepen. Zoals gezegd werd aanvankelijk nog getracht een zeker evenwicht tussen Noord en Zuid te bewaren. De problemen werden echter steeds groter en alleen via compromissen in het Congres bleef de eenheid binnen de Unie gehandhaafd, zoals in het geval van de toelating tot de Unie van Californië in 1850. Californië lag ten dele in het Zuiden, maar slavernij zou verboden zijn. Als zoenoffer aan het Zuiden kwam een strenge wet op ontvluchte slaven, waarbij de federale macht kon worden ingeschakeld als slaven naar het noorden ontsnapten. Maar weldra bleek dat een noodoplossing. Ten gevolge van de nieuwe wet ontwaakte in het Noorden de sympathie voor de negers, het abolitionisme groeide plotseling snel. In 1852 verscheen het boek van Harriet Beecher Stowe Uncle Tom's cabin en dit maakte het hele probleem wereldkundig. Snel volgden de gebeurtenissen elkaar nu op. In 1854 kwam het voorstel de pioniers in het westen zelf te laten beslissen (Kansas-Nebraska-wet 1854), maar in de praktijk leidde dat tot felle gevechten tussen voor- en tegenstanders van de slavernij in Kansas (Bleeding Kansas). Het Hooggerechtshof verklaarde in 1857 dat slaven altijd en overal bezit bleven, ook als hun eigenaar ze meenam naar het Noorden. Het ging de noorderlingen niet in de eerste plaats om sympathie voor de neger; wat veeleer in het geding was, was de vrije toegang tot het westen voor de kleine boeren. Dat was zo’n groot belang dat er in deze jaren een algehele partijverschuiving plaatsvond. De Whigs, die ook aanhang hadden onder de rijke planters van het Zuiden, raakten zo verscheurd over deze zaak, dat hun partij letterlijk ten onder ging. Onder hun noordelijke aanhangers werd een nieuwe partij gesticht, die zich de Republikeinen noemde (zie Republican Party). In haar vaandel schreef deze partij de vrijheid van het westen. Niet de kolonisten zelf zouden daar moeten beslissen of ze slavernij wilden, maar het Congres. De gedachte aan een sterk centraal gezag was dus primair. De nieuwe partij was geheel regionaal, alleen in het Noorden vond ze aanhang. Maar dat bleek algauw voldoende. Immigratie had in de laatste jaren het Noorden driemaal zo sterk in bevolking gemaakt als het Zuiden, dat met zijn slavernijsysteem geen toevloed van blanken kende. In 1860 won de Republikeinse presidentskandidaat Abraham Lincoln de verkiezingen. Hoewel Lincoln geen abolitionist was, was zijn verkiezing voor het Zuiden aanleiding om zich af te scheiden. In april 1861 kwam het tot een gewapend treffen en daarmee begon de Burgeroorlog (zie Amerikaanse Burgeroorlog). De oorlog mondde uit in een overwinning voor het Noorden onder leiding van Lincoln (1865). Deze werd op 14 april 1865 in een schouwburg neergeschoten door een zuidelijke fanaticus.
De Burgeroorlog was een strijd met als inzet het voortbestaan van de slavernij, maar tegelijk waren andere zaken in het spel. Tijdens de oorlog bevrijdde Lincoln de slaven per proclamatie, die op 1 januari 1863 van kracht werd (grondwettig bekrachtigd door het 13de amendement op de Grondwet, 1865). Maar voor Lincoln ging het in de strijd minstens zozeer om het behoud van de Unie, die immers het bewijs en de toetssteen van de democratie moest zijn. Met die Unie was dan ook het federale systeem in het geding; eens en voorgoed werd bewezen dat een staat niet zo maar de Unie kan verlaten. Economisch heeft de Burgeroorlog weer een andere betekenis gehad: het industriële, voor protectie geporteerde Noorden won van het agrarische, liberale Zuiden en na de oorlog begon dan ook de fabelachtige opbloei van de Amerikaanse industrie. Een laatste groot gevolg van de oorlog was de openstelling van het westen als vrij land voor de kolonisten (Homestead Act 1862).
| 4.8 Wederopbouw |
In de periode 1865 tot 1877 vond op landelijk niveau het herstel van de Unie in Washington en op regionaal niveau het herstel van het door de oorlog geteisterde Zuiden plaats (zie Reconstruction). Het humanitaire elan dat de Republikeinen na de oorlog wel bezielde, zakte al spoedig weg. Zoals zo vaak na een oorlog moesten de idealen wijken voor de materiële belangen. De zucht naar expansie en winst ging meer en meer domineren. Geobsedeerd door hun industriële ontwikkeling konden de machthebbers zich niet langer bekommeren om het Zuiden; in 1877 trokken ze de laatste troepen daar terug en lieten het gebied aan zichzelf over en daarmee de negers aan de willekeur van de blanken. Weldra wisten de zuiderlingen door segregatie en ontneming van het kiesrecht de negers terug te voeren tot een staat van semi-slavernij, en het Noorden, zelf gevangen in materialisme en imperialisme met duidelijk racistische elementen, liet dat allemaal toe.
| 4.9 De industriële expansie |
Zelden of nooit heeft een land zo’n snelle ontwikkeling doorgemaakt als de Verenigde Staten in de jaren tussen de Burgeroorlog en de Eerste Wereldoorlog. Het land werd in deze tijd vrijwel voortdurend geregeerd door Republikeinse politici die de nauwste banden hadden met de grote industrie. Alle faciliteiten konden de industriëlen krijgen, in een broeikas van protectie floreerden zij, van inkomstenbelasting hadden zij geen weet (pas het 16de amendement van 1913 zou de grondwettigheid daarvan erkennen) en door corruptie en afpersing verrijkten zij zich nog extra. Een kleine groep grootindustriëlen, ook wel de robber barons genoemd, beheerste het land (John D. Rockefeller, Edward H. Harriman, Leland Stanford, J.P. Morgan, Andrew Mellon, Andrew Carnegie, enz.). Zij maakten zichzelf en daarmee toch ook het land groot. Zij deden veel aan filantropie en stichtten musea en universiteiten. Belangrijk was de wetenschappelijke basis en begeleiding van de industriële groei, de ene uitvinding na de andere werd gedaan (Edison, Eastman, Bell, enz.). De namen van de uitvinders en van de captains of industry uit deze periode zijn in de geschiedenis van de Verenigde Staten ongetwijfeld belangrijker dan die van de grotendeels corrupte politici en presidenten uit dezelfde periode. De materiële opbloei ging gepaard met veel corruptie, die van tijd tot tijd leidde tot schandalen, waar steeds hoge ambtenaren en staatslieden bij betrokken waren. Een enkele hervorming kwam tot stand; in 1883 werd door de Pendleton Act het spoils system, dat rotatie van alle ambtenaren na elke verkiezing inhield, verzacht en dat was een grote verbetering. Maar in het algemeen was de toestand slecht. Doordat er geen controle was op het economische leven braken van tijd tot tijd ernstige crises uit, waarin alleen de sterksten zich konden handhaven (1873, 1893, 1907), maar ook dat behoorde bij het wereldbeeld, dat steeds meer, voor zover men er een diepere beschouwing op na hield, werd beheerst door het zgn. sociaal darwinisme, compleet met de ‘struggle for life’ en de ‘survival of the fittest’, nl. de rijken.
| 4.10 De grote immigratie |
De industriële expansie vereiste veel arbeidskrachten en deze werden geput uit de voortdurende en in omvang toenemende stroom van immigranten. In 1800 woonden in de Verenigde Staten ruim 5 miljoen mensen, in 1860 31 miljoen, in 1880 50 miljoen, in 1900 75 miljoen, in 1920 105 miljoen. Er waren jaren dat er meer dan een miljoen mensen binnenkwamen (1907: 1 285 349). De eerste stroom van immigranten kwam uit West-Europa, in het midden van de 19de eeuw vooral uit Ierland, Duitsland en Scandinavië. In de jaren na 1885 begon de immigratie uit Zuid- en Oost-Europa, m.n. uit Rusland (vervolgde joden) en Italië. Een groot deel van de gelukzoekers vulde algauw de slums van de grote steden. Bovendien ontstond in het land een antivreemdelingensentiment, het zgn. ‘nativism’. In de laatste decennia van de eeuw vonden lynchpartijen plaats van Italianen en Chinezen en deze laatsten werden door de Wet van 1882 zelfs geheel geweerd. Met Japan kwam het in 1907 tot een afspraak de immigratie te stoppen. Een algehele inperking van de immigratie was pas mogelijk toen in de industrie een zekere verzadiging was bereikt. Bij de immigratiewetten van 1921 en 1924 werden quota opgesteld voor de verschillende nationaliteiten, waardoor een drastische beperking van de immigrantenstroom werd bereikt.
| 4.11 Arbeidersorganisatie |
Onder de miljoenen die in het Amerikaanse arbeidsproces werden opgenomen, kwam het slechts langzaam tot organisatie. Deze was in de eerste tijd sterk romantisch en idealistisch. De eerste National Labor Union, gesticht in 1866, streed voor de achturige werkdag, maar faalde toen zij zich in 1872 omvormde tot een politieke partij, de National Labor Reform Party. De jaren van industriële expansie na 1870 leidden tot vele arbeidsconflicten, zoals het verzet van de Ierse mijnwerkers, de ‘Molly Maguires’ in Pennsylvania in 1875, de algemene spoorwegstaking bij de Baltimore and Ohio-Railroad in 1877, bedwongen door federale troepen, en de Haymarket Massacre van 1886, een botsing tussen politie en anarchisten in Chicago.
De belangrijkste organisatie van de arbeiders in deze jaren was die van de Knights of Labor, geleid door Terence Powderly. Zij streed zowel voor politieke als voor arbeidsverbeteringen, maar werd ten slotte overvleugeld door de in 1886 opgerichte American Federation of Labor (AFL), die onder leiding van Samuel Gompers een veel zakelijker programma voorstond. Felle botsingen, zoals de Homestead Massacre (1892), waarbij de arbeiders in de staalfabrieken van Carnegie vochten met de Pinkerton-detectives, en de Pullman-staking (1896) die het hele treinverkeer in het Midden-Westen stillegde, gaven wel voedsel aan een zekere radicalisering en leidden mede tot de opkomst van een meer extreme arbeidersorganisatie, de Industrial Workers of the World (1905), die de nadruk legde op de organisatie van ongeschoolde arbeiders en een totale afschaffing van het bestaande loonstelsel eiste. Maar op den duur hadden zulke echt revolutionaire bewegingen in het behoudende Amerika geen kans, de toekomst was aan de pragmatische vakbonden die binnen het bestaande bestel hun eisen wilden verwezenlijken. Door de AFL kwam in 1914 een antitrustwet tot stand, die bescherming bood aan de vakbonden (zie antitrustpolitiek). Zie voorts vakbeweging.
| 4.12 Politieke veranderingen |
Ontevredenheid onder kleine boeren en arbeiders manifesteerde zich op het eind van de 19de eeuw in de groei van een derde partij, de Populisten, die later grotendeels opging in de Democratische Partij.
In het begin van de 20ste eeuw was er algemene onrust over het vigerende corrupte materialisme. Een hervormingsbeweging (Progressive Movement) zette in, aanvankelijk geconcentreerd in een groep intellectuelen en politici. Het scheen of eindelijk ook politiek de tijd rijp werd voor verbeteringen. In 1901, na de moord op president William McKinley, was Theodore Roosevelt president geworden. Hoewel hij aanvankelijk argwanend stond tegenover de hervormers, die hij minachtend als muckrakers bestempelde, begon hij toch langzamerhand in hun sporen te treden. Roosevelt was een krachtig president, maar zijn openlijk partij kiezen voor hervormingen kwam te laat. Toen zijn partij na zijn aftreden weer een conservatieve koers begon te varen onder zijn opvolger, William Howard Taft (1909–1913), stichtte hij, na door de Republikeinse Partij in 1912 als presidentskandidaat te zijn verworpen, een eigen partij van de Progressieven. Door die scheuring kregen de Democraten de kans om te winnen en hun kandidaat, Woodrow Wilson, was zelf een vurig hervormer. De wezenlijke betekenis van 1912 is dat de Republikeinse Partij de partij der conservatieven werd, terwijl de Democraten de keus voor progressiviteit durfden te doen, wat hun op den duur een langdurige meerderheidspositie zou opleveren. Inbegrepen in deze keuze was een ruil in beginselen, want het waren nu de Democraten die ter wille van een sociale verandering pleitten voor krachtig federaal bestuur, terwijl de Republikeinen meer en meer de idee van de states’ rights gingen beklemtonen. De nazaten van Jefferson werden aanhangers van Hamilton en omgekeerd. Het is waar, dat alles was in 1912 nog niet duidelijk, al voltrok zich toen toch de scheiding der geesten. Pas met het optreden van Franklin Delano Roosevelt werd de grote ruil bestendigd en werd ook de Democratische Partij lange tijd de grootste partij van het land.
| 4.13 De voltooiing van het westen |
Bij de trek naar het westen en het in het bezit nemen van het land moesten de oorspronkelijke, rechtmatige bezitters van het land, de Indianen, wijken. Dat ging gepaard met strijd, want de Indianen waren op grond van hun ervaringen niet steeds van zins de blanke beloften te geloven. Lange tijd had de Amerikaanse regering de fictie gehandhaafd dat de Indiaanse stammen officieel vreemde mogendheden waren en de relatie daarmee was daarom uitgedrukt in een lange reeks van verdragen, die steeds weer inhielden dat de Indianen een deel van hun land afstonden, maar de rest eeuwig mochten behouden. Telkens werden deze verdragen geschonden als de druk van de kolonisten te sterk werd. Ten slotte hadden de Indianen niet het minste vertrouwen meer in hun tegenstanders. Over en weer werden gruwelijke wreedheden begaan, maar ten slotte trokken de blanken aan het langste eind. De laatste grote botsingen vonden plaats in 1876, toen generaal Custer met 266 man in een Indiaanse hinderlaag liep en onderging, en in 1890 toen 200 Sioux-Indianen in de slag bij Wounded Knee of liever de slachting bij Wounded Knee de dood vonden. Op het einde van de 19de eeuw waren alle stammen getemd en bijeengedreven in reservaten, waar zij over het algemeen slecht behandeld werden. Onder de Indianen ontstond daardoor een grote afkeer van het reservaatleven en ideeën aangaande integratie in de blanke maatschappij vonden gretig gehoor. Daarmee ontstond het grote dilemma waar de Amerikaanse Indianen nog steeds voor geplaatst zijn, nl. in hoeverre zij zichzelf zouden moeten zijn of omgekeerd zouden moeten trachten gelijk te worden aan de blanken. Het bleek nl. algauw dat de gemiddelde Indiaan niet in staat was zich te handhaven in de felle concurrentiemaatschappij van Amerika. Toen in 1934 het Bureau of Indian Affairs kwam met een nieuwe, betere politiek, waarbij de reservaten in ere werden hersteld, maar nu met medezeggenschap van de inwoners, werd dat door de meeste Indianen dankbaar aanvaard. Sindsdien is sprake van een renaissance van het Indiaanse leven en ondanks grote economische moeilijkheden hebben de Indianen, die ook snel in aantal toenemen, een duidelijk nationaal bewustzijn herwonnen.
| 4.14 Het Amerikaanse imperialisme |
Na de Burgeroorlog heerste er een stemming van totaal isolationisme, zelfs in westelijke richting. De aankoop van Alaska in 1867 van Rusland stuitte op groot verzet in het Congres. Een voorstel van president Grant in 1870 om de Dominicaanse Republiek te naasten, werd verworpen. Langzamerhand groeide met de opkomst van de industrie echter toch weer de interesse voor de buitenwereld. De opmars in de Grote Oceaan werd hervat: in 1875 kwam een verdrag met Hawaii tot stand, in 1878 kregen de Amerikanen de exclusieve rechten op de haven Pago Pago op Samoa, in 1887 eveneens op Pearl Harbor in Hawaii, in 1898 sloot Hawaii zich bij de Verenigde Staten aan. In 1898 geraakte Amerika in oorlog met Spanje over het probleem Cuba (zie Spaans-Amerikaanse Oorlog). Als resultaat van deze oorlog kwam Cuba onder Amerikaanse voogdij. De Verenigde Staten verwierven voorts de Filippijnen en Puerto Rico, en daarmee werd Amerika nolens volens een koloniale mogendheid. De oorlog met Spanje was de inleiding tot een rigoureuze Amerikaanse politiek in het Caribische gebied, door Theodore Roosevelt geformuleerd als zijn aanvulling op de Monroe-leer (Roosevelt-corollary): de Verenigde Staten zouden in elk land op het Amerikaanse continent dat door binnenlandse troebelen niet in staat was aan zijn verplichtingen te voldoen het recht hebben in te grijpen en orde op zaken te stellen, om zo Europese interventie te voorkomen. Weldra landden de Amerikaanse mariniers dan weer op deze dan gene kust en soms bleven zij enkele jaren en regelden de zaken. Eveneens werd Panama na een operetterevolutie losgemaakt van Colombia, zodat een Panamese regering de Verenigde Staten op goede voorwaarden kon toestaan het Panamakanaal te graven (1903–1914). Theodore Roosevelt voerde zeer bewust een politiek die het einde betekende van de isolatie. Overal in de wereld mengde hij zich in de conflicten, m.n. in het Verre Oosten. Overal probeerde hij de balance of power te bewaren, steunde eerst Japan tegen Rusland en vervolgens, na Japans bliksemoverwinning in 1904/1905, Rusland (zie Russisch-Japanse Oorlog). De Verenigde Staten, zo meende hij, waren geroepen om de rol van Engeland in de wereld te gaan overnemen en een pax Americana te vestigen. Ook in Europese zaken mengde hij zich. Roosevelt zag in dat de Verenigde Staten niet langer afzijdig konden blijven in de wereld nu het een machtige mogendheid werd. Uiteindelijk zou Woodrow Wilson de Verenigde Staten werkelijk betrekken in de wereld.
| 4.15 De Eerste Wereldoorlog |
In augustus 1914 verklaarde de Amerikaanse regering categorisch dat ze neutraal zou blijven. Toch geraakte zij drie jaar later, in april 1917, betrokken in de Eerste Wereldoorlog. Daarvoor zijn verscheidene redenen aan te geven, maar voorop moet worden gesteld dat het de regering in Washington ernst was met haar neutraliteit. Wilson zelf geloofde erin en zag er zelfs een middel in om als bemiddelaar op te treden. Maar het Duitse optreden, m.n. de onbeperkte duikbootoorlog (dit houdt in dat elk schip wordt aangevallen waarvan vermoed wordt dat het voor de vijand vaart), ingezet op 1 februari 1917), maakte het Wilson onmogelijk zich afzijdig te houden. Eerst verbrak hij de diplomatieke betrekkingen en na het bekend worden van het Zimmermann-telegram (een geheime Duitse belofte van steun aan Mexico om Californië en andere gebieden terug te krijgen) verklaarde hij op 2 april 1917 Duitsland de oorlog. Er zijn ook andere verklaringen gegeven voor het deelnemen van de Verenigde Staten aan de oorlog. Volgens sommige historici maakten de Amerikaanse leningen en munitieleveranties aan de geallieerden het voor de Verenigde Staten onmogelijk afzijdig te blijven, daar een verlies van de Entente een te grote schadepost zou hebben betekend. Een andere verklaring is dat in de kringen rondom Wilson de overtuiging heerste dat Amerika genoodzaakt was het machtsevenwicht te helpen bewaren en daarom wel moest strijden tegen Duitsland. Wilson bleef ondanks alles geloven aan een rechtvaardige vrede, de oorlog ging zijns inziens tegen de Duitse autocratie ‘to make the world safe for democracy’. Bij de vredesbesprekingen in Versailles met de Europese realistische politici Clemenceau en Lloyd George was Wilson niet in staat al zijn dromen te verwezenlijken. Bewust berustte hij in compromissen, omdat hij geloofde dat in de Volkenbond, zijn grote droom, alle problemen wel een oplossing zouden vinden. Het punt waar hij op stond, was dat de Volkenbond onlosmakelijk werd verbonden aan het vredesverdrag. Een meerderheid in de Amerikaanse Senaat vond echter dat het Volkenbondsverdrag afbreuk deed aan Amerika's soevereiniteit. Door wederzijdse koppigheid mislukte een compromis. Wilson werd door een beroerte getroffen en was niet meer in staat leiding te geven. De Verenigde Staten bleven buiten de Volkenbond en vielen terug in het oude isolationisme. Het volk, dat genoeg had van het internationale avontuur, koos bij de verkiezingen van 1920 de Republikein Warren Harding met grote meerderheid tot president.
| 4.16 De tijd tussen de oorlogen |
Nog eenmaal leek het of de goede oude tijd was teruggekeerd. De Republikeinen bleven tot 1933 aan de macht. Een schijnwelvaart leidde tot oppervlakkig optimisme. In het binnenland keerde men terug tot kras materialisme; in het buitenland hield men zich angstvallig afzijdig van de Volkenbond, maar nam men wel initiatieven tot verdragen die van ontwapening en vrede spraken. Het geestelijke klimaat in de jaren twintig, de roaring twenties, getuigde van onrust en onzekerheid. Voor het eerst werd een generatieconflict openbaar, onder de jongeren zich uitend in vrijgevochtenheid en protest, al was het nog op beperkte schaal. In 1929 barstte de zoveelste economische crisis los, de ernstigste die zich ooit in de geschiedenis van de westerse economieën heeft afgespeeld (zie crisis [economie]). In 1932 won de Democraat Franklin Delano Roosevelt de presidentsverkiezingen. Omringd door deskundigen waagde hij het de problemen met flair en visie aan te pakken (de New Deal). In 1936 herkozen, probeerde Roosevelt, met het oog op de internationale situatie, het volk mee te krijgen in een meer internationale politiek. Hij stuitte echter op een muur van verzet. Het isolationisme was zo sterk in deze jaren dat de president het land slechts stapje voor stapje ertoe kon brengen het Duitsland van Hitler te weerstaan. Pas de Japanse verrassingsaanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 bracht de Verenigde Staten in de oorlog.
| 4.17 De Tweede Wereldoorlog |
Het land was in het geheel niet klaar voor de oorlog, maar wist in korte tijd een miljoenenleger op de been te brengen, alsmede een gigantische vloot en luchtvloot. Weldra vochten Amerikanen op alle fronten, landden in 1943 in Noord-Afrika en Italië, in 1944 in Normandië en hadden een beslissend aandeel aan de definitieve nederlaag van Duitsland (zie voor het verloop van de oorlog Tweede Wereldoorlog). Roosevelt, in 1940 en 1944 als president herkozen, hoopte de organisator van de vrede te worden, maar hij begreep dat hij Wilsons fouten moest vermijden. In de internationale organisatie, die hij evenzeer nastreefde en die nu de Verenigde Naties zou moeten heten, wilde hij een realistisch machtsoverwicht van de vier grote mogendheden aanvaarden. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en China moesten de vier politieagenten van de wereld worden in duidelijk afgebakende invloedssferen, maar tegelijk in nauwe samenwerking. Vlak voor het einde van de oorlog, op 12 april 1945, stierf Roosevelt.