| Zoekweergave | Verenigde Staten van Amerika | Terug |
| Introductie |
Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America, vaak afgekort tot USA of US (VS); ook vaak kortweg Amerika genoemd), federale republiek in Noord-Amerika, omvattend het District of Columbia en 50 staten, waarvan 49 op het vasteland van Noord-Amerika en één (Hawaï) in de Grote Oceaan, 9 826 630 vierkante kilometer (2000 reëel), met 301 139 950 inwoners (2007 schatting); 33 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Washington D.C.
Munteenheid van de Verenigde Staten is de Amerikaanse dollar (US $), onderverdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 4 juli, Onafhankelijkheidsdag (Independence Day, 1776). De internetlandcode (TLD) is us.
De Verenigde Staten van Amerika zijn een federatie van 50 staten met een hoge mate van autonomie. Ook lokale overheden hebben ruime bevoegdheden. Het Congres is de federale volksvertegenwoordiging. Het bestaat uit de Senaat, met twee senatoren voor elke staat, en het Huis van Afgevaardigden, met 435 leden, die elk een district vertegenwoordigen. De Verenigde Staten zijn rijk aan bodemschatten en beschikken over een hoogontwikkelde economie. Het land heeft een liberale sociaaleconomische traditie, waarin de rol van de overheid relatief bescheiden is. De bevolking bestaat voornamelijk uit nakomelingen van immigranten.
De staten van de Verenigde Staten zijn: Alabama, Alaska, Arizona, Arkansas, Californië, Colorado, Connecticut, Delaware, Florida, Georgia, Hawaii, Idaho, Illinois, Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Maryland, Massachusetts, Michigan, Minnesota, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, North Dakota, Ohio, Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West Virginia, Wisconsin, Wyoming.
Onder jurisdictie van de Verenigde Staten vallen: de Commonwealth of Puerto Rico (Porto Rico), de Virgin Islands, Guam, Amerikaans Samoa, een aantal kleine, deels onbewoonde eilandjes in de Grote Oceaan, het Trust Territory of the Pacific Islands en de Commonwealth of the Northern Marianas (zie Marianen), in totaal ca. 11 155 km2.
Zie voor landschap, klimaat en natuur Noord-Amerika.
| 1. Bevolking |
| 1.1 Samenstelling |
De huidige bevolking omvat een – zowel naar ras als naar land van herkomst – grote verscheidenheid van groepen. De Amerikaanse samenleving is een pluriforme samenleving. Sedert het einde van de jaren zestig kwam een massale immigratie uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika op gang, terwijl in dezelfde periode de immigratie uit Europa afnam. Het aandeel van etnische minderheden in de totale bevolking is daardoor sterk gestegen.
De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, maken minder dan 1% van de bevolking uit. Hun aantal is echter in de 20ste eeuw toegenomen door een hoog geboortecijfer. Een deel van hen woont in door de overheid gestichte reservaten, overwegend in de westelijke staten. In 1924 kregen de Indianen het volledige Amerikaanse staatsburgerschap, terwijl de Indian Reorganization Act van 1934 de in stamverband levende Indianen de mogelijkheid tot een hoge mate van zelfbestuur gaf.
Na de ontdekking van het land door de Europeanen vestigden zich al spoedig kolonisten, vnl. Spanjaarden, aanvankelijk op bescheiden schaal in het zuidoosten. Deze kolonisatie werd voortgezet door de vestiging in de 17de eeuw aan de oostkust van vnl. Engelsen, Schotten en in mindere mate Nederlanders en Duitsers. Zij zorgden ervoor dat de koloniale samenleving een protestants-puriteins karakter kreeg, wat het ook lange tijd heeft behouden. (In 1790 bestond de blanke bevolking voor ca. 89% uit Engelsen en Schotten, voor ca. 5% uit Duitsers, voor ca. 2,5% uit Nederlanders en 1% uit Ieren.) Vanuit de oostkust drongen zij langzaam op naar het midden en westen, daarbij de zgn. frontier vormend. In de 17de en 18de eeuw ontstonden Franse nederzettingen in het Mississippidal.
In de 19de eeuw zou het bevolkingsaantal een spectaculaire groei te zien geven. Telde het grondgebied in 1800 nog ca. vijf miljoen inwoners, aan het eind van de eeuw bood het plaats aan ruim 75 miljoen mensen, die wat hun etnische achtergrond betrof, een aanzienlijk gevarieerder beeld opleverden dan de oude koloniale samenleving. Deze bevolkingsaanwas was vnl. het gevolg van massale immigratie uit Europa, die zich voordeed in enkele ‘golven’. Bij de eerste golf, die omstreeks 1830 begon, kwamen nog vnl. Britten, Duitsers, Scandinaviërs, Ieren en Nederlanders. Zij assimileerden zich snel aan de bestaande samenleving, waarmee zij in vele opzichten nauw verwant waren. Hun afstammelingen, tezamen met die van de eerste groep kolonisten, zijn nog steeds de in vele opzichten toonaangevende groep die wel als WASP (White Anglo Saxon Protestants) wordt aangeduid.
Anders verging het de immigranten van de tweede golf die na de Burgeroorlog op gang kwam. Deze omvatte vnl. inwoners van Oost- en Zuidoost-Europa (Polen, Russen, Tsjechen, Hongaren, Italianen, Oekraïners, enz.). Zij waren afkomstig uit verarmde streken, ongeschoold en hadden daardoor een grote achterstand in een land dat in de tweede helft van de 19de eeuw al grotendeels geïndustrialiseerd was. Zij concentreerden zich vaak in de grote steden en vormden daar gesloten groepen, die bleven vasthouden aan hun eigen taal en gewoonten, terwijl ze in economisch en sociaal opzicht achterbleven. Vermenging met andere groepen vond aanvankelijk vrijwel niet plaats. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de economische en sociale emancipatie van deze, wel als ‘ethnics’ aangeduide, groep op gang, maar velen blijven vasthouden aan hun gewoonten of de religie van hun land van herkomst.
Een aanzienlijke immigrantengroep, die echter niet uit eigen vrije wil kwam, vormden de vanaf de 17de tot in de 19de eeuw het land binnengevoerde slaven, afkomstig uit Afrika, die vnl. in het zuidoosten op plantages te werk gesteld werden. De zwarten, nu vaak Afro-Amerikanen genoemd bleven ook na de afschaffing van de slavernij in 1863 een in vele opzichten achtergestelde groepering. Als gevolg van de mechanisatie van de landbouw moesten velen naar een andere bron van inkomsten uitzien en naar schatting vijf miljoen zwarten trokken tussen 1940 en 1970 naar het noorden, waar in de grote steden, aanvankelijk werk genoeg was. Na 1960 verdwenen echter veel laaggeschoolde banen en nam de werkloosheid onder de zwarten toe. Daar tegelijkertijd blanken massaal naar nieuwe suburbs verhuisden, veranderden veel oude stadswijken in zwarte getto’s.
Een bevolkingsgroep die al generaties op het grondgebied woont maar de laatste decennia snel groeit wordt gevormd door de Spaanstalige Amerikanen (Hispanics): Mexicaanse Amerikanen, Portoricanen, Cubanen en kleinere groepen zoals Haïtianen. Vooral in het zuiden van Californië, Arizona en Texas wordt veel Spaans gesproken en neemt hun politieke invloed toe. In de Verenigde Staten verblijven miljoenen Mexicanen. Zo'n 30 procent van alle immigranten die in de Verenigde Staten wonen, komt uit Mexico. Van hen heeft een groot deel geen identiteitsdocument. Deze illegale immigranten integreren nauwelijks in de Amerikaanse samenleving. Door segregatie ontstaan Mexicaanse wijken.
Een veel minder op de voorgrond tredende groep van naar schatting 6 miljoen vormen de Amerikanen van Aziatische afkomst, vnl. Japanners, Chinezen, Filippinos, Vietnamezen en Koreanen.
| 1.2 Immigratie |
Oorspronkelijk gold het principe van vrije immigratie voor iedereen, ongeacht huidskleur of nationaliteit; na de Eerste Wereldoorlog werden jaarlijkse quota per land vastgesteld van toe te laten immigranten, aanvankelijk alleen voor landen van het oostelijk halfrond, sedert 1968 ook voor landen van het westelijk halfrond. Na 1980 werd overgegaan op een algeheel immigratieplafond van aanvankelijk 320 000, inclusief 50 000 politieke vluchtelingen. In feite nam de (legale) immigratie vanaf 1950 gestaag toe, en overtrof het totaal in de jaren 1990 met 10 miljoen immigranten de immigratiegolven van de eerste decennia van de twintigste eeuw.
Naast de legale immigranten vestigen zich jaarlijks naar schatting 800 000 mensen illegaal in de Verenigde Staten, vooral uit Mexico en Midden-Amerika. Velen van hen krijgen na verloop van tijd via een selectief pardon alsnog een verblijfsvergunning. De van 1986 bracht een zeer omvangrijke amnestie voor illegalen. Tegelijk werd een strengere grenscontrole doorgevoerd en een strenger beleid gevolgd ten aanzien van werkgevers die illegalen in dienst namen. Toch bleven de VS niet gevrijwaard van illegalen. Hun aantal is in de jaren daarna weer flink toegenomen. Het werkelijke aantal illegalen zou liggen in de buurt van de 11 miljoen. Jaarlijks worden bij de grens tussen de VS en Mexico 1,5 miljoen illegalen gearresteerd. Er lijken dan ook andere argumenten in het spel te zijn: zonder illegalen kunnen bepaalde sectoren in de economie niet renderen. De landbouwsector in de VS zou ernstig in de problemen komen wanneer de Mexicanen het land worden uitgezet en hetzelfde geldt voor andere sectoren die steunen op laaggeschoolde arbeid.
| 1.3 Spreiding en ontwikkeling |
De bevolkingsspreiding is uiterst ongelijk. Alaska en de droge gebieden in het westen hebben een bevolkingsdichtheid van minder dan 10 inw. per km2, terwijl het oosten, de gebieden om de Grote Meren en delen van Texas en Californië een zeer hoge bevolkingsdichtheid hebben. De aantrekkingskracht van de staten in het zuiden (de sunshine belt) ligt in het klimaat (veel gepensioneerden vestigden zich er) en in de economische opbloei die deze staten in de jaren zeventig en tachtig kenden (vestiging van technisch zeer geavanceerde bedrijven).
Ca. 80% van de bevolking woont in een stedelijk gebied (d.w.z. een plaats van 2500 inw. of meer). Californië en sommige noordoostelijke staten hebben de grootste verstedelijking. Relatief het minst verstedelijkt zijn de zuidelijke staten.
De al jaren bestaande opschuiving van het bevolkingszwaartepunt (center of population) van oost naar west heeft zich in de jaren tachtig en negentig voortgezet.
De gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei ligt met rond 1% beduidend hoger dan in West-Europa.
| 1.4 Taal |
Het overgrote deel van de bevolking heeft het Engels (zie Amerikaans Engels) als moedertaal, maar er worden diverse andere, Europese en niet-Europese, talen gesproken. In de grote steden treft men groeperingen aan die vaak vele generaties lang de taal van herkomst hebben behouden (vaak ook hebben zij een krant in de eigen taal). In gedeelten van Louisiana wordt een Frans dialect gesproken en sommige Frans-Canadezen in New England hebben eveneens de taal van hun buren in Canada behouden. Veel Hispanics, vooral in het Zuid-Westen ern New York City, spreken Spaans maar zij gaven geen steun aan een voorstel in Californië om het onderwijs tweetalig te maken.. De Eskimo's in Alaska hebben hun eigen taal; op Hawaii wordt nog een Polynesische taal gesproken.
| 1.5 Religie |
Na de Vrijheidsoorlog werd de godsdienstvrijheid in de grondwet opgenomen en een volledige scheiding van kerk en staat doorgevoerd (1791). Ca. 30% van de bevolking is protestant. Het protestantisme is sterk gepolariseerd met als extremen fundamentalisme en liberalisme (vrijzinnigheid). Er is een grote verscheidenheid van christelijke denominaties (meer dan 250 kerken, geloofsgemeenschappen en religieuze groeperingen), deels ontstaan door immigratie en sociale verschillen, deels door activiteiten van predikers, waardoor verschillende opwekkingsbewegingen ontstonden. Anders dan in Europa, is in de Verenigde Staten het lidmaatschap van kerken sinds de Tweede Wereldoorlog toegenomen. De voornaamste kerktypen zijn: baptisten, methodisten, lutheranen, pinkstergemeenten, Heiligen der laatste dagen, presbyterianen en hervormden, anglicanen (episcopaalse kerk) en churches of Christ. Tot de kleinere kerkgenootschappen behoren o.a. de (zevendedag)adventisten, Christian Science, Broederenkerk, Jehova's getuigen, quakers, Leger des Heils, unitarische kerken. In de jaren zeventig kwamen verschillende anti-institutionele bewegingen als Youth for Christ en Jesus people sterk in de belangstelling; sinds de jaren tachtig worden kerken van soms uiterst fundamentalistische signatuur geëvangeliseerd via de televisie (de electronic church). Tot de Rooms-Katholieke Kerk behoort ca. een kwart van de bevolking; de aanhang neemt toe dank zij de groei van de Hispanic bevolking. Er zijn 32 aartsbisdommen met in totaal 138 bisdommen. Ca. 2,6% van de bevolking is joods. Naast de groepering van de orthodoxe joden kent de joodse gemeenschap van de Verenigde Staten twee van het traditionele orthodoxe jodendom afwijkende richtingen nl. die van het reformjodendom en die van het conservative judaism. Boeddhisten, islamieten en hindoes vormen kleine minderheden.
| 2. Bestuur en samenleving |
| 2.1 Staatsinrichting |
In de staten van Amerika deed rond de onafhankelijkheidsverklaring in 1776 de geschreven Constitutie – een beginselenwet van staatsinrichting, die hoger recht inhoudt en minder gemakkelijk te wijzigen is dan gewoon recht – haar intrede in de geschiedenis. De Amerikaanse grondwet, die van 17 september 1787 dateert en als de ‘moeder der constituties’ wordt beschouwd, combineerde de Angelsaksische traditie in het openbaar bestuur met hoogtepunten van het denken van de Verlichting: de idee van volkssoevereiniteit (Rousseau), de scheiding der machten (die Montesquieu toeschreef aan het Engelse staatsbestel), de gedachte van federalisme (ontleend aan de ervaringen van de dertien Amerikaanse koloniën tijdens het Britse bewind) en de idee van ‘bestuur door het recht’ – government by law – (van Locke). Dit staatsstuk is vooral een bron van inspiratie geworden door de vrijheidsgedachte die erin belichaamd is, d.w.z. in de Bill of Rights, de eerste tien van de 26 amendementen die tot 1992 (de laatste in 1970) op de grondwet zijn aangebracht. Deze kwamen in 1791 tot stand, maar zijn geen wijzigingen in strikte zin en worden algemeen tot de originele Constitutie gerekend. In deze Bill of Rights zijn rechten van de mens vastgelegd. Om enkele te noemen: vrijheid van godsdienst en pers (1ste amendement), verbod van onredelijke onderzoeking en beslagneming wat betreft het huis en de persoon (IV), garanties voor een eerlijke berechting in strafzaken, inclusief het recht niet tegen zichzelf te getuigen (V, VI), verbod van wrede en ongebruikelijke straffen (VII). Later werd een verbod van slavernij toegevoegd (XIII) en het beginsel van gelijkheid voor de wet (XIV). Centraal staat ook de eenheidsgedachte. De aanhef van de grondwet zegt dat dit stuk is vastgesteld o.m. ‘om aldus een volmaakter eenheid te vormen’ (to form a more perfect union). Opmerkelijk is hoe dit gebeurt door een systeem dat het touwtrekken heeft geïnstitutionaliseerd. Het doel van de meer volmaakte eenheid is op een allesbehalve uniformerende manier vertaald in een stelsel waarin ‘checks and balances’ (onderlinge controle en tegenwicht) centraal staan: in de verhouding tussen de federatie en de deelstaten, in de verhouding tussen de drie gescheiden machten in de staat: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Daarmee zijn tevens de voornaamste onderdelen van het Amerikaanse staatsbestel genoemd.
De wetgevende macht is opgedragen aan het Congress (Congres), dat bestaat uit twee Kamers. De Senate (Senaat) telt twee leden voor iedere staat (sinds 1969: 100 leden), die een zittingstermijn van zes jaar hebben. Om de twee jaar worden verkiezingen gehouden voor een derde van de senatoren, die beschouwd worden als ‘vertegenwoordigers van de duurzaamheid’. Het House of Representatives (Huis van Afgevaardigden) heeft een zittingstermijn van twee jaar. Het ledental is in 1929 vastgesteld op 435, met dien verstande dat iedere staat ten minste één afgevaardigde heeft. De verdeling van de overblijvende zetels over de staten geschiedt afhankelijk van het inwonertal. De indeling van de kiesdistricten (opgedragen aan de parlementen van de deelstaten) heeft nogal eens geleid tot zgn. gerrymandering, genoemd naar de afgevaardigde van Massachusetts, Elbridge Gerry, die in 1811 zo bekwaam een district formeerde dat zijn tegenstanders geen schijn van kans meer hadden. (‘Dat district lijkt op een salamander’, riep een van hen verontwaardigd uit, waarop een ander zei: ‘zeg liever een Gerrymander’.) Alle leden van Huis en Senaat kunnen wetsontwerpen indienen; financiële wetten kunnen alleen van het Huis uitgaan. De Senaat heeft in dat laatste geval echter een vrijwel onbeperkt recht van amendement. Bij bijna alle belangrijke ontwerpen ontstaan in Huis en Senaat verschillende versies. Deze worden dan verzoend in een conferentie, een paritair samengestelde commissie. Om wet te worden moet een voorstel door beide Kamers aanvaard zijn en door de president ondertekend worden. Deze laatste heeft het recht van veto, maar dat kan door een twee derde meerderheid in beide Kamers van het Congres overstemd worden.
Het Congres heeft ook andere dan wetgevende functies. Zo beslist het Huis van Afgevaardigden (op basis van één stem per staat), indien bij de presidentsverkiezingen geen kandidaat de meerderheid krijgt. Een quasi rechterlijke functie is het impeachment, een speciale procedure om de president en andere hoge functionarissen (federale rechters bijv.) uit hun ambt te ontzetten. Daarbij beslist het Huis over de beschuldiging en de Senaat geeft (bij twee derde meerderheid) het eindoordeel. In de executieve sfeer heeft de Senaat een goedkeuringsrecht (advise and consent) ten aanzien van het sluiten van traktaten (twee derde meerderheid vereist) en ten aanzien van benoemingen in – meest hogere – overheidsfuncties door de president. Gewoonterecht maakt de Congresleden ten slotte tot behartigers van individuele belangen van hun kiezers bij de nationale administratie.
Afgeleid van de wetgevende taak – maar in de praktijk van zelfstandige betekenis – is het onderzoekswerk van het Congres, zich veelal uitend in hoorzittingen (hearings). In de periode 1792–1925 besloot het Congres tot 285 enquêtes, in de periode 1950–1952 alleen al tot 225. Zowel wat betreft de onderzoekingen als het eigenlijke wetgevende werk wordt de werkwijze van beide Kamers gekenmerkt door voorbereiding in commissies, die daardoor een sleutelfunctie vervullen. Nog steeds geldt de karakteristiek van Woodrow Wilson (1885): ‘Congress in its Committee rooms, is Congress at work’. Ondanks herhaalde pogingen het aantal commissies binnen de perken te houden, blijft het commissiesysteem onveranderd doorgaan. Het instellen van afzonderlijke subcommissies blijkt voor veel congresleden verleidelijk om een eigen forum te scheppen. In de loop der tijd is ook de betekenis van de congressionele staven toegenomen. Congresleden beschikken over een groot aantal persoonlijke assistenten. Anciënniteit was van oudsher de belangrijkste factor bij de verdeling van de commissiefuncties, m.n. de voorzitterschappen. In de periode van de Watergate-affaire (1973–1975) zijn echter hervormingen doorgevoerd die de rol van de fractievergadering (caucus) hebben vergroot. Ook is de geheimhouding, die veel congreswerk kenmerkte, afgezwakt. In de praktijk berust de macht in het Congres bij de voorzitters van de belangrijkste commissies en bij het leadership. Dit laatste bestaat uit de fractievoorzitters en hun rechterhanden (whips) en de gekozen voorzitter van het Huis, de Speaker. Deze is de voorman van de meerderheidspartij en van oudsher de machtigste figuur in het Huis. De Senaat heeft als voorzitter (president pro tempore) de vice-president van de Verenigde Staten, die een minder centrale positie inneemt. Het Huis kent voorts een Rules Committee, dat o.m. de agenda vaststelt en daarmee in sterke mate de gang van zaken bepaalt. Een traditioneel machtsmiddel voor individuele Congresleden is de filibuster: het houden van lange redevoeringen (doorgaans in afwisseling door een groepje) om zo de totstandkoming van een ongewenst voorstel te blokkeren. Dit is vooral in de Senaat voorgekomen, maar recente hervormingen maken het makkelijker het debat te sluiten (cloture). Talloze speciale belangen laten zich bij het Congres vertegenwoordigen door lobbies (pressiegroepen). Tegen het eind van de jaren zeventig kwam het gebruik van grote computeradressystemen in zwang om fondsen voor lobbying te werven en om handtekeningenacties te ontketenen.
De uitvoerende macht is opgedragen aan de president. Deze wordt voor vier jaar gekozen (herverkiezing is slechts eenmaal mogelijk) in algemene verkiezingen (kiesgerechtigde leeftijd vanaf 18 jaar) via een college van kiesmannen (zie getrapte verkiezingen), die per staat benoemd worden naar rato van het aantal zetels van de staat in het Congres. De stembuswinnaar in een staat krijgt alle kiesmannen, hoe klein zijn marge ook was. Ook de plaatsvervanger van de president, de vice-president – die verder een ondergeschikte functie vervult –, wordt zo gekozen. De opvolging berust verder bij: de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, de plaatsvervangend president van de Senaat (de vice-president is eerste voorzitter van de Senaat), de minister van Buitenlandse Zaken en vervolgens andere leden van het kabinet. Het XXVste Amendement (1967) bevat een regeling voor het geval de president ongesteld raakt en maakt het mogelijk in een vacature van het vice-presidentschap te voorzien. De president benoemt dan een opvolger onder goedkeuring van een meerderheid in beide Kamers van het Congres.
De functie van president is het ‘donkere continent’ van de Constitutie genoemd. De onbepaaldheid van deze functie wordt hierdoor geïllustreerd dat zij door niet minder dan vier amendementen is gewijzigd (XII, XX, XXII, XXV) terwijl slechts één – ondergeschikt – amendement betrekking heeft op de rechterlijke macht (XI) en een op de wetgevende macht (XVII). De president combineert een politiek en moreel leiderschap. Hij is ‘caesar en paus tegelijk’ genoemd. Naar de woorden van president Th. Roosevelt is hij ook ‘bijna koning en eerste-minister in één’ – waarbij zij aangetekend dat de angst voor het koningschap en de vrees voor caesarisme in het Witte Huis een van de primaire drijfveren bij het opstellen van de grondwet was. Naar een bekende uitspraak van president Harry S. Truman heeft de president zes ‘hoeden’, zes functies of bevoegdheden:
a. Hij is staatshoofd. Hieronder valt o.m. het afkondigen van wetten en het gratierecht. Als staatshoofd wordt de president ook beschouwd als ‘woordvoerder van de natie’ en heeft hij als weinig anderen toegang tot de massamedia.
b. Hij is hoofd van de uitvoerende macht. Juist op dit punt is de specificatie die de grondwet geeft, niet uitputtend. De president is regeringsleider, hij heeft de taak erop toe te zien dat de wetten worden uitgevoerd, hij is hoofd van het federale bestuursapparaat. De president heeft ook het recht van benoeming en ontslag ten aanzien van (sleutel)functies in het bestuur. Van oudsher is dit een bron van patronage– een geducht politiek machtsmiddel –, al is deze mogelijkheid successievelijk door het Congres ingedamd. Het meritsysteem geeft thans ca. 90% van de federale ambtenaren een eigen rechtspositie.
c. Hij is opperbevelhebber van alle strijdkrachten en heeft oorlogsbevoegdheden (war-powers). Hij beslist over het inzetten van troepen in het buitenland en in het eigen land (president Eisenhower in Little Rock, 1957, in verband met de rassenintegratie). Het ‘recht oorlog te verklaren’ is voorbehouden aan het Congres, maar het recht oorlog te ‘maken’ aan de president. Presidenten hebben in totaal zeker 149 maal troepen in actie gestuurd zonder een formele machtiging van het Congres.
d. Bij de president berust het bestuur van de buitenlandse betrekkingen. Ook op dit punt heeft het Congres in beginsel belangrijke bevoegdheden, m.n. het goedkeuringsrecht inzake verdragen van de Senaat. De president kan dit echter omzeilen door niet een verdrag in formele zin, maar een ‘executieve overeenkomst’ te sluiten, die zich aan deze inspraak onttrekt. Bovendien heeft het Hooggerechtshof uitgemaakt dat hij op dit gebied een ‘inherente macht’ heeft. Zo is van oudsher de positie van de president op dit vlak overheersend: van de Monroe-leer (‘Amerika voor de Amerikanen’) tot de ‘As van het Kwaad’ van George W. Bush (waarbij de Verenigde Staten zich het recht voorbehoudt preventief op te treden tegen regimes die een bedreiging vormden) is de Amerikaanse buitenlandse politiek bepaald door het Witte Huis.
e. Hij is initiator van wetgeving. Hoewel de wetgevende macht, inclusief het recht van initiatief, bij het Congres ligt, vervult de president op dit terrein toch een belangrijke rol. De grondwet draagt hem op zich periodiek tot het Congres te richten (m.n. door de jaarlijkse ‘troonrede’: State of the Union-boodschap) en voorziet daarnaast ook in het doen van specifieke voorstellen. In de praktijk vinden belangrijke wetsontwerpen hun oorsprong in de uitvoerende macht. Tegenhanger, op het eind van het wetgevend proces, is het vetorecht van de president en zijn bevoegdheid tot impounding: bevriezing van door het Congres gevoteerde fondsen.
f. Hij is hoofd van een politieke partij. De president is automatisch leider van de politieke partij die hem kandidaat heeft gesteld. Dit gebeurt in een ‘nationale conventie’ van die partij. De afgevaardigden naar die bijeenkomst worden vaak aangesteld op basis van partijpolitieke voorverkiezingen (primaries) in diverse staten.
De leer van de machtenscheiding brengt mee dat parlementaire verantwoordelijkheid van de regering, zoals West-Europa die kent, in Amerika niet bestaat. De president is onafzetbaar (behoudens impeachment) en dat beheerst ook zijn optreden als regeringsleider. De grondwet noemt ‘de hoofden der departementen’, maar het kabinet heeft (behoudens het goedkeuringsrecht van de Senaat op benoemingen) een volledig van de president afgeleide functie. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het belang van het kabinet afgenomen. Allerlei afzonderlijke federale instellingen (zoals de NASA wat betreft de ruimtevaart) kwamen op buiten het kabinet. Maar vooral groeide de eigen staf van de president tot het werkelijke centrum van de regering: het Executive Office kreeg een apart kantoorgebouw op het terrein van het Witte Huis. Een speciale – en belangrijke – positie nemen de onafhankelijke regelgevende commissies (independent regulatory commissions) in. Deze combineren ten aanzien van bepaalde takken van nijverheid uitvoerende, rechterlijke en wetgevende functies en zijn in hoge mate autonoom. De oudste is de Interstate Commerce Commission (voor tussenstaatse handel) 1887. Andere belangrijke commissies zijn: de Security and Exchange Commission (toezicht op de effectenhandel), de Food and Drugs Administration (toezicht op productie van voedsel en farmaceutische producten), de Federal Communications Commission (toezicht op radio, televisie en telefoon), de Environmental Protection Agency (toezicht op naleving van milieubeschermingsmaatregelen) en de Consumer Product Safety Commission, die een consumentenbeschermende functie heeft.
Het Amerikaanse staatsbestel gaat uit van een voortdurend constitutioneel touwtrekken tussen de drie machten in de staat. Vooral tussen president en volksvertegenwoordiging is dat het geval. Het presidentschap is daarbij zeer expansief gebleken. Steeds meer kan gesproken worden van een presidentiële democratie. In het algemeen geldt de traditionele stelregel dat alles tot de uitvoerende macht behoort wat niet uitdrukkelijk aan andere organen van de Unie is opgedragen. Het Hooggerechtshof verbood in 1952 overigens inbeslagneming door president Truman van de staalindustrie tijdens een arbeidsconflict en stelde zo een grens aan de beweerde ‘inherente uitvoerende macht’ van algemene aard.
| 2.2 Bestuurlijke indeling |
De Unie bestaat uit vijftig staten plus het District Columbia met hoofdstad Washington, elk met een eigen grondwet. De staat ontleent zijn bevoegdheden niet aan de federale regering, maar aan het volk van de staat. Een bron van strijd is de verdeling van bevoegdheid tussen de deelstaten en de Unie. De federale trias politica vindt haar spiegelbeeld in de staatsinrichting van de deelstaten: een governor als uitvoerende macht, een uit twee Kamers bestaande volksvertegenwoordiging als wetgevende macht en een rechterlijke macht die veelal een geleding meer heeft dan de federale: Justice of the Peace (vrederechter) of Magistrate als ‘kantongerecht’, Circuit Court of Superior Court (unus judex) als ‘rechtbank’, Court of Appeal (vijf rechters) als appelrechter, State Supreme Court (zeven rechters) als hoogste instantie, met beroep op het federale Hooggerechtshof wanneer de uitspraak in strijd is met de Constitutie of met een federale wet. Op vrijwel alle gebieden overlappen de sferen van Unie en deelstaten elkaar. De grondwet bepaalt echter dat deze geldt als ‘de hoogste wet in het land’ en deze supremacy clause is in de praktijk nog versterkt door de toenemende financiële afhankelijkheid van de staten van het nationaal bestuur. Zo is ook de regulerende bevoegdheid van het Congres – die ten opzichte van de staten in de grondwet beperkt wordt – via de elastic clause (artikel I, sectie 8) tot diep in de sfeer van de staten doorgedrongen. De gedachte van competitive federalism (bondsstaat) heeft plaatsgemaakt voor die van co-operative federalism (gedecentraliseerde eenheidsstaat).
De gouverneur wordt direct door de inwoners van een staat gekozen. Zijn ambtstermijn varieert van twee tot vier jaar. Zijn bevoegdheden variëren eveneens van staat tot staat. In alle staten, behalve North Carolina, heeft de gouverneur het recht van veto op de door het Congres van de staat aangenomen wetgeving, dat echter in alle gevallen door dat Congres ‘overruled’ kan worden.
In vrijwel alle staten worden de hoge functionarissen van de administratieve organen eveneens door de burgers gekozen. De staten zijn onderverdeeld in graafschappen (counties), die eigen bevoegdheden hebben. Louisiana is onderverdeeld in parochies (parishes), Alaska in divisions.
| 2.3 Lidmaatschap van internationale organisaties |
De Verenigde Staten zijn lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de NAVO, de OESO, en de North American Free Trade Agreement (NAFTA) tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico.
| 2.4 Politieke partijen |
De Verenigde Staten kennen sedert de onafhankelijkheid een tweepartijenstelsel. De huidige twee partijen, de Republikeinen (Republican Party, symbool: de olifant) en de Democraten (Democratic Party, symbool: de ezel) stammen van vóór de Burgeroorlog. Sedertdien hebben zij het politieke leven gedomineerd. Iedere president sedert 1860 is gekozen als kandidaat van één van beide partijen. Ook bij de keuze van de gouverneurs en van de vertegenwoordigende organen in de staten geven deze partijen de toon aan. Wel stellen bijvoorbeeld de Socialist Party, de Socialist Labor Party of de Prohibition Party bij allerlei verkiezingen ook kandidaten, maar in de praktijk is het vrijwel onmogelijk om gekozen te worden zonder de steun van één van beide partijen. De Amerikaanse communisten, verenigd in de Socialist Workers Party, spelen geen rol van betekenis. Op nationaal niveau zijn beide partijen evenwel niet veel meer dan losse, voortdurend veranderende electorale coalities, die om de vier jaar met veel moeite geactiveerd moeten worden om zich eensgezind achter een presidentskandidaat te scharen. Op het niveau van de federale staten en lager vertonen de partijen meer samenhang, maar zij verschillen in een aantal opzichten aanzienlijk van bijvoorbeeld de grote politieke partijen in Europa. Zo kennen zij bijv. bijna geen betalende leden en worden partijbijeenkomsten, zo zij al belegd worden, door weinig mensen bezocht. Ook doen de partijen niet aan voorlichtings- of vormingswerk en ontbreekt een beginselprogramma. Er is geen partijbureaucratie en zowel op nationaal niveau als op dat van de staten beschikken de partijen slechts over een kleine staf van betaalde krachten. De partijorganisaties zijn er vnl. om bij verkiezingen kandidaten te steunen en dat maakt dat hun activiteiten heel tijdelijk zijn. Beide partijen hebben weliswaar een nationaal comité waarin één man en één vrouw uit ieder van de vijftig staten zitting hebben, maar dit comité heeft zeer beperkte bevoegdheden, evenals de nationale voorzitter die door het comité wordt aangewezen. De voorzitter is geen partijleider in de Europese betekenis van het woord. Is de partij op nationaal niveau aan de macht, dan bepaalt het Witte Huis de partijlijn. Is zij in de oppositie dan hebben invloedrijke leden van het Congres of gouverneurs het voor het zeggen. De structurele en ideologische zwakte van beide partijen heeft haar weerslag in het Congres, waar de scheidslijnen veelvuldig dwars door de partijen lopen. Vertegenwoordigers van minderheden vormen stemblokken ongeacht hun partijachtergrond. De activiteiten van lobbyisten, van belangengroepen hebben meer invloed dan de partijdiscipline.
Na de tussentijdse verkiezingen van november 2004 was de verdeling van de 435 zetels in het Huis van Afgevaardigden: 232 voor de Republikeinen, 202 voor de Democraten en 1 onafhankelijk. Van de 100 zetels in de Senaat waren er 44 voor de Democratic Party en 55 voor de Republican Party (1 overig).
| 2.5 Vakbonden |
In 1886 werd door een man van Nederlandse afkomst, Samuel Gompers, de vakcentrale American Federation of Labor (AFL) opgericht. De organisatie fuseerde in 1955 met de Congress of Industrial Organizations, eerder (in 1938) afgesplitst van de AFL. Uit de fusie ontstond de AFL-CIO. Werknemers van een bedrijf zijn allemaal of geen van allen georganiseerd (‘closed shop’). In oude bedrijfstakken als de auto-industrie (UAW) en de transportsector (Teamsters) nemen vakbonden nog steeds een sterke positie in, maar als gevolg van de opkomst van nieuwe bedrijvigheid vooral in de dienstensector neemt de organisatiegraad landelijk gestaag af.
| 3. Economie |
| 3.1 Inleiding |
De economie berust in hoge mate op de vrije markt en het particuliere ondernemerschap, waarbij de overheid een beperktere rol speelt dan in de Europese markteconomieën. Wel is er streng toezicht op marktwerking, ter voorkoming van monopoliepraktijken (anti-trust wetgeving). Openbare nutsbedrijven als spoorwegen, elektriciteitsbedrijven, telefoon e.d. zijn grotendeels in particuliere handen. Het personenvervoer per trein wordt echter verzorgd door een overheidsbedrijf, Amtrack. Bovendien heeft de overheid een beslissende stem in de hoogte van de tarieven die de nutsbedrijven aan hun klanten berekenen. Het centrale bankwezen is in van 1913 in de overheidssfeer getrokken (zie Federal Reserve System). Verder beïnvloedt de overheid het economisch leven door belastingheffing, en wetgeving op het gebied van onder meer arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid, milieu en consumentenbescherming.
Als gevolg van een combinatie van factoren zijn de Verenigde Staten het welvarendste land ter wereld geworden. De enorme uitgestrektheid, de vele mogelijkheden voor de landbouw, de aanwezigheid van vrijwel alle belangrijke delfstoffen en een ondernemende en vindingrijke bevolking, die juist naar het land was gekomen om zich materieel te verbeteren, hebben het land tot de machtigste economische natie ter wereld gemaakt. Met een bevolking die circa 4,5% van de wereldbevolking uitmaakt en een oppervlakte van 7% van het wereldoppervlak, nemen de Verenigde Staten ruim 30% van het mondiale bbp voor hun rekening. Tegenwoordig is de Amerikaanse economie is bij uitstek een diensteneconomie; ruim 71% van de productie betreft dienstverlening. De industrie is goed voor ruim 27%, de landbouw nog maar voor 1,3% (2002).
Na de recessie van 1982 kende de Amerikaanse economie bijna twee decennia van vrijwel ononderbroken expansie met een gemiddelde jaarlijkse groei van rond de 3%. Een complex van factoren lag hieraan ten grondslag. Onder president Ronald Reagan (1981-1989) werden de belastingen fors verlaagd terwijl tegelijk de inflatie werd teruggedrongen door restrictief beleid van de Federal Reserve. Dit leidde aanvankelijk tot een diepe inzinking, waaruit de economie zich echter snel herstelde toen de rente omlaag ging terwijl ook de olieprijs daalde. Wel liep het financieringstekort van de overheid sterk op. In het begin van de jaren 1990 deed zich opnieuw een lichte recessie voor, maar onder president Bill Clinton (1993-2001) trad herstel in en groeide de economie zo snel dat ook het financieringstekort wegsmolt; de werkloosheid daalde in 2000 tot onder de 4%, het laagste niveau sinds de jaren 1960. Ditmaal werd de economie aangejaagd door een snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en diensten op het gebied van computers en informatica. De euforie (men sprak van de ‘Nieuwe Economie’ waarin de productiviteitsgroei op een blijvend hoog peil zou liggen en recessies waren uitgebannen) leidde echter tot excessieve stijging van de beurskoersen, wat in 2000 uitliep op een crash. In 2001 kwam een eind aan de hoogconjunctuur. De gevolgen van overinvestering en hoog opgelopen schulden crisis werden nog versterkt door een vertrouwenscrisis als gevolg van de aanvallen van 11 september en een reeks grote faillissementen (onder meer van energiegigant Enron, in december 2001) en boekhoudschandalen. Veel grote bedrijven bleken net als Enron systematisch te hoge winsten te hebben gerapporteerd. Een echte recessie bleef echter uit doordat de Federal Reserve de rente fors verlaagde, de consumptieve bestedingen bleven groeien en de woningmarkt op peil bleef. In verband met de sterk verhoogde uitgaven aan veiligheid, en de door president Bush in 2001 en 2003 doorgevoerde belastingverlagingen, liep ook het financieringstekort weer sterk op terwijl de dollar onder druk kwam te staan.
| 3.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij |
Het grootste probleem van de landbouw is overproductie. De overheid steunt de boeren met inkomenssteun en exportsubsidies. In het kader van de Doha-ronde van de WTO dringen de Verenigde Staten aan op reductie van handelsbeperkingen en subsidies voor agrarische producten ten behoeve van een eerlijker concurrentie op de wereldmarkt. Hierover bestaat echter grote onenigheid met de EU.
De Verenigde Staten zijn reeds lange tijd de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, een positie die zij in de jaren tachtig nog verder konden uitbreiden. Middelgrote en grote landbouwbedrijven overheersen; verregaande mechanisatie en toepassing van de nieuwste landbouwmethoden zijn voor deze bedrijven kenmerkend. De klimatologische en fysisch-geografische omstandigheden hebben verschillende landbouwzones doen ontstaan. De noordoostelijke staten en de gebieden om de Grote Meren behoren tot de zuivelzone, de dairy belt. De oostkust kent vele tuinbouw, fruitteelt en pluimveehouderij. Ten zuiden van de dairy belt worden de voor de veehouderij zo belangrijke gewassen maïs en sojabonen in de corn soy belt verbouwd. De grote katoenplantages in de eens zo beroemde cotton belt, die in het zuiden van de Atlantische Oceaan tot diep in Texas liep, hebben nu grotendeels plaatsgemaakt voor gemengde agrarische bedrijven, maar als gevolg van de betere landbouwmethoden is de opbrengst van de nog bestaande katoencultures hoger dan vroeger. Aan de kust van Florida en Texas worden citrusvruchten, suikerriet en rijst verbouwd. Het Midden-Westen is de graanschuur, bekend onder de naam de wheat belt. Californië heeft uitgebreide groente- en fruitkwekerijen, terwijl ook de wijnbouw daar van grote betekenis is. Het enigszins vochtige noordoosten heeft gemengde bedrijven, terwijl de fruitteelt daar ook een belangrijke rol speelt.
Ook in de veehouderij zijn de Verenigde Staten de grootste producent ter wereld, maar een aantal veehouderijproducten moet ingevoerd worden. Rundveehouderij vindt plaats in Texas, Iowa, Nebraska, Kansas, Missouri, Oklahoma en Wisconsin. In het westen wordt de veehouderij op extensieve wijze bedreven. In het zuiden en het westen wordt vnl. slachtvee gehouden, in het noorden en noordoosten en bij de grote steden melkvee. De varkenshouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Van grote betekenis is de pluimveehouderij (kippen en kalkoenen), die in Californië, New England, North Carolina en Georgia is geconcentreerd.
Ca. 30% van het oppervlak van het land is met bossen bedekt, waarmee de Verenigde Staten na de Russische Federatie en Brazilië tot de bosrijkste landen ter wereld behoren. Tweederde daarvan kan commercieel geëxploiteerd worden; circa driekwart daarvan in privébezit. De houtindustrie bezit aanzienlijke bosarealen en spant zich ook in voor de uitbreiding daarvan. De commerciële bosbouw vindt vnl. plaats in de grote naaldwouden van Noord-Californië, Washington en Oregon, waar ook de grootste zagerijen ter wereld zijn, die vnl. voor de papierindustrie werken en in de gemengde bossen van het zuidoosten. Een derde belangrijk bosgebied is de Rocky Mountains.
De Verenigde Staten beschikken over rijke visgronden in de Atlantische Oceaan (kabeljauw, makreel, haring en tong), in de Grote Oceaan, voor de kust van Alaska (tonijn, sardines, haring en kabeljauw) en in de binnenwateren. De Fishery Conservation and Management Act van 1976 heeft een zone van 200 mijl vanuit de kust verboden verklaard voor buitenlandse vissers. De helft van de totale vangst wordt geëxporteerd.
| 3.3 Mijnbouw en energievoorziening |
De Verenigde Staten zijn een van de aan bodemschatten rijkste en tevens belangrijkste mijnbouwlanden ter wereld. In de winning van magnesium, fosfaat en molybdeen nemen zij de eerste plaats in; in de winning van aardgas, aardolie, lood, koper, goud en steenkool een tweede plaats. Over het algemeen is de mijnbouw sterk gemechaniseerd. De Verenigde Staten hebben de grootste steenkoolvoorraad ter wereld (ruim 200 miljard ton SKE). Het zwaartepunt van de winning ligt in Pennsylvania. Verder wordt in de Rocky Mountains steenkool gewonnen. Er is een bewezen aardoliereserve bedraagt slechts circa 2% van de wereldreserve aan aardolie, en bevindt zich voornamelijk in Alaska. De aardoliewinning is te klein om de binnenlandse behoefte te dekken; ruim de helft van het gebruik moet geïmporteerd worden. De belangrijkste aardgasvoorraden liggen in Texas en Louisiana. IJzerertswinning, vnl. in het noorden en in de Appalachen, Utah, Nevada en Zuid-Californië, is, ondanks de vijfde plaats op de wereldlijst van ijzerertsproducerende landen, niet meer voldoende om de binnenlandse vraag te dekken. Dit geldt ook voor de winning van kopererts die plaatsvindt in Arizona, Utah, New Mexico, Nevada en Montana, waar ook goud en zilver gedolven worden. Bauxiet wordt vnl. in Arkansas en Georgia gevonden, maar niet voldoende om aan de vraag van de aluminiumindustrie te voldoen (Amerika is de grootste aluminiumproducent van de wereld). Uraniumerts komt voor in de Rocky Mountains.
Het energieverbruik per hoofd van de bevolking is in de Verenigde Staten bijna vier keer zo hoog als het wereldgemiddelde. De energievoorziening geschiedt vnl. door warmtekrachtcentrales, waarvan circa 90% wordt gevoed door aardolie, aardgas en steenkool. Kernenergie voorziet in circa 7% van het totale energieaanbod maar als gevolg van de hoge kosten en veiligheidszorgen zijn er sinds het ongeval in de kerncentrale bij Harrisburg, Pennsylvania, in 1979, geen kerncentrales meer gebouwd. Waterkrachtcentrales, zoals die in de Tennessee River, leveren eveneens een aandeel aan de energievoorziening. Wind- en zonne-energie zijn in opkomst.
| 3.4 Industrie |
De Verenigde Staten zijn de grootste industriële natie ter wereld. Het kerngebied van de industrie is de manufacturing belt, in de door New York, Chicago en St. Louis gevormde driehoek. Texas is het centrum van de petrochemische industrie, terwijl de westelijke staten en in het bijzonder de gebieden rond Los Angeles, San Francisco en Seattle de laatste decennia veel industriële vestigingen hebben aangetrokken. Kenmerkend voor de Amerikaanse industrie zijn de grote industriële bedrijven die vaak weer in omvangrijke concerns zijn samengevoegd. Deze concentraties hebben zich m.n. in de auto-industrie, de vliegtuigbouw, staal-, olie-, computer- en voedings- en genotsmiddelenindustrie Ook buiten de industrie vindt een sterke concentratie plaats, onder meer in de sectoren media en entertainment, financiële dienstverlening en detailhandel. In 2000 werd autoconcern General Motors als ’s werelds grootste onderneming voorbijgestreefd door warenhuisketen Wall-Mart.
| 3.5 Handel |
De buitenlandse handel is – in vergelijking met de binnenlandse – gering van omvang. De uitvoer van goederen en diensten bedraagt ca. 11% van het bbp, de invoer ca. 13%. In augustus 1992 werd met Canada en Mexico het North American Free Trade Agreement (NAFTA-vrijhandelsverdrag) gesloten. Hiermee kwam de grootste vrijhandelszone ter wereld tot stand. De regering-Clinton streefde ernaar de NAFTA uit te breiden tot een Free Trade Association of the Americas (FTAA) voor Noord- en Zuid-Amerika, maar veel Amerikanen zijn beducht voor verlies van banen aan lagelonenlanden.
De Verenigde Staten hebben een structureel, en de laatste jaren groeiend tekort op de handelsbalans (in 2002 naar schatting 4,7% van het bbp), dat gefinancierd kan worden dank zij een voortdurende netto-toestroom van kapitaal in verband met buitenlandse investeringen en beleggingen. Belangrijkste uitvoerproducten zijn: machines en elektronica, auto's en auto-onderdelen, vliegtuigen, chemische producten en voedselproducten, waaronder graan. Ingevoerd worden vooral auto's en auto-onderdelen, elektrische apparaten, aardolie en aardolieproducten. De voornaamste handelspartners zijn NAFTA-partners Canada en Mexico, de EU-landen, Japan en China. Vooral de invoer uit China is sinds de jaren 1990 snel gegroeid en overtrof in 2002 de invoer uit Japan; het handelstekort met China beliep in dat jaar ruim 20% van het totale tekort.
| 3.6 Bankwezen |
Amerikaanse banken was lange tijd bij wet verboden filialen te openen of andere banken over te nemen in andere staten dan waarin zij gevestigd zijn. Dit is er ook de oorzaak van dat de Verenigde Staten naar verhouding weinig grote banken kent . In de jaren negentig kwam hier verandering in en volgde een golf van bankfusies, waardoor banken in meerdere staten van de VS vertegenwoordigd werden. Dit gebeurde om de internationale concurrentie het hoofd te kunnen bieden. De functie van centrale bank wordt vervuld door het Federal Reserve System. Naast het stelsel van handelsbanken spelen de vooral in New York geconcentreerde effectenbanken (ook wel zakenbanken genoemd) een belangrijke rol in de economie.
| 3.7 Verkeer |
De Verenigde Staten hebben het grootste wegennet en de hoogste motoriseringsgraad ter wereld, met meer dan twee auto’s per drie inwoners. Het autogebruik en de daarvoor vereiste infrastructuur hebben diepingrijpende gevolgen voor m.n. de stedenbouw gehad. In veel grote steden (bijv. Los Angeles) is het openbaar vervoer slecht ontwikkeld. M.n. het oosten heeft een zeer dicht wegennet. De federale overheid is verantwoordelijk voor het Interstate Highway System van autowegen; daarnaast bestaan veel tolwegen. Het busverkeer speelt m.n. voor het vervoer over middellange afstanden een belangrijke rol (Greyhound en Continental Trailways).
De betekenis van de spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer is door de opkomst van de auto, en op de lange afstand van het vliegtuig, snel teruggelopen. In 1971 greep de federale overheid in. Om het personenvervoer tussen de grote steden veilig te stellen, werd de National Railroad Passenger Corporation (Amtrak) opgericht. In 1976 richtte de overheid de Consolidated Rail Corporation (Conrail) op die het vrachtvervoer van een aantal failliet gegane maatschappijen, vnl. in het noordoosten, overnam (1987 geprivatiseerd).
De binnenscheepvaart is van groot belang voor het goederentransport in het stroomgebied van de Ohio, de Missouri en de Mississippi en op de Grote Meren. Haar staat een waterwegennet van in totaal 40 000 km lengte ter beschikking. Een aantal grote kanalen verbindt belangrijke zeehavens en industriegebieden met elkaar, zoals de St. Laurence Seaway, de Illinois Waterway en de Intracoastal Waterway. Chicago is de grootste binnenhaven. De grootste zeehavens zijn: New York, New Orleans, Houston, Baltimore, Newport, San Francisco en Los Angeles.
De luchtvaart is voor het binnenlandse personenvervoer van de grootste betekenis. Er bestaat een groot aantal luchtvaartmaatschappijen en meer dan vijfhonderd steden zijn in het vliegnet opgenomen. De drukste vliegvelden zijn: Chicago, Dallas, Los Angeles, Atlanta, New York (J.F. Kennedy), San Francisco, Denver, Miami, New York (La Guardia) en Boston. Sinds de in de jaren 1980 doorgevoerde deregulering van het vliegverkeer is de concurrentie sterk toegenomen en is een aantal maatschappijen verdwenen, waaronder bekende namen als PanAm en TWA.
| 4. Geschiedenis tot WO II |
Zie voor de oorspronkelijke bevolking van de tegenwoordige Verenigde Staten, de Indianen, en de ontdekkingsgeschiedenis van Amerika Noord-Amerika.
| 4.1 Kolonisatie |
De eerste vestigingen van Europeanen vonden plaats in Florida, waar Franse hugenoten en Spanjaarden tussen 1562 en 1568 heftig streden om de voorrang. De Spanjaarden zegevierden en stichtten in 1567 St. Augustine. In het begin van de 17de eeuw vestigden de Spanjaarden zich definitief in New Mexico (1609 stichting van Santa Fe). In het naar de Engelse ‘virgin queen’ Elizabeth I genoemde Virginia slaagden de Engelsen onder leiding van John Smith erin om in 1607 een kolonie te vestigen. Een tweede Engelse vestiging kwam tot stand toen in 1620 de Pilgrim Fathers met het schip de Mayflower landden op de kust van Massachusetts en de kolonie Plymouth stichtten. In de daaropvolgende jaren werden zij gevolgd door de puriteinen, die in 1630 Boston stichtten. In dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden ontdekte de Engelsman Henry Hudson de naar hem genoemde rivier tot aan Albany en in 1624 begon de nederzetting op het eiland Manhattan. Nadat de hele kust verdeeld was, ontwikkelden de kolonies zich al naar gelang hun herkomst en ligging. Vanuit de Engelse kolonie Massachusetts ontstonden de nieuwe kolonies Connecticut en Rhode Island. In het zuiden ontstonden Maryland, Carolina (1663; in 1729 gesplitst in North Carolina en South Carolina) en Georgia (1731). In 1681 verwierf de leider van de quakers, William Penn, het recht tot kolonisatie in het naar hem genoemde Pennsylvania. Engeland ging steeds meer domineren langs de oostkust; de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland, die eerst zelf Nieuw-Zweden opslokte (1655), werd in 1664 veroverd en daarmee strekte het Engelse gebied zich uit van Canada tot Florida. In dit hele gebied werden Indianenstammen in bloedige oorlogen onderworpen.
Aanvankelijk waren de verschillen tussen de kolonies zeer groot, in economisch zowel als in godsdienstig opzicht. In de 18de eeuw werd godsdienstige tolerantie algemeen. Economisch ontstond een tegenstelling tussen het Noorden, dat weinig slavernij had en een gebied was van kleine boeren en handelaars, en het Zuiden, dat steeds meer bepaald werd door het systeem van de slavernij, effectief op de grote plantages van tabak, rijst en, later in de eeuw, katoen. De saamhorigheid in het hele gebied groeide vooral door de voortdurende strijd tegen de Fransen in Canada en door de expansie naar het westen. De Europese oorlogen werden ook in de Nieuwe Wereld gevoerd en leidden ten slotte in de French and Indian War (in Europa Zevenjarige Oorlog geheten) tot de verovering van Canada, dat in 1763 door Frankrijk werd afgestaan. Daarmee leek Engeland oppermachtig, maar juist de uitputtende oorlogen brachten het moederland ertoe steeds zwaardere belastingen op de kolonisten te leggen. Het mercantilistische systeem werd door de kolonisten gevoeld als uitbuiting en het verzet daartegen begon al in 1760. Het verzet mondde ten slotte uit in een oorlog, waarin op 2 juli 1776 de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. De onafhankelijkheid werd verdedigd in de op 4 juli aanvaarde, door Thomas Jefferson geschreven Declaration of Independence. Voor de ontwikkelingen, leidend tot de oorlog waarin de dertien koloniën in Noord-Amerika zich vrijvochten van Engeland, en voor de gebeurtenissen in de oorlog (1775–1783), zie Amerikaanse Vrijheidsoorlog.
| 4.2 Onafhankelijkheid |
Op 19 april 1783 erkenden de Britten bij de Vrede van Versailles hun verlies: de Amerikaanse republiek was daarmee officieel geboren. Er diende zich echter voor de republiek direct een nieuw probleem aan, nl. of de dertien voormalige koloniën tot een ordelijke organisatie in één staat zouden kunnen geraken. In 1781 hadden zij zich verbonden op de Articles of Confederation, een voorlopige grondwet, die de verschillende staten vrijwel onafhankelijk liet en als enig gezamenlijk lichaam het Congres kende, dat slechts enkele maanden per jaar vergaderde. Algauw bleken de euvelen van die al te losse verbintenis. De oorlogsschulden waren groot, de handel was achterop geraakt, het gezag ontbrak en hier en daar kwamen door inflatie bedreigde boeren tot gewapende opstand. Een partij van zgn. Federalisten bepleitte de opstelling van een betere grondwet, een sterker gezag. In 1787 kwam een conventie bijeen te Philadelphia, waar een nieuwe Constitutie werd aanvaard. Daarin werd, op basis van de driemachtenleer van Montesquieu, getracht een evenwicht te vinden tussen vrijheid en orde, tussen de wil van de meerderheid en de bescherming van minderheden (zie voor de bepalingen van de Constitutie § 2.1). Het kostte echter de grootste moeite de verschillende staten tot ondertekening van deze meer centralistische regeling te bewegen. Pas toen aan de grondwet een ‘bill of rights’ was toegevoegd, bestaande uit tien artikelen die de menselijke grondrechten bevatten (de eerste tien amendementen), werd de tegenstand overwonnen. Daarmee begon het geordende bestaan van de Verenigde Staten als een Unie. In 1789 kon de eerste president, George Washington, zijn ambt aanvaarden. De grondwet was de uiteindelijke voltooiing van de revolutie.
| 4.3 De jaren van consolidatie (1787–1815) |
In de praktijk bleek de nieuwe grondwet heel wat beter te voldoen dan het oude systeem. Washington omringde zich met bekwame medewerkers als Thomas Jefferson (Buitenlandse Zaken) en Alexander Hamilton (Financiën). Maar in die twee mannen was ook de principiële verdeeldheid gegeven die de Amerikaanse politiek verder zou bepalen. Hamilton representeerde de handel en de industrie van het Noorden, die belang hadden bij een sterke organisatie van de centrale regering en bij een gezonde financiële politiek door afbetaling van de schulden en herwaardering van het geld; Jefferson kwam op voor de belangen van de landbouw in het Zuiden en Westen en was daarom geporteerd voor meer economische vrijheid en in het algemeen voor meer rechten voor de afzonderlijke staten. Het was Hamilton die door oprichting van een Nationale Bank orde op zaken wist te stellen en die daardoor de steun van Washington kreeg. Om hen heen concentreerde zich een partij die zich de Federalisten ging noemen. Daartegenover kregen Jeffersons aanhangers de naam Republikeinen Party. Maar van een grondige organisatie zoals later was nog geen sprake. Washington werd in 1797 opgevolgd door John Adams die ook Federalist was, maar in 1800 wonnen de Republikeinen de verkiezingen en in 1801 werd Jefferson president. Hij bleek echter zijn idealen van states' rights moeilijk te kunnen volhouden; hij regeerde met veel gezag en kende niet eens het Congres in zijn belangrijkste beslissing, de aankoop van het zgn. Louisiana-territorium van Napoleon in 1803. Het gebied van de Unie werd daardoor verdubbeld. Even eigenzinnig probeerde hij de Amerikaanse neutraliteit te handhaven in de Europese oorlogen van deze tijd. In 1807 trachtte hij Engeland tot eerbiediging van de Amerikaanse rechten te dwingen, door een compleet handelsembargo af te kondigen, dat echter weinig effect sorteerde. Jeffersons opvolger, James Madison, een geleerde onpraktische man, liet zich verleiden tot een oorlogsverklaring aan Engeland in 1812. Met wisselend succes werd gestreden (de Engelsen veroverden o.m. Washington en verbrandden het Witte Huis), maar op het einde, 24 november 1814, werd bij de Vrede van Gent de status quo hersteld. Van de Amerikaanse bedoelingen Engeland ter zee in te tomen en Canada te veroveren, was niets terechtgekomen. Deze tweede oorlog tegen Engeland vond daarin zijn voornaamste betekenis dat het Amerikaanse nationale gevoel als het ware bezegeld werd. Na deze oorlog zou Amerika zich een eeuw lang buiten de Europese politiek houden, volledig geoccupeerd met de eigen opbouw en problemen.
De oorlog had de binnenlandse partijen tot elkaar gebracht. Federalisten en Republikeinen smolten samen tot de partij Nationale Republikeinen. Madisons opvolger, James Monroe, werd in 1820 zelfs zonder noemenswaardige tegenstand herkozen. Men noemt deze periode daarom ook wel de Era of good feeling. In allerlei zaken werd er de nadruk op gelegd dat de nationale eenheid boven de verdeeldheid van de staten ging. Men kan zeggen dat ook de Monroe-leer een uiting was van nationaal bewustzijn. Deze leer werd de grondwet van het Amerikaanse isolationisme, dat lang de buitenlandse politiek kenmerkte.
| 4.4 De uitbreiding naar het westen |
Terwijl de kolonisten hun strijd begonnen tegen Engeland trok de eerste grote pionier, Daniel Boone, door de Cumberlandpas naar Kentucky en opende zo een nieuwe, rijke wereld. Zodra Amerika vrij was begon de stroom van pioniers pas goed en deze zou een eeuw lang niet meer ophouden. Aan de frontier werd de werkelijke geschiedenis gemaakt, daar ontstond het nieuwe Amerika. Deze grote trek had twee reusachtige gevolgen voor de natie, want hij leidde enerzijds tot democratisering, anderzijds tot diepe verdeeldheid. De vermaarde theorie van de Amerikaanse historicus F.J. Turner dat de Amerikaanse democratie ontstaan is ten gevolge van de pioniersexpansie moge overdreven zijn, want er werd natuurlijk ook voortgebouwd op ideeën die uit Europa waren meegebracht, maar het is toch wel juist dat de strijd met de wildernis leidde tot een nieuwe gelijkheid, waarin ieder zich bewijzen moest, ongeacht zijn afkomst. Naarmate de expansie toenam, ontstonden nieuwe staten, Kentucky en Tennessee reeds voor 1800 (resp. 1792 en 1796) en vervolgens in de 19de eeuw Ohio (1803), Louisiana (1812), Indiana (1816), Mississippi (1817), Illinois (1819), Alabama (1819), Missouri (1821), Arkansas (1836), Michigan (1837). Telkens als een zuidelijke staat tot de Unie werd toegelaten volgde een noordelijke of omgekeerd, want de zich steeds verscherpende tegenstelling tussen Noord en Zuid eiste een evenwicht in de Senaat, waar immers alle staten gelijk vertegenwoordigd zijn. Op den duur was in het westen de scheiding tussen typisch noordelijk en zuidelijk niet meer vol te houden: het westen had zijn eigen aard. Maar juist daarom moest de verdere expansie de nationale eenheid wel ondergraven en dat zou ook letterlijk gebeuren. Voordat het echter zover kwam vond de grote democratisering plaats, en die verscherpte en verergerde de tegenstelling nog.
| 4.5 De grote democratisering |
Weliswaar waren de Verenigde Staten opgezet als een democratie, maar aanvankelijk was dat slechts een beperkte, want het kiesrecht was voorbehouden aan de bezittende klasse en slechts een kleine elite bepaalde de politiek. Van de eerste zes presidenten waren er vier planters uit Virginia en de andere twee, vader en zoon Adams, conservatieven uit Massachusetts. Toen in 1828 Andrew Jackson tot president werd gekozen, was dat de uitdrukking van een democratiseringsproces, dat zich vanuit het westen snel over Amerika verspreidde. Jackson was de leider van het volk, dat in verzet kwam tegen de oude elite, zo werd het tenminste gevoeld. Zijn partij wisselde van naam, niet langer noemde zij zich Republikeins, maar Democratisch. Daartegenover verenigden de oude conservatieve handels- en industriekringen, die vooral in New England zetelden, zich in een nieuwe partij met de naam Whigs, om aan te geven dat zij, naar eigen mening, erfgenamen waren van de vrijheidsstrijd tegen Engeland en zich daarom nu moesten verzetten tegen wat zij noemden de dictatuur van ‘King Andrew’. Zij waren wezenlijk de voortzetters van Hamiltons idealen, hun grote leider Henry Clay pleitte voor het zgn. American System: een sterke federale regering moest de industrie met tarieven beschermen, de infrastructuur van het land opbouwen door de aanleg van kanalen en wegen en zo het westelijke landbouwgebied binden aan de industriekernen in het oosten. Daartegenover predikte Jackson het oude evangelie van Jefferson, de rechten van de staten, de vrije economie, verzet tegen alle monopolies. In 1832 weigerde Jackson het charter van de Nationale Bank te vernieuwen en werd daardoor zo populair dat hij met een enorme meerderheid werd herkozen. Na zijn aftreden in 1837 brak de eerste grote economische crisis uit, die veel armoede en ontwrichting bracht. De democratisering, waarvan Jackson de exponent was, bleek vooral ook in de diverse staten van betekenis. Overal werd in de jaren tussen 1820 en 1840 het algemeen kiesrecht ingevoerd, overigens alleen voor blanke mannen. Maar de Verenigde Staten waren daarmee toch ver vooruit op Europa.
| 4.6 De oorlog met Mexico |
Tijdens de expansie naar het westen stuitte men aanvankelijk slechts op enkele Indiaanse stammen, die taai maar vruchteloos verzet boden. Ten slotte echter botste men in het zuidwesten op een andere macht, Mexico, terwijl in het noordwesten het probleem van de afbakening van de grenzen met Canada zou opdoemen. Wat Mexico betreft, in 1821 had dit gebied zich losgemaakt van het Spaanse moederland en in het begin hadden de Mexicanen geen enkel bezwaar tegen de Amerikaanse kolonisten die bij drommen hun provincie Texas binnenstroomden. Maar op den duur werden de Amerikanen een staat in de staat en zo kwam het in 1833 tot een conflict dat uitmondde in de uitroeping van de republiek Texas in 1836. Het lag voor de hand dat de Verenigde Staten de nieuwe republiek zouden annexeren, maar ingewikkelde politieke manoeuvres leidden ertoe dat de annexatie pas in 1845 tot stand kwam. Toen leidde zij tot oorlog: in 1846 vielen de geprovoceerde Mexicanen het Amerikaanse grensleger aan, wat het begin betekende van een tweejarige strijd, die eindigde met een volledige Mexicaanse nederlaag (zelfs Mexico City werd bezet) en vervolgens tot de Vrede van Guadalupe Hidalgo (februari 1848), waarbij Mexico het hele gebied van wat nu New Mexico, Arizona en Californië is, afstond. De president die verantwoordelijk was voor deze krachtige imperialistische politiek, James Polk, wist in dezelfde tijd ook een afdoende regeling met Engeland te treffen inzake de grensafbakening met Canada. In het noordwesten werd door beide partijen wat toegegeven, zodat de 49ste breedtegraad de grens werd (Oregon-verdrag 1846).
De oorlog met Mexico is het eerste grote voorbeeld van het Amerikaanse imperialisme. Er bleek uit dat de Verenigde Staten zich weliswaar tegenover de Oude Wereld isolationistisch opstelden, maar tegelijk naar het westen een ontembare expansie te zien gaven, die zelfs verder ging dan het eigen continent. Terwijl de Amerikanen de Atlantische Oceaan beschouwden als een barrière waarachter zij veilig waren, zagen zij de Grote Oceaan als een open weg naar de rijkdommen van Azië. Hun aandacht in die richting begon al vroeg. Al in 1784 was een Amerikaans schip de haven van Kanton binnengevaren en weldra waren de Verenigde Staten na Engeland de voornaamste handelsmacht in het Verre Oosten. Nadat Engeland in de Eerste Opiumoorlog de opening van China had afgedwongen, waren het de Amerikanen die in 1853 Japan dwongen havens voor de westerlingen open te stellen. Daarmee begon een betrokkenheid die onvoorstelbare gevolgen zou hebben, maar tegelijk onafwendbaar leek. Deze ontwikkeling werd echter in het midden van de 19de eeuw onderbroken door de strijd tussen het Noorden en het Zuiden.
| 4.7 De strijd tussen Noord en Zuid |
De stichters van de Amerikaanse staat hadden zich ernstige zorgen gemaakt hoe zij hun federatie bij elkaar zouden kunnen houden. Met name in het Zuiden was sprake van een opstandige geest tegen het federale gezag en deze werd sterker naarmate de zuidelijke positie verzwakte. In het conflict dat uiteindelijk ontstond draaide alles om het probleem van de slavernij. Terwijl de Noordelijke Staten voor of ca. 1800 overgingen tot, meestal geleidelijke, afschaffing van het systeem, schoot het in het Zuiden juist diepe wortels door de opkomst van de katoenverbouw. In het Noorden deden ondertussen de abolitionisten van zich spreken, radicale tegenstanders van de slavernij, die langzamerhand steeds meer indruk begonnen te maken. Zo verscherpten zich de tegenstellingen. Maar de tegenstellingen zouden niet zo urgent zijn geworden, als niet de uitbreiding naar het westen zulke grote dilemma's had opgeroepen. Zoals gezegd werd aanvankelijk nog getracht een zeker evenwicht tussen Noord en Zuid te bewaren. De problemen werden echter steeds groter en alleen via compromissen in het Congres bleef de eenheid binnen de Unie gehandhaafd, zoals in het geval van de toelating tot de Unie van Californië in 1850. Californië lag ten dele in het Zuiden, maar slavernij zou verboden zijn. Als zoenoffer aan het Zuiden kwam een strenge wet op ontvluchte slaven, waarbij de federale macht kon worden ingeschakeld als slaven naar het noorden ontsnapten. Maar weldra bleek dat een noodoplossing. Ten gevolge van de nieuwe wet ontwaakte in het Noorden de sympathie voor de negers, het abolitionisme groeide plotseling snel. In 1852 verscheen het boek van Harriet Beecher Stowe Uncle Tom's cabin en dit maakte het hele probleem wereldkundig. Snel volgden de gebeurtenissen elkaar nu op. In 1854 kwam het voorstel de pioniers in het westen zelf te laten beslissen (Kansas-Nebraska-wet 1854), maar in de praktijk leidde dat tot felle gevechten tussen voor- en tegenstanders van de slavernij in Kansas (Bleeding Kansas). Het Hooggerechtshof verklaarde in 1857 dat slaven altijd en overal bezit bleven, ook als hun eigenaar ze meenam naar het Noorden. Het ging de noorderlingen niet in de eerste plaats om sympathie voor de neger; wat veeleer in het geding was, was de vrije toegang tot het westen voor de kleine boeren. Dat was zo’n groot belang dat er in deze jaren een algehele partijverschuiving plaatsvond. De Whigs, die ook aanhang hadden onder de rijke planters van het Zuiden, raakten zo verscheurd over deze zaak, dat hun partij letterlijk ten onder ging. Onder hun noordelijke aanhangers werd een nieuwe partij gesticht, die zich de Republikeinen noemde (zie Republican Party). In haar vaandel schreef deze partij de vrijheid van het westen. Niet de kolonisten zelf zouden daar moeten beslissen of ze slavernij wilden, maar het Congres. De gedachte aan een sterk centraal gezag was dus primair. De nieuwe partij was geheel regionaal, alleen in het Noorden vond ze aanhang. Maar dat bleek algauw voldoende. Immigratie had in de laatste jaren het Noorden driemaal zo sterk in bevolking gemaakt als het Zuiden, dat met zijn slavernijsysteem geen toevloed van blanken kende. In 1860 won de Republikeinse presidentskandidaat Abraham Lincoln de verkiezingen. Hoewel Lincoln geen abolitionist was, was zijn verkiezing voor het Zuiden aanleiding om zich af te scheiden. In april 1861 kwam het tot een gewapend treffen en daarmee begon de Burgeroorlog (zie Amerikaanse Burgeroorlog). De oorlog mondde uit in een overwinning voor het Noorden onder leiding van Lincoln (1865). Deze werd op 14 april 1865 in een schouwburg neergeschoten door een zuidelijke fanaticus.
De Burgeroorlog was een strijd met als inzet het voortbestaan van de slavernij, maar tegelijk waren andere zaken in het spel. Tijdens de oorlog bevrijdde Lincoln de slaven per proclamatie, die op 1 januari 1863 van kracht werd (grondwettig bekrachtigd door het 13de amendement op de Grondwet, 1865). Maar voor Lincoln ging het in de strijd minstens zozeer om het behoud van de Unie, die immers het bewijs en de toetssteen van de democratie moest zijn. Met die Unie was dan ook het federale systeem in het geding; eens en voorgoed werd bewezen dat een staat niet zo maar de Unie kan verlaten. Economisch heeft de Burgeroorlog weer een andere betekenis gehad: het industriële, voor protectie geporteerde Noorden won van het agrarische, liberale Zuiden en na de oorlog begon dan ook de fabelachtige opbloei van de Amerikaanse industrie. Een laatste groot gevolg van de oorlog was de openstelling van het westen als vrij land voor de kolonisten (Homestead Act 1862).
| 4.8 Wederopbouw |
In de periode 1865 tot 1877 vond op landelijk niveau het herstel van de Unie in Washington en op regionaal niveau het herstel van het door de oorlog geteisterde Zuiden plaats (zie Reconstruction). Het humanitaire elan dat de Republikeinen na de oorlog wel bezielde, zakte al spoedig weg. Zoals zo vaak na een oorlog moesten de idealen wijken voor de materiële belangen. De zucht naar expansie en winst ging meer en meer domineren. Geobsedeerd door hun industriële ontwikkeling konden de machthebbers zich niet langer bekommeren om het Zuiden; in 1877 trokken ze de laatste troepen daar terug en lieten het gebied aan zichzelf over en daarmee de negers aan de willekeur van de blanken. Weldra wisten de zuiderlingen door segregatie en ontneming van het kiesrecht de negers terug te voeren tot een staat van semi-slavernij, en het Noorden, zelf gevangen in materialisme en imperialisme met duidelijk racistische elementen, liet dat allemaal toe.
| 4.9 De industriële expansie |
Zelden of nooit heeft een land zo’n snelle ontwikkeling doorgemaakt als de Verenigde Staten in de jaren tussen de Burgeroorlog en de Eerste Wereldoorlog. Het land werd in deze tijd vrijwel voortdurend geregeerd door Republikeinse politici die de nauwste banden hadden met de grote industrie. Alle faciliteiten konden de industriëlen krijgen, in een broeikas van protectie floreerden zij, van inkomstenbelasting hadden zij geen weet (pas het 16de amendement van 1913 zou de grondwettigheid daarvan erkennen) en door corruptie en afpersing verrijkten zij zich nog extra. Een kleine groep grootindustriëlen, ook wel de robber barons genoemd, beheerste het land (John D. Rockefeller, Edward H. Harriman, Leland Stanford, J.P. Morgan, Andrew Mellon, Andrew Carnegie, enz.). Zij maakten zichzelf en daarmee toch ook het land groot. Zij deden veel aan filantropie en stichtten musea en universiteiten. Belangrijk was de wetenschappelijke basis en begeleiding van de industriële groei, de ene uitvinding na de andere werd gedaan (Edison, Eastman, Bell, enz.). De namen van de uitvinders en van de captains of industry uit deze periode zijn in de geschiedenis van de Verenigde Staten ongetwijfeld belangrijker dan die van de grotendeels corrupte politici en presidenten uit dezelfde periode. De materiële opbloei ging gepaard met veel corruptie, die van tijd tot tijd leidde tot schandalen, waar steeds hoge ambtenaren en staatslieden bij betrokken waren. Een enkele hervorming kwam tot stand; in 1883 werd door de Pendleton Act het spoils system, dat rotatie van alle ambtenaren na elke verkiezing inhield, verzacht en dat was een grote verbetering. Maar in het algemeen was de toestand slecht. Doordat er geen controle was op het economische leven braken van tijd tot tijd ernstige crises uit, waarin alleen de sterksten zich konden handhaven (1873, 1893, 1907), maar ook dat behoorde bij het wereldbeeld, dat steeds meer, voor zover men er een diepere beschouwing op na hield, werd beheerst door het zgn. sociaal darwinisme, compleet met de ‘struggle for life’ en de ‘survival of the fittest’, nl. de rijken.
| 4.10 De grote immigratie |
De industriële expansie vereiste veel arbeidskrachten en deze werden geput uit de voortdurende en in omvang toenemende stroom van immigranten. In 1800 woonden in de Verenigde Staten ruim 5 miljoen mensen, in 1860 31 miljoen, in 1880 50 miljoen, in 1900 75 miljoen, in 1920 105 miljoen. Er waren jaren dat er meer dan een miljoen mensen binnenkwamen (1907: 1 285 349). De eerste stroom van immigranten kwam uit West-Europa, in het midden van de 19de eeuw vooral uit Ierland, Duitsland en Scandinavië. In de jaren na 1885 begon de immigratie uit Zuid- en Oost-Europa, m.n. uit Rusland (vervolgde joden) en Italië. Een groot deel van de gelukzoekers vulde algauw de slums van de grote steden. Bovendien ontstond in het land een antivreemdelingensentiment, het zgn. ‘nativism’. In de laatste decennia van de eeuw vonden lynchpartijen plaats van Italianen en Chinezen en deze laatsten werden door de Wet van 1882 zelfs geheel geweerd. Met Japan kwam het in 1907 tot een afspraak de immigratie te stoppen. Een algehele inperking van de immigratie was pas mogelijk toen in de industrie een zekere verzadiging was bereikt. Bij de immigratiewetten van 1921 en 1924 werden quota opgesteld voor de verschillende nationaliteiten, waardoor een drastische beperking van de immigrantenstroom werd bereikt.
| 4.11 Arbeidersorganisatie |
Onder de miljoenen die in het Amerikaanse arbeidsproces werden opgenomen, kwam het slechts langzaam tot organisatie. Deze was in de eerste tijd sterk romantisch en idealistisch. De eerste National Labor Union, gesticht in 1866, streed voor de achturige werkdag, maar faalde toen zij zich in 1872 omvormde tot een politieke partij, de National Labor Reform Party. De jaren van industriële expansie na 1870 leidden tot vele arbeidsconflicten, zoals het verzet van de Ierse mijnwerkers, de ‘Molly Maguires’ in Pennsylvania in 1875, de algemene spoorwegstaking bij de Baltimore and Ohio-Railroad in 1877, bedwongen door federale troepen, en de Haymarket Massacre van 1886, een botsing tussen politie en anarchisten in Chicago.
De belangrijkste organisatie van de arbeiders in deze jaren was die van de Knights of Labor, geleid door Terence Powderly. Zij streed zowel voor politieke als voor arbeidsverbeteringen, maar werd ten slotte overvleugeld door de in 1886 opgerichte American Federation of Labor (AFL), die onder leiding van Samuel Gompers een veel zakelijker programma voorstond. Felle botsingen, zoals de Homestead Massacre (1892), waarbij de arbeiders in de staalfabrieken van Carnegie vochten met de Pinkerton-detectives, en de Pullman-staking (1896) die het hele treinverkeer in het Midden-Westen stillegde, gaven wel voedsel aan een zekere radicalisering en leidden mede tot de opkomst van een meer extreme arbeidersorganisatie, de Industrial Workers of the World (1905), die de nadruk legde op de organisatie van ongeschoolde arbeiders en een totale afschaffing van het bestaande loonstelsel eiste. Maar op den duur hadden zulke echt revolutionaire bewegingen in het behoudende Amerika geen kans, de toekomst was aan de pragmatische vakbonden die binnen het bestaande bestel hun eisen wilden verwezenlijken. Door de AFL kwam in 1914 een antitrustwet tot stand, die bescherming bood aan de vakbonden (zie antitrustpolitiek). Zie voorts vakbeweging.
| 4.12 Politieke veranderingen |
Ontevredenheid onder kleine boeren en arbeiders manifesteerde zich op het eind van de 19de eeuw in de groei van een derde partij, de Populisten, die later grotendeels opging in de Democratische Partij.
In het begin van de 20ste eeuw was er algemene onrust over het vigerende corrupte materialisme. Een hervormingsbeweging (Progressive Movement) zette in, aanvankelijk geconcentreerd in een groep intellectuelen en politici. Het scheen of eindelijk ook politiek de tijd rijp werd voor verbeteringen. In 1901, na de moord op president William McKinley, was Theodore Roosevelt president geworden. Hoewel hij aanvankelijk argwanend stond tegenover de hervormers, die hij minachtend als muckrakers bestempelde, begon hij toch langzamerhand in hun sporen te treden. Roosevelt was een krachtig president, maar zijn openlijk partij kiezen voor hervormingen kwam te laat. Toen zijn partij na zijn aftreden weer een conservatieve koers begon te varen onder zijn opvolger, William Howard Taft (1909–1913), stichtte hij, na door de Republikeinse Partij in 1912 als presidentskandidaat te zijn verworpen, een eigen partij van de Progressieven. Door die scheuring kregen de Democraten de kans om te winnen en hun kandidaat, Woodrow Wilson, was zelf een vurig hervormer. De wezenlijke betekenis van 1912 is dat de Republikeinse Partij de partij der conservatieven werd, terwijl de Democraten de keus voor progressiviteit durfden te doen, wat hun op den duur een langdurige meerderheidspositie zou opleveren. Inbegrepen in deze keuze was een ruil in beginselen, want het waren nu de Democraten die ter wille van een sociale verandering pleitten voor krachtig federaal bestuur, terwijl de Republikeinen meer en meer de idee van de states’ rights gingen beklemtonen. De nazaten van Jefferson werden aanhangers van Hamilton en omgekeerd. Het is waar, dat alles was in 1912 nog niet duidelijk, al voltrok zich toen toch de scheiding der geesten. Pas met het optreden van Franklin Delano Roosevelt werd de grote ruil bestendigd en werd ook de Democratische Partij lange tijd de grootste partij van het land.
| 4.13 De voltooiing van het westen |
Bij de trek naar het westen en het in het bezit nemen van het land moesten de oorspronkelijke, rechtmatige bezitters van het land, de Indianen, wijken. Dat ging gepaard met strijd, want de Indianen waren op grond van hun ervaringen niet steeds van zins de blanke beloften te geloven. Lange tijd had de Amerikaanse regering de fictie gehandhaafd dat de Indiaanse stammen officieel vreemde mogendheden waren en de relatie daarmee was daarom uitgedrukt in een lange reeks van verdragen, die steeds weer inhielden dat de Indianen een deel van hun land afstonden, maar de rest eeuwig mochten behouden. Telkens werden deze verdragen geschonden als de druk van de kolonisten te sterk werd. Ten slotte hadden de Indianen niet het minste vertrouwen meer in hun tegenstanders. Over en weer werden gruwelijke wreedheden begaan, maar ten slotte trokken de blanken aan het langste eind. De laatste grote botsingen vonden plaats in 1876, toen generaal Custer met 266 man in een Indiaanse hinderlaag liep en onderging, en in 1890 toen 200 Sioux-Indianen in de slag bij Wounded Knee of liever de slachting bij Wounded Knee de dood vonden. Op het einde van de 19de eeuw waren alle stammen getemd en bijeengedreven in reservaten, waar zij over het algemeen slecht behandeld werden. Onder de Indianen ontstond daardoor een grote afkeer van het reservaatleven en ideeën aangaande integratie in de blanke maatschappij vonden gretig gehoor. Daarmee ontstond het grote dilemma waar de Amerikaanse Indianen nog steeds voor geplaatst zijn, nl. in hoeverre zij zichzelf zouden moeten zijn of omgekeerd zouden moeten trachten gelijk te worden aan de blanken. Het bleek nl. algauw dat de gemiddelde Indiaan niet in staat was zich te handhaven in de felle concurrentiemaatschappij van Amerika. Toen in 1934 het Bureau of Indian Affairs kwam met een nieuwe, betere politiek, waarbij de reservaten in ere werden hersteld, maar nu met medezeggenschap van de inwoners, werd dat door de meeste Indianen dankbaar aanvaard. Sindsdien is sprake van een renaissance van het Indiaanse leven en ondanks grote economische moeilijkheden hebben de Indianen, die ook snel in aantal toenemen, een duidelijk nationaal bewustzijn herwonnen.
| 4.14 Het Amerikaanse imperialisme |
Na de Burgeroorlog heerste er een stemming van totaal isolationisme, zelfs in westelijke richting. De aankoop van Alaska in 1867 van Rusland stuitte op groot verzet in het Congres. Een voorstel van president Grant in 1870 om de Dominicaanse Republiek te naasten, werd verworpen. Langzamerhand groeide met de opkomst van de industrie echter toch weer de interesse voor de buitenwereld. De opmars in de Grote Oceaan werd hervat: in 1875 kwam een verdrag met Hawaii tot stand, in 1878 kregen de Amerikanen de exclusieve rechten op de haven Pago Pago op Samoa, in 1887 eveneens op Pearl Harbor in Hawaii, in 1898 sloot Hawaii zich bij de Verenigde Staten aan. In 1898 geraakte Amerika in oorlog met Spanje over het probleem Cuba (zie Spaans-Amerikaanse Oorlog). Als resultaat van deze oorlog kwam Cuba onder Amerikaanse voogdij. De Verenigde Staten verwierven voorts de Filippijnen en Puerto Rico, en daarmee werd Amerika nolens volens een koloniale mogendheid. De oorlog met Spanje was de inleiding tot een rigoureuze Amerikaanse politiek in het Caribische gebied, door Theodore Roosevelt geformuleerd als zijn aanvulling op de Monroe-leer (Roosevelt-corollary): de Verenigde Staten zouden in elk land op het Amerikaanse continent dat door binnenlandse troebelen niet in staat was aan zijn verplichtingen te voldoen het recht hebben in te grijpen en orde op zaken te stellen, om zo Europese interventie te voorkomen. Weldra landden de Amerikaanse mariniers dan weer op deze dan gene kust en soms bleven zij enkele jaren en regelden de zaken. Eveneens werd Panama na een operetterevolutie losgemaakt van Colombia, zodat een Panamese regering de Verenigde Staten op goede voorwaarden kon toestaan het Panamakanaal te graven (1903–1914). Theodore Roosevelt voerde zeer bewust een politiek die het einde betekende van de isolatie. Overal in de wereld mengde hij zich in de conflicten, m.n. in het Verre Oosten. Overal probeerde hij de balance of power te bewaren, steunde eerst Japan tegen Rusland en vervolgens, na Japans bliksemoverwinning in 1904/1905, Rusland (zie Russisch-Japanse Oorlog). De Verenigde Staten, zo meende hij, waren geroepen om de rol van Engeland in de wereld te gaan overnemen en een pax Americana te vestigen. Ook in Europese zaken mengde hij zich. Roosevelt zag in dat de Verenigde Staten niet langer afzijdig konden blijven in de wereld nu het een machtige mogendheid werd. Uiteindelijk zou Woodrow Wilson de Verenigde Staten werkelijk betrekken in de wereld.
| 4.15 De Eerste Wereldoorlog |
In augustus 1914 verklaarde de Amerikaanse regering categorisch dat ze neutraal zou blijven. Toch geraakte zij drie jaar later, in april 1917, betrokken in de Eerste Wereldoorlog. Daarvoor zijn verscheidene redenen aan te geven, maar voorop moet worden gesteld dat het de regering in Washington ernst was met haar neutraliteit. Wilson zelf geloofde erin en zag er zelfs een middel in om als bemiddelaar op te treden. Maar het Duitse optreden, m.n. de onbeperkte duikbootoorlog (dit houdt in dat elk schip wordt aangevallen waarvan vermoed wordt dat het voor de vijand vaart), ingezet op 1 februari 1917), maakte het Wilson onmogelijk zich afzijdig te houden. Eerst verbrak hij de diplomatieke betrekkingen en na het bekend worden van het Zimmermann-telegram (een geheime Duitse belofte van steun aan Mexico om Californië en andere gebieden terug te krijgen) verklaarde hij op 2 april 1917 Duitsland de oorlog. Er zijn ook andere verklaringen gegeven voor het deelnemen van de Verenigde Staten aan de oorlog. Volgens sommige historici maakten de Amerikaanse leningen en munitieleveranties aan de geallieerden het voor de Verenigde Staten onmogelijk afzijdig te blijven, daar een verlies van de Entente een te grote schadepost zou hebben betekend. Een andere verklaring is dat in de kringen rondom Wilson de overtuiging heerste dat Amerika genoodzaakt was het machtsevenwicht te helpen bewaren en daarom wel moest strijden tegen Duitsland. Wilson bleef ondanks alles geloven aan een rechtvaardige vrede, de oorlog ging zijns inziens tegen de Duitse autocratie ‘to make the world safe for democracy’. Bij de vredesbesprekingen in Versailles met de Europese realistische politici Clemenceau en Lloyd George was Wilson niet in staat al zijn dromen te verwezenlijken. Bewust berustte hij in compromissen, omdat hij geloofde dat in de Volkenbond, zijn grote droom, alle problemen wel een oplossing zouden vinden. Het punt waar hij op stond, was dat de Volkenbond onlosmakelijk werd verbonden aan het vredesverdrag. Een meerderheid in de Amerikaanse Senaat vond echter dat het Volkenbondsverdrag afbreuk deed aan Amerika's soevereiniteit. Door wederzijdse koppigheid mislukte een compromis. Wilson werd door een beroerte getroffen en was niet meer in staat leiding te geven. De Verenigde Staten bleven buiten de Volkenbond en vielen terug in het oude isolationisme. Het volk, dat genoeg had van het internationale avontuur, koos bij de verkiezingen van 1920 de Republikein Warren Harding met grote meerderheid tot president.
| 4.16 De tijd tussen de oorlogen |
Nog eenmaal leek het of de goede oude tijd was teruggekeerd. De Republikeinen bleven tot 1933 aan de macht. Een schijnwelvaart leidde tot oppervlakkig optimisme. In het binnenland keerde men terug tot kras materialisme; in het buitenland hield men zich angstvallig afzijdig van de Volkenbond, maar nam men wel initiatieven tot verdragen die van ontwapening en vrede spraken. Het geestelijke klimaat in de jaren twintig, de roaring twenties, getuigde van onrust en onzekerheid. Voor het eerst werd een generatieconflict openbaar, onder de jongeren zich uitend in vrijgevochtenheid en protest, al was het nog op beperkte schaal. In 1929 barstte de zoveelste economische crisis los, de ernstigste die zich ooit in de geschiedenis van de westerse economieën heeft afgespeeld (zie crisis [economie]). In 1932 won de Democraat Franklin Delano Roosevelt de presidentsverkiezingen. Omringd door deskundigen waagde hij het de problemen met flair en visie aan te pakken (de New Deal). In 1936 herkozen, probeerde Roosevelt, met het oog op de internationale situatie, het volk mee te krijgen in een meer internationale politiek. Hij stuitte echter op een muur van verzet. Het isolationisme was zo sterk in deze jaren dat de president het land slechts stapje voor stapje ertoe kon brengen het Duitsland van Hitler te weerstaan. Pas de Japanse verrassingsaanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 bracht de Verenigde Staten in de oorlog.
| 4.17 De Tweede Wereldoorlog |
Het land was in het geheel niet klaar voor de oorlog, maar wist in korte tijd een miljoenenleger op de been te brengen, alsmede een gigantische vloot en luchtvloot. Weldra vochten Amerikanen op alle fronten, landden in 1943 in Noord-Afrika en Italië, in 1944 in Normandië en hadden een beslissend aandeel aan de definitieve nederlaag van Duitsland (zie voor het verloop van de oorlog Tweede Wereldoorlog). Roosevelt, in 1940 en 1944 als president herkozen, hoopte de organisator van de vrede te worden, maar hij begreep dat hij Wilsons fouten moest vermijden. In de internationale organisatie, die hij evenzeer nastreefde en die nu de Verenigde Naties zou moeten heten, wilde hij een realistisch machtsoverwicht van de vier grote mogendheden aanvaarden. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en China moesten de vier politieagenten van de wereld worden in duidelijk afgebakende invloedssferen, maar tegelijk in nauwe samenwerking. Vlak voor het einde van de oorlog, op 12 april 1945, stierf Roosevelt.
| 5. Geschiedenis na WO II |
| 5.1 1945–1960 |
Roosevelts opvolger, Harry S. Truman, was een geheel andere persoonlijkheid. Onder zijn bewind ontstond de breuk met de Sovjet-Unie. Het falen van de Russisch-Amerikaanse relatie leidde de zgn. Koude Oorlog in. De Sovjet-Unie wist Oost-Europa in haar greep te brengen, Duitsland was verdeeld en in het Westen boden de Amerikanen militaire en economische hulp (1947 Truman-doctrine, Marshallplan) en deden een Atlantisch bondgenootschap ontstaan. In het Verre Oosten traden de Amerikanen op als bezettende mogendheid in Japan, maar zij verloren China. De overwinning in 1949 van Mao Zedong en de nederlaag van Tjiang K’ai-sjek leidden in Amerika tot een traumatische reactie, want een eeuw lang had men geloofd in de speciale Amerikaans-Chinese vriendschap. Nu werd het land tot aartsvijand verklaard. In die geladen atmosfeer waren oorlogen tegen de ‘communistische duivel’ een haast noodzakelijke uitlaatklep (vgl. de Koreaanse Oorlog). Concluderend kan men stellen dat het optreden van de Verenigde Staten in de Tweede Wereldoorlog wel leidde tot de bevrijding van de wereld, maar dat het tevens een Amerikaanse zelfoverschatting in de hand werkte. Wat men gepresteerd had, was indrukwekkend, maar de gevolgtrekking dat men nu overal ter wereld regelend kon optreden, zou bittere gevolgen hebben. Ook hier gold weer dat de betrekkelijk jonge natie er nog niet in slaagde haar eigen identiteit en daarmee haar rol in de wereld te vinden. De voornaamste voorwaarde daarvoor, een binnenlandse consolidatie, was nog niet aanwezig.
Na de oorlog ontwikkelde zich in de Verenigde Staten in snel tempo een onvoorstelbare welvaart. Er waren weliswaar vergeten groepen, maar de grote meerderheid bereikte een peil van leven als nooit tevoren. Een economische en technische revolutie veranderde het land totaal. Onzekerheid en schrikreacties konden niet uitblijven. Mensen die in het snelle proces van verandering ontworteld raakten, volgden gemakkelijk extremistische leiders, zoals ca. 1950 Joseph McCarthy. Deze fervente anticommunist slaagde erin een hetze te bewerkstelligen tegen alles wat intellectueel en in zijn ogen links was. Maar het systeem bracht hem ook weer ten val. Uiterst rechtse en linkse agitatie hadden als het erop aankwam geen kans; de Amerikaanse politiek bleef bepaald door het midden. De Democratische coalitie, die door Roosevelt tot stand was gekomen (de steden, de etnische minderheden, de intellectuelen, de zwarten), bleef in de meerderheid. Dat bleek bij de herverkiezing van president Truman in 1948, tegen alle verwachting in. Wel zocht het kiezersvolk in 1952 heul bij de vaderlijke figuur van Eisenhower, die als Republikeins kandidaat optrad (in 1956 herkozen), maar gedurende bijna zijn gehele bewind bleef de meerderheid van het Congres Democratisch.
De jaren vijftig waren jaren van betrekkelijke rust. In de buitenlandse politiek beheerste John Foster Dulles als minister van Buitenlandse Zaken de situatie, strak vasthoudend aan zijn streven naar het tegengaan van expansie (containment) van de communistische wereld door middel van militaire bondgenootschappen. In het binnenland bleef de welvaart duren. Het enige lang verdrongen probleem dat toen aan de oppervlakte kwam, was dat van de relaties tussen de rassen. Oorzaken daarvan waren de veranderde mentaliteit ten gevolge van de oorlog tegen Hitlers racisme, de door de televisie bevorderde communicatie en niet het minst het ontwaken van de zwarte bevolking zelf. Zie voor de ontwikkelingen en gebeurtenissen inzake de relaties tussen de rassen segregatie [sociologie].
| 5.2 De crisis van de jaren zestig |
Toen in 1961 president John F. Kennedy het roer in handen nam, leek het alsof de Verenigde Staten op de drempel stonden van een betere toekomst. Kennedy mocht onervaren zijn, hij bracht het land in beweging. Van de conflicten en fouten die hij meemaakte en beging (de Varkensbaai-invasie op Cuba, april 1961, was wel de ernstigste) leek hij te leren. Nadat het in oktober 1962 tot een zeer ernstig conflict was gekomen met de Sovjet-Unie, die raketten wilde opstellen op Cuba (zie Cuba § 5.5), volgde reeds in augustus 1963 de ondertekening van het verdrag met de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië over het verbod van bovengrondse kernproeven. Verzoening leek mogelijk. Maar tegelijk verstrikte Kennedy zich in de ingewikkelde situatie in Vietnam, waar op het einde van 1963 reeds 16 000 Amerikaanse ‘adviseurs’ aanwezig waren. De aandacht van de natie en de wereld was evenwel gevestigd op optimistischer zaken: het probleem van de zwarten in het zuiden leek oplosbaar, de sociale zorg werd uitgebreid, Amerika's technisch kunnen werd bewezen door succesvolle ruimtevaarten. De moord op Kennedy op 22 november 1963 in Dallas (Texas) veroorzaakte dan ook een schok in de hele wereld. Zijn opvolger, Lyndon B. Johnson, stelde zich tot taak Kennedy's werk voort te zetten. Op binnenlands terrein behaalde hij grote successen, zowel wat betreft de burgerrechtswetten als op sociaal gebied. Maar meer nog dan zijn voorganger raakte hij betrokken in het conflict in Vietnam (zie Vietnam § geschiedenis). Binnen enkele jaren had hij een Amerikaanse troepenmacht van een half miljoen man naar Zuidoost-Azië gestuurd. De oorlog in Vietnam werd een nachtmerrie, de voornaamste oorzaak van een snel groeiend gevoel van crisis in de Verenigde Staten zelf. Wat wezenlijk in het geding was, was Amerika's identiteit: moest het, kon het de rol van politieagent in de wereld spelen? Of was het veeleer geroepen om een voorbeeld te zijn en moest het dus eerst in eigen huis orde op zaken stellen? Johnson geloofde dat het allebei tegelijk mogelijk was, maar het verzet was te groot. Het probleem van de zwarte bevolking, de armoede in eigen land, de onrust onder de jeugd, die zich uitte in gewelddadig verzet op de universiteiten, en in het algemeen de toenemende geweld- en misdadigheid, waren tekenen aan de wand. Johnson, die in 1964 met een overweldigende meerderheid de presidentsverkiezingen had gewonnen, verspeelde het vertrouwen van het volk nadien zozeer dat hij in maart 1968 de beslissing nam zich niet herkiesbaar te stellen als president. In een felle verkiezingscampagne, waarin het geweld als voornaamste slachtoffer de Democratische leider Robert Kennedy eiste (vermoord te Los Angeles 5 juni 1968), slaagde ten slotte de Republikeinse kandidaat Richard M. Nixon erin met een minieme meerderheid te winnen van Hubert Humphrey.
| 5.3 De jaren zeventig |
Nixon trachtte via een gematigd conservatieve koers te komen tot een kalmering van de hartstochten, een verzoening van de tegenstellingen. Daarbij beriep hij zich op de zgn. zwijgende meerderheid. In zekere zin slaagde deze opzet. De onrustige jeugd vluchtte in romantiek en mystiek en, voornaamste van al, de oorlog in Vietnam werd beperkt door het geleidelijk terugtrekken van Amerikaanse troepen uit Vietnam. In een diplomatiek spel van allure, waarin Nixons bekwame adviseur Henry Kissinger (sedert 1973 minister van Buitenlandse Zaken) een hoofdrol speelde, zochten de Verenigde Staten in 1971 toenadering tot de Volksrepubliek China (februari 1972: bezoek Nixon aan Peking) en vervolgens tot de Sovjet-Unie (mei 1972). Gesterkt door deze successen, maar ook, zoals later zou blijken, door manipulaties van ongehoorde omvang, won Nixon de presidentsverkiezingen van november 1972 met een overweldigende meerderheid van zijn Democratische opponent George McGovern. Als een laatste hoogtepunt in het Nixonbewind kan worden beschouwd de beëindiging van het Amerikaanse militaire ingrijpen in Vietnam, begin 1973; daarna ging het met het gezag van de regering snel bergafwaarts. Ongekende tegenslagen kreeg de regering nl. te verwerken toen bekend werd dat zij in Cambodja in het geheim bombardementen had laten uitvoeren zonder het Congres daarvan in kennis te stellen, maar vooral toen de Watergate-affaire, waarbij het Witte Huis betrokken was, aan het licht kwam. Nadat de justitiële commissie van het Huis van Afgevaardigden op 27 juli impeachment had aanbevolen en Nixon zelf door een opzienbarende verklaring op 5 augustus zijn betrokkenheid bij het schandaal had toegegeven, bleek zijn positie onhoudbaar te zijn geworden. Op 9 augustus 1974 trad hij af. Hij werd opgevolgd door vice-president Gerald Ford. Hij was een man van simpele, oprechte signatuur, en hij bleek de geschikte figuur om de nationale tegenstellingen te verzoenen. Hij voerde een zeer voorzichtige politiek, en onder zijn bewind kwam het land weer tot rust. In 1976 stond Ford kandidaat voor het presidentschap, maar met een zeer kleine meerderheid werd de Democraat James E. (Jimmy) Carter uit Georgia tot president gekozen. Carter zal evenmin als Ford de geschiedenis ingaan als een groot leider. Hij werd waarschijnlijk gekozen om de indruk van zuiverheid die hij maakte, en hij was ook vol goede bedoelingen. Maar hij miste elk charisma, was een piekerende, zorgvuldige bestuurder, die zijn volk niet bezielen kon en het Congres niet kon meekrijgen. Misschien zijn beste en belangrijkste werk lag op het gebied van de buitenlandse politiek. De verzoening van Israël en Egypte was zijn persoonlijke triomf (zie Camp David-akkoorden), ook al leidde ze niet tot een algehele vrede in het Midden-Oosten. Maar zijn aanzien en dat van de Verenigde Staten werden ernstig geschaad door de crisis in Iran, waar de pro-Amerikaanse regering van de sjah ten val kwam en een fundamentalistisch-islamitisch bewind van geestelijken het volk opzweepte tegen de Verenigde Staten. In november 1979 werden 52 Amerikaanse ambassadepersoneelsleden in Teheran door Iraniërs gegijzeld (zie ook Iran § 5.15). Het succes van hun vrijlating ruim een jaar later, precies op de dag van de inauguratie van de nieuwe president, de conservatieve Republikein, Ronald Reagan (20 januari 1981), straalde echter op de laatste af in plaats van op Carter en diens behoedzame diplomatie.
| 5.4 De jaren tachtig |
Reagan beloofde de kiezers nationale trots, herstel van de Amerikaanse identiteit, en vooral een einde aan de bureaucratische bemoeizucht van de federale regering. Reagan, die in 1984 werd herkozen, voerde enorme belastingverlagingen door. Deze liet hij echter gepaard gaan met een forse stijging van de defensiebegroting, waardoor de overheidsuitgaven toch nog onbeheersbaar werden en er een enorm begrotingstekort ontstond. Dit alles ging ten koste van de sociale zorg voor de minder bedeelden.
Zijn buitenlandse beleid was in hoge mate gericht op het terugdringen van het communisme (containment); daadwerkelijk gebeurde dat in Grenada (1983), El Salvador en Nicaragua. Het leidde tevens tot zware bewapening, tot afkoeling van de economische en culturele betrekkingen met de Sovjet-Unie, tot trouwbetuigingen aan Taiwan. Reagans harde lijn moest duidelijk maken dat de Verenigde Staten na het debacle in Vietnam weer zelfverzekerd de eerste plaats in de internationale politiek moesten bezetten.
Dat plan liep echter schipbreuk toen in 1986 de Iran-contra-affaire (zie Irangate) aan het licht kwam. Meer succes had hij in zijn beleid ten opzichte van de Sovjet-Unie. Maar de dooi in de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten was eerder de verdienste van de nieuwe Sovjetleider Michail Gorbatsjov dan van Reagan. De besprekingen tussen de beide supermachten leidden tot verregaande wapenbeheersingsakkoorden (zie hiervoor SALT en START).
| 5.5 Regering-Bush (1988–1992) |
De presidentsverkiezingen van november 1988 leverden opnieuw een overwinning voor de Republikeinen op. Reagans vice-president George Bush versloeg Michael Dukakis en werd de nieuwe president, maar in het Congres verstevigden de Democraten opnieuw hun meerderheid in beide Kamers. Na de omwenteling in Oost-Europa in het najaar van 1989 richtten de Verenigde Staten zich niet langer op het terugdringen van de communistische invloedssfeer maar ondersteunden ze voorzichtig Gorbatsjovs perestrojka. Tijdens de topconferentie op Malta (november 1989) maakten Bush en Gorbatsjov formeel het einde van de Koude Oorlog bekend. Meer moeite had Amerika met zijn rol van politieagent in de wereld. Zo besloot Bush eind november 1989 tot een invasie van Panama om het bewind van dictator en drugshandelaar Manuel Noriega omver te werpen, maar hij bleef passief toen de Chinese regering begin juni 1989 op bloedige wijze de democratische beweging op het Plein van de Hemelse Vrede had onderdrukt.
Het einde van de Koude Oorlog bracht echter opnieuw de internationale verhoudingen in gevaar. Nu het evenwicht tussen de twee supermachten was weggevallen, ontstonden overal op de wereld nieuwe brandhaarden. In het Midden-Oosten viel Irak in 1990 Koeweit binnen, waarop in januari 1991 een internationale troepenmacht onder leiding van de Verenigde Staten intervenieerde en Koeweit bevrijdde (operatie-Desert Storm). Na de Golfoorlog legde de VN Irak sancties op om de Iraakse leider Saddam Hussein te dwingen zijn wapenarsenaal te ontmantelen.
Op binnenlands gebied was Bush minder succesvol. Zijn economisch en sociaal beleid werd sterk bekritiseerd. In het verkiezingsjaar 1992 raakte het land in recessie, wat Bush zijn herverkiezing kostte.
| 5.6 Regering-Clinton (1993-2001) |
De presidentsverkiezingen van 1992 eindigden in een overwinning van de Democratische kandidaat William J. Clinton en diens running mate Al Gore. Hun regering kon rekenen op een comfortabele Democratische meerderheid in beide Kamers van het Congres.
| 5.6.1 Binnenlands beleid |
In augustus 1996 stemde Clinton in met een grondige herziening van de bijstandswet uit 1935. In de nieuwe wet is een uitkering geen federale aangelegenheid meer, maar werd de uitvoering gedelegeerd aan de staten, die van uitkeringsgerechtigden een tegenprestatie konden eisen. Ook werd aan de duur van de uitkering in principe een limiet van vijf jaar gesteld.
Vanaf 1994 werd Clintons positie ondermijnd door onderzoeken naar financiële transacties die hij en zijn vrouw Hillary hadden verricht toen Clinton gouverneur van Arkansas was – de Whitewater-affaire. Pas na zijn ambtsperiode, in 2002, werden de Clintons van blaam gezuiverd. Ook raakte Clinton in opspraak door een vroegere medewerkster uit Arkansas, Paula Jones.
Bij de verkiezingen van november 1996 werd Clinton overtuigend herkozen, maar haalde hij net niet de verhoopte absolute meerderheid van stemmen: 49% tegen 41% voor de Republikeinse kandidaat Robert Dole. De Republikeinen wisten echter hun meerderheid in beide huizen te behouden, al werd die wel iets kleiner. Een groot aantal ministers van de oude regeringsploeg trad af. Madeleine Albright, de vroegere ambassadeur bij de VN, werd de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken.
De president bleef achtervolgd worden door oude en nieuwe schandalen. Hij raakte verwikkeld in een seksschandaal, de Lewinsky-affaire, dat zelfs uitliep op een vergeefse afzettingsprocedure.
De affaire berokkende Clinton persoonlijk veel schade, maar politiek gezien wisten de Republikeinen er geen munt uit te slaan. Bij de tussentijdse verkiezingen in november 1998 daalde de Republikeinse meerderheid in het Huis van 228 tot 223 het aantal Republikeinse gouverneurs nam af van 32 tot 31. Opvallend was de grote zege van de Republikeinse gouverneur George W. Bush van Texas, zoon van voormalig president George H.W. Bush.
De Republikeinse voorzitter van het Huis, Newt Gingrich, die in belangrijke mate de drijfveer was geweest achter de confrontatiepolitiek jegens de president, trad na de verkiezingen af.
Het Congres kon in de periode-Clinton geen overeenstemming bereiken over de wetsvoorstellen om een landelijke ziektekostenverzekering op te zetten en om het particuliere wapenbezit te beperken.
| 5.6.2 Buitenlands beleid |
Clinton stelde zich aanvankelijk terughoudend op in zijn buitenlands beleid. Na enige tijd trad hij echter in de burgeroorlog in Joegoslavië krachtdadiger op en streefde daarbij de weifelende Europese Unie voorbij. Hij verkleinde het defensiebudget en beëindigde het SDI-programma.
In februari 1994 werden de in 1975 ingestelde economische sancties tegen Vietnam opgeheven en in november 2000 bracht president Clinton als eerste president van de Verenigde Staten sinds de oorlog tussen beide landen een bezoek aan Vietnam, waar hij verzoenende woorden sprak en de slachtoffers aan beide zijden eerde . Een spijtbetuiging over het verleden kwam er echter niet. In december 1999 werd de soevereiniteit over het Panamakanaal officieel overgedragen aan Panama, overeenkomstig het desbetreffende akkoord dat in 1979 onder president Carter was gesloten.
Begin 1994 vroegen de VS de Verenigde Naties sancties in te stellen tegen Noord-Korea, dat weigerde inspecteurs van het internationale atoomagentschap IAEA toe te laten tot nucleaire installaties. In juni stapten de Noord-Koreanen uit het IAEA en dreigden met oorlog, maar de voormalige president Carter slaagde erin de Noord-Koreanen te bewegen hun kernwapenprogramma’s stop te zetten. In oktober 1994, na de dood van de Noord-Koreaanse leider Kim Il Song, werd afgesproken dat de betrokken installaties zouden worden ontmanteld. Na de toenadering tussen de beide Korea’s in 1999 verbeterden ook de betrekkingen tussen de VS en Noord-Korea. Minister van Buitenlandse Zaken Albright bracht zelfs een bezoek aan de nieuwe Noord-Koreaanse leider Kim Jong-II.
De oorlog in Bosnië leidde tot onenigheid binnen de NAVO, waar de VS – onder druk van het Congres – pleitte voor krachtdadiger optreden tegen de Serviërs en opheffing van het wapenembargo tegen de moslims. In november 1994 kwam na bemiddeling van ex-president Carter een staakt-het-vuren tot stand. In november 1995 nodigde Clinton de strijdende partijen in het voormalige Joegoslavië uit voor een vredesconferentie op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, waar na moeizame besprekingen een vredesverdrag werd gesloten tussen de presidenten van Bosnië, Kroatië en Servië (zie akkoorden van Dayton). Naar aanleiding van de Servische gewelddadigheden in 1998 in Kosovo oefenden de Verenigde Staten opnieuw zware druk uit op Servië. In februari 1999 werd een conferentie over Kosovo gehouden in het Franse Rambouillet. Het vredesplan dat hieruit voortkwam, voorzag in zelfbestuur van Kosovo voor een interimperiode van drie jaar. Een NAVO-vredesmacht zou op de uitvoering toezien. Joegoslavië weigerde met het plan akkoord te gaan omdat het geen buitenlandse troepen op zijn grondgebied wilde toestaan. Herhaalde dreigingen met internationaal ingrijpen sorteerden geen effect, waarna eind maart de NAVO, onder leiding van de Verenigde Staten, bombardementen uitvoerde op militaire doelen in Servië en Kosovo. De bombardementen gingen door tot 9 juni 1999 toen de Joegoslavische president Milošević toezegde zijn troepen uit Kosovo te zullen terugtrekken. De Kosovo-oorlog leidde tot ernstige spanningen tussen de Verenigde Staten en Rusland, dat traditioneel aan de kant van de Serviërs stond, maar dat uiteindelijk bemiddelde in het conflict. Ook kwamen de Verenigde Staten in aanvaring met China, toen in mei de Chinese ambassade in Belgrado bij een bombardement werd getroffen (waarbij drie doden vielen). Na afloop van de strijd werden de VS en Rusland het eens over Russische deelname aan de VN-vredesmacht in Kosovo, KFOR.
In maart 1997 legde Clinton met de Russische president Jeltsin de basis voor nieuwe onderhandelingen over kernwapenreductie en voor de stichtingsakte waarin de relatie tussen de NAVO en de Russische Federatie werden geregeld. In september 1997 sloten Japan en de VS een herzien defensieverdrag, waarin was voorzien in eventuele Japanse deelname aan militaire acties in de regio. Het Japanse parlement keurde het voortbestaan van de Amerikaanse basis op Okinawa goed.
De betrekkingen met Israël bereikten een dieptepunt in oktober 1997, toen het Witte Huis duidelijk maakte geen behoefte te hebben aan een bezoek van de Israëlische premier Benjamin Netanyahu aan Washington. De Amerikanen waren ontstemd over Netanyahu's weigering de vredesakkoorden met de Palestijnen van 1993 en 1995 na te komen en na te leven. In oktober 1998 kwam het echter, na uiterst moeizame onderhandelingen in Wye Plantation in Maryland tot een akkoord over verdere Israëlische terugtrekkingen uit bezet gebied, maar door het voortgaande geweld bleef ook dat akkoord een dode letter. In juli 2000 deed Clinton opnieuw hardnekkige pogingen in Camp David om tot een vredesakkoord te komen tussen Israël en de Palestijnen. Het overleg mislukte, daar geen overeenstemming kon worden bereikt over de toekomstige status van Jeruzalem. Een top in Egypte, in oktober 2000, leverde een intentieverklaring op, maar kon de escalatie van het conflict niet voorkomen. Ook een eind december door Clinton gelanceerd vredesvoorstel haalde het niet.
Ondanks Clintons kritiek op de Chinese schendingen van de mensenrechten aan het adres van de Chinese president Jiang Zemin, sloten beiden in oktober 1997 in Peking een aantal politieke en economische overeenkomsten. Clinton bekritiseerde voor de Chinese televisie het mensenrechtenbeleid, maar gaf ook steun aan China’s wens toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De betrekkingen met China bleven ambivalent. De Amerikaanse regering waarschuwde China geen militaire avonturen te beginnen rond Taiwan en verbood de levering van gevoelige technologie door een Amerikaanse onderneming. In maart 1999 kwam aan het licht dat Chinese spionnen jarenlang belangrijke informatie over de productie van kernwapens hadden weten te verwerven. Toch bleven Clinton en minister Albright van Buitenlandse Zaken benadrukken dat de Verenigde Staten en China goede betrekkingen onderhielden en dat China tot de WHO diende te worden toegelaten.
De Iraakse obstructie van de na de Golfoorlog van 1991 ingestelde VN-wapeninspecties leidde in 1998 tot herhaaldelijke confrontaties; een Amerikaanse militaire actie werd in februari 1998 op het nippertje afgewend, toen VN-secretaris Kofi Annan van Saddam Hussein een aantal toezeggingen kreeg. De crisis laaide weer op toen Saddam op 31 oktober de inspecteurs het land uit wees. Dit leidde tot een unanieme veroordeling door de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad, waarop de wapeninspecteurs konden terugkeren naar Irak. In december 1998 werden de inspecteurs echter opnieuw in hun activiteiten gehinderd. Dit was voor de Verenigde Staten en Groot-Brittannië het sein om op 16 december 1998 operatie-Desert Fox te lanceren, waarbij vooral de Iraakse militaire infrastructuur het doelwit was.
Gelijktijdige bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania kostten in augustus 1998 het leven aan minstens 80 mensen, onder wie 12 Amerikanen. Het spoor wees op een Saoedische extremist, Osama bin Laden, die terroristische bases in Afghanistan leidde.
| 6. De 21ste eeuw |
| 6.1 Verkiezingsstrijd 2000 |
De verkiezingen van november 2000 gingen tussen de Democratische vice-president Al Gore en de Republikeinse gouverneur George W. Bush van Texas. In hun strijd voor het presidentsschap werden Gore en Bush terzijde gestaan door respectievelijk senator Joseph Lieberman van Connecticut en door Dick Cheney, de voormalig minister van Defensie onder zijn vader George Bush. De verkiezingsstrijd draaide inhoudelijk vooral om Bush’ belofte van belastingverlaging, terwijl Gore voorrang gaf aan schuldaflossing en het veiligstellen van de oudedagsvoorziening.
Doordat in de staat Florida, waarvan de uitslag beslissend was voor het winnen van de verkiezingen, Al Gore slechts enkele honderden stemmen minder leek te hebben dan George Bush, werd besloten tot hertelling. Maar de eerste hertellingen gaven geen uitsluitsel, en na een reeks rechtszaken over hertellingen, wees het federale Hooggerechtshof een laatste hertelling af, waardoor Bush officieel winnaar werd; Al Gore erkende zijn nederlaag. Bij verschillende onderzoeken in 2001 bleek uiteindelijk dat de zege van George Bush inderdaad terecht was. Om een situatie als deze in de toekomst te voorkomen, presenteerden twee ex-presidenten, Jimmy Carter en Gerald Ford, in augustus 2001 een plan tot hervorming van de verkiezingsprocedures. In oktober 2002 bereikte het Congres overeenstemming over hervorming en modernisering van het verkiezingsstelsel om problemen als tijdens de presidentverkiezingen van 2000 in Florida te voorkomen. Het systeem zou pas na 2004 operationeel zijn.
De bittere juridische strijd om de uitslag (en het feit dat Gore in totaal meer stemmen had gekregen) leidde tot een verscherping van de tegenstellingen tussen beide grote partijen en betekende dat de nieuwe president een zwak mandaat zou hebben. In de Senaat hadden beide partijen nu evenveel zetels, terwijl de kleine Republikeinse meerderheid in het Huis verder slonk en zelfs toen de Republikeinse senator James Jeffords van Vermont in mei 2001 uit protest tegen de weinig verzoenende opstelling van de nieuwe regering opstapte. Bij de Congresverkiezingen in november 2002 verloren de Democraten hun meerderheid van één zetel in de Senaat en vergrootten de Republikeinen hun meerderheid in het Huis.
| 6.2 Eerste regeerperiode Bush jr. (2001-2004) |
| 6.2.1 Vóór 11 september 2001 |
De nieuwe president wees de gerespecteerde voormalig generaal en chef-staf Colin Powell aan als minister van Buitenlandse Zaken en politicologe Condoleezza Rice als Nationale Veiligheidsadviseur. Donald Rumsfeld werd minister van Defensie, een post die hij ook al onder president Ford had vervuld. Bush koos John Ashcroft, een conservatieve ex-senator van Missouri, als minister van Justitie, terwijl Paul O’Neil