Verenigde Staten van Amerika
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Verenigde Staten van Amerika
3. Economie
3.1 Inleiding

De economie berust in hoge mate op de vrije markt en het particuliere ondernemerschap, waarbij de overheid een beperktere rol speelt dan in de Europese markteconomieën. Wel is er streng toezicht op marktwerking, ter voorkoming van monopoliepraktijken (anti-trust wetgeving). Openbare nutsbedrijven als spoorwegen, elektriciteitsbedrijven, telefoon e.d. zijn grotendeels in particuliere handen. Het personenvervoer per trein wordt echter verzorgd door een overheidsbedrijf, Amtrack. Bovendien heeft de overheid een beslissende stem in de hoogte van de tarieven die de nutsbedrijven aan hun klanten berekenen. Het centrale bankwezen is in van 1913 in de overheidssfeer getrokken (zie Federal Reserve System). Verder beïnvloedt de overheid het economisch leven door belastingheffing, en wetgeving op het gebied van onder meer arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid, milieu en consumentenbescherming.

Als gevolg van een combinatie van factoren zijn de Verenigde Staten het welvarendste land ter wereld geworden. De enorme uitgestrektheid, de vele mogelijkheden voor de landbouw, de aanwezigheid van vrijwel alle belangrijke delfstoffen en een ondernemende en vindingrijke bevolking, die juist naar het land was gekomen om zich materieel te verbeteren, hebben het land tot de machtigste economische natie ter wereld gemaakt. Met een bevolking die circa 4,5% van de wereldbevolking uitmaakt en een oppervlakte van 7% van het wereldoppervlak, nemen de Verenigde Staten ruim 30% van het mondiale bbp voor hun rekening. Tegenwoordig is de Amerikaanse economie is bij uitstek een diensteneconomie; ruim 71% van de productie betreft dienstverlening. De industrie is goed voor ruim 27%, de landbouw nog maar voor 1,3% (2002).

Na de recessie van 1982 kende de Amerikaanse economie bijna twee decennia van vrijwel ononderbroken expansie met een gemiddelde jaarlijkse groei van rond de 3%. Een complex van factoren lag hieraan ten grondslag. Onder president Ronald Reagan (1981-1989) werden de belastingen fors verlaagd terwijl tegelijk de inflatie werd teruggedrongen door restrictief beleid van de Federal Reserve. Dit leidde aanvankelijk tot een diepe inzinking, waaruit de economie zich echter snel herstelde toen de rente omlaag ging terwijl ook de olieprijs daalde. Wel liep het financieringstekort van de overheid sterk op. In het begin van de jaren 1990 deed zich opnieuw een lichte recessie voor, maar onder president Bill Clinton (1993-2001) trad herstel in en groeide de economie zo snel dat ook het financieringstekort wegsmolt; de werkloosheid daalde in 2000 tot onder de 4%, het laagste niveau sinds de jaren 1960. Ditmaal werd de economie aangejaagd door een snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en diensten op het gebied van computers en informatica. De euforie (men sprak van de ‘Nieuwe Economie’ waarin de productiviteitsgroei op een blijvend hoog peil zou liggen en recessies waren uitgebannen) leidde echter tot excessieve stijging van de beurskoersen, wat in 2000 uitliep op een crash. In 2001 kwam een eind aan de hoogconjunctuur. De gevolgen van overinvestering en hoog opgelopen schulden crisis werden nog versterkt door een vertrouwenscrisis als gevolg van de aanvallen van 11 september en een reeks grote faillissementen (onder meer van energiegigant Enron, in december 2001) en boekhoudschandalen. Veel grote bedrijven bleken net als Enron systematisch te hoge winsten te hebben gerapporteerd. Een echte recessie bleef echter uit doordat de Federal Reserve de rente fors verlaagde, de consumptieve bestedingen bleven groeien en de woningmarkt op peil bleef. In verband met de sterk verhoogde uitgaven aan veiligheid, en de door president Bush in 2001 en 2003 doorgevoerde belastingverlagingen, liep ook het financieringstekort weer sterk op terwijl de dollar onder druk kwam te staan.

3.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij

Het grootste probleem van de landbouw is overproductie. De overheid steunt de boeren met inkomenssteun en exportsubsidies. In het kader van de Doha-ronde van de WTO dringen de Verenigde Staten aan op reductie van handelsbeperkingen en subsidies voor agrarische producten ten behoeve van een eerlijker concurrentie op de wereldmarkt. Hierover bestaat echter grote onenigheid met de EU.

De Verenigde Staten zijn reeds lange tijd de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, een positie die zij in de jaren tachtig nog verder konden uitbreiden. Middelgrote en grote landbouwbedrijven overheersen; verregaande mechanisatie en toepassing van de nieuwste landbouwmethoden zijn voor deze bedrijven kenmerkend. De klimatologische en fysisch-geografische omstandigheden hebben verschillende landbouwzones doen ontstaan. De noordoostelijke staten en de gebieden om de Grote Meren behoren tot de zuivelzone, de dairy belt. De oostkust kent vele tuinbouw, fruitteelt en pluimveehouderij. Ten zuiden van de dairy belt worden de voor de veehouderij zo belangrijke gewassen maïs en sojabonen in de corn soy belt verbouwd. De grote katoenplantages in de eens zo beroemde cotton belt, die in het zuiden van de Atlantische Oceaan tot diep in Texas liep, hebben nu grotendeels plaatsgemaakt voor gemengde agrarische bedrijven, maar als gevolg van de betere landbouwmethoden is de opbrengst van de nog bestaande katoencultures hoger dan vroeger. Aan de kust van Florida en Texas worden citrusvruchten, suikerriet en rijst verbouwd. Het Midden-Westen is de graanschuur, bekend onder de naam de wheat belt. Californië heeft uitgebreide groente- en fruitkwekerijen, terwijl ook de wijnbouw daar van grote betekenis is. Het enigszins vochtige noordoosten heeft gemengde bedrijven, terwijl de fruitteelt daar ook een belangrijke rol speelt.

Ook in de veehouderij zijn de Verenigde Staten de grootste producent ter wereld, maar een aantal veehouderijproducten moet ingevoerd worden. Rundveehouderij vindt plaats in Texas, Iowa, Nebraska, Kansas, Missouri, Oklahoma en Wisconsin. In het westen wordt de veehouderij op extensieve wijze bedreven. In het zuiden en het westen wordt vnl. slachtvee gehouden, in het noorden en noordoosten en bij de grote steden melkvee. De varkenshouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Van grote betekenis is de pluimveehouderij (kippen en kalkoenen), die in Californië, New England, North Carolina en Georgia is geconcentreerd.

Ca. 30% van het oppervlak van het land is met bossen bedekt, waarmee de Verenigde Staten na de Russische Federatie en Brazilië tot de bosrijkste landen ter wereld behoren. Tweederde daarvan kan commercieel geëxploiteerd worden; circa driekwart daarvan in privébezit. De houtindustrie bezit aanzienlijke bosarealen en spant zich ook in voor de uitbreiding daarvan. De commerciële bosbouw vindt vnl. plaats in de grote naaldwouden van Noord-Californië, Washington en Oregon, waar ook de grootste zagerijen ter wereld zijn, die vnl. voor de papierindustrie werken en in de gemengde bossen van het zuidoosten. Een derde belangrijk bosgebied is de Rocky Mountains.

De Verenigde Staten beschikken over rijke visgronden in de Atlantische Oceaan (kabeljauw, makreel, haring en tong), in de Grote Oceaan, voor de kust van Alaska (tonijn, sardines, haring en kabeljauw) en in de binnenwateren. De Fishery Conservation and Management Act van 1976 heeft een zone van 200 mijl vanuit de kust verboden verklaard voor buitenlandse vissers. De helft van de totale vangst wordt geëxporteerd.

3.3 Mijnbouw en energievoorziening

De Verenigde Staten zijn een van de aan bodemschatten rijkste en tevens belangrijkste mijnbouwlanden ter wereld. In de winning van magnesium, fosfaat en molybdeen nemen zij de eerste plaats in; in de winning van aardgas, aardolie, lood, koper, goud en steenkool een tweede plaats. Over het algemeen is de mijnbouw sterk gemechaniseerd. De Verenigde Staten hebben de grootste steenkoolvoorraad ter wereld (ruim 200 miljard ton SKE). Het zwaartepunt van de winning ligt in Pennsylvania. Verder wordt in de Rocky Mountains steenkool gewonnen. Er is een bewezen aardoliereserve bedraagt slechts circa 2% van de wereldreserve aan aardolie, en bevindt zich voornamelijk in Alaska. De aardoliewinning is te klein om de binnenlandse behoefte te dekken; ruim de helft van het gebruik moet geïmporteerd worden. De belangrijkste aardgasvoorraden liggen in Texas en Louisiana. IJzerertswinning, vnl. in het noorden en in de Appalachen, Utah, Nevada en Zuid-Californië, is, ondanks de vijfde plaats op de wereldlijst van ijzerertsproducerende landen, niet meer voldoende om de binnenlandse vraag te dekken. Dit geldt ook voor de winning van kopererts die plaatsvindt in Arizona, Utah, New Mexico, Nevada en Montana, waar ook goud en zilver gedolven worden. Bauxiet wordt vnl. in Arkansas en Georgia gevonden, maar niet voldoende om aan de vraag van de aluminiumindustrie te voldoen (Amerika is de grootste aluminiumproducent van de wereld). Uraniumerts komt voor in de Rocky Mountains.

Het energieverbruik per hoofd van de bevolking is in de Verenigde Staten bijna vier keer zo hoog als het wereldgemiddelde. De energievoorziening geschiedt vnl. door warmtekrachtcentrales, waarvan circa 90% wordt gevoed door aardolie, aardgas en steenkool. Kernenergie voorziet in circa 7% van het totale energieaanbod maar als gevolg van de hoge kosten en veiligheidszorgen zijn er sinds het ongeval in de kerncentrale bij Harrisburg, Pennsylvania, in 1979, geen kerncentrales meer gebouwd. Waterkrachtcentrales, zoals die in de Tennessee River, leveren eveneens een aandeel aan de energievoorziening. Wind- en zonne-energie zijn in opkomst.

3.4 Industrie

De Verenigde Staten zijn de grootste industriële natie ter wereld. Het kerngebied van de industrie is de manufacturing belt, in de door New York, Chicago en St. Louis gevormde driehoek. Texas is het centrum van de petrochemische industrie, terwijl de westelijke staten en in het bijzonder de gebieden rond Los Angeles, San Francisco en Seattle de laatste decennia veel industriële vestigingen hebben aangetrokken. Kenmerkend voor de Amerikaanse industrie zijn de grote industriële bedrijven die vaak weer in omvangrijke concerns zijn samengevoegd. Deze concentraties hebben zich m.n. in de auto-industrie, de vliegtuigbouw, staal-, olie-, computer- en voedings- en genotsmiddelenindustrie Ook buiten de industrie vindt een sterke concentratie plaats, onder meer in de sectoren media en entertainment, financiële dienstverlening en detailhandel. In 2000 werd autoconcern General Motors als ’s werelds grootste onderneming voorbijgestreefd door warenhuisketen Wall-Mart.

3.5 Handel

De buitenlandse handel is – in vergelijking met de binnenlandse – gering van omvang. De uitvoer van goederen en diensten bedraagt ca. 11% van het bbp, de invoer ca. 13%. In augustus 1992 werd met Canada en Mexico het North American Free Trade Agreement (NAFTA-vrijhandelsverdrag) gesloten. Hiermee kwam de grootste vrijhandelszone ter wereld tot stand. De regering-Clinton streefde ernaar de NAFTA uit te breiden tot een Free Trade Association of the Americas (FTAA) voor Noord- en Zuid-Amerika, maar veel Amerikanen zijn beducht voor verlies van banen aan lagelonenlanden.

De Verenigde Staten hebben een structureel, en de laatste jaren groeiend tekort op de handelsbalans (in 2002 naar schatting 4,7% van het bbp), dat gefinancierd kan worden dank zij een voortdurende netto-toestroom van kapitaal in verband met buitenlandse investeringen en beleggingen. Belangrijkste uitvoerproducten zijn: machines en elektronica, auto's en auto-onderdelen, vliegtuigen, chemische producten en voedselproducten, waaronder graan. Ingevoerd worden vooral auto's en auto-onderdelen, elektrische apparaten, aardolie en aardolieproducten. De voornaamste handelspartners zijn NAFTA-partners Canada en Mexico, de EU-landen, Japan en China. Vooral de invoer uit China is sinds de jaren 1990 snel gegroeid en overtrof in 2002 de invoer uit Japan; het handelstekort met China beliep in dat jaar ruim 20% van het totale tekort.

3.6 Bankwezen

Amerikaanse banken was lange tijd bij wet verboden filialen te openen of andere banken over te nemen in andere staten dan waarin zij gevestigd zijn. Dit is er ook de oorzaak van dat de Verenigde Staten naar verhouding weinig grote banken kent . In de jaren negentig kwam hier verandering in en volgde een golf van bankfusies, waardoor banken in meerdere staten van de VS vertegenwoordigd werden. Dit gebeurde om de internationale concurrentie het hoofd te kunnen bieden. De functie van centrale bank wordt vervuld door het Federal Reserve System. Naast het stelsel van handelsbanken spelen de vooral in New York geconcentreerde effectenbanken (ook wel zakenbanken genoemd) een belangrijke rol in de economie.

3.7 Verkeer

De Verenigde Staten hebben het grootste wegennet en de hoogste motoriseringsgraad ter wereld, met meer dan twee auto’s per drie inwoners. Het autogebruik en de daarvoor vereiste infrastructuur hebben diepingrijpende gevolgen voor m.n. de stedenbouw gehad. In veel grote steden (bijv. Los Angeles) is het openbaar vervoer slecht ontwikkeld. M.n. het oosten heeft een zeer dicht wegennet. De federale overheid is verantwoordelijk voor het Interstate Highway System van autowegen; daarnaast bestaan veel tolwegen. Het busverkeer speelt m.n. voor het vervoer over middellange afstanden een belangrijke rol (Greyhound en Continental Trailways).

De betekenis van de spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer is door de opkomst van de auto, en op de lange afstand van het vliegtuig, snel teruggelopen. In 1971 greep de federale overheid in. Om het personenvervoer tussen de grote steden veilig te stellen, werd de National Railroad Passenger Corporation (Amtrak) opgericht. In 1976 richtte de overheid de Consolidated Rail Corporation (Conrail) op die het vrachtvervoer van een aantal failliet gegane maatschappijen, vnl. in het noordoosten, overnam (1987 geprivatiseerd).

De binnenscheepvaart is van groot belang voor het goederentransport in het stroomgebied van de Ohio, de Missouri en de Mississippi en op de Grote Meren. Haar staat een waterwegennet van in totaal 40 000 km lengte ter beschikking. Een aantal grote kanalen verbindt belangrijke zeehavens en industriegebieden met elkaar, zoals de St. Laurence Seaway, de Illinois Waterway en de Intracoastal Waterway. Chicago is de grootste binnenhaven. De grootste zeehavens zijn: New York, New Orleans, Houston, Baltimore, Newport, San Francisco en Los Angeles.

De luchtvaart is voor het binnenlandse personenvervoer van de grootste betekenis. Er bestaat een groot aantal luchtvaartmaatschappijen en meer dan vijfhonderd steden zijn in het vliegnet opgenomen. De drukste vliegvelden zijn: Chicago, Dallas, Los Angeles, Atlanta, New York (J.F. Kennedy), San Francisco, Denver, Miami, New York (La Guardia) en Boston. Sinds de in de jaren 1980 doorgevoerde deregulering van het vliegverkeer is de concurrentie sterk toegenomen en is een aantal maatschappijen verdwenen, waaronder bekende namen als PanAm en TWA.