| Zoekweergave | Verenigde Naties | Terug |
| Introductie |
Verenigde Naties (VN), in het Engels: United Nations [Organization] (UN of UNO), een in New York zetelende wereldorganisatie van 193 landen (in 2007) tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid en ter bevordering van de internationale samenwerking op economisch, sociaal, cultureel en humanitair gebied, opgericht in 1945.
| 1. Ontstaan |
De basis voor de organisatie werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gelegd. In 1941 tekenden de Amerikaanse president Roosevelt en de Britse premier Churchill het Atlantic Charter of Atlantische Handvest. De principes van dit Handvest werden op 1 januari 1942 onderschreven door 26 landen in de Declaration of the United Nations (Verklaring van de Verenigde Naties). In de daaropvolgende jaren tekenden nog eens 21 landen deze verklaring. De belangrijkste voorbereidende werkzaamheden ter oprichting van een nieuwe wereldorganisatie vonden plaats in Dumbarton Oaks (augustus–oktober 1944) en op Jalta (februari 1945). Vijftig landen namen deel aan de oprichtingsconferentie die plaatsvond in San Francisco van 25 april tot 26 juni 1945, de dag waarop het Handvest werd getekend. Het trad op 24 oktober 1945 in werking.
Het lidmaatschap staat open voor alle vredelievende staten die de in het Handvest vervatte verplichtingen aanvaarden en die, naar het oordeel van de organisatie, in staat en bereid zijn deze verplichtingen na te komen. Over toelating van nieuwe lidstaten besluit de Algemene Vergadering op aanbeveling van de Veiligheidsraad. In 2004 waren 191 landen lid van de VN. De grootste lidstaat is China met 1,3 miljard inwoners; de kleinste Palau met 17 000 inwoners. In juli 2002 verzocht Zwitserland om toetreding tot de VN. Na de toetreding van Zwitserland en het in 2002 onafhankelijk geworden Oost-Timor, zijn het Vaticaan en Taiwan (dat zijn zetel aan China moest afstaan) de enige staten die niet zijn aangesloten bij de volkerenorganisatie. Grote doorbraken op weg naar universaliteit van lidmaatschap waren de bezetting van de Chinese zetel door de Volksrepubliek China (1971), de toelating van de Bondsrepubliek Duitsland en de toenmalige DDR (1973), de toetreding van een groot aantal landen uit de Derde Wereld en het ontstaan van een reeks nieuwe staten als gevolg van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het handvest voorziet in de mogelijkheid van schorsing of uitstoting van lidstaten. Zo werd Taiwan uitgestoten als gevolg van de toetreding van China (1971) en werd Servië geschorst vanwege de oorlog op de Balkan (1994).
| 2. Doeleinden en beginselen |
De doelstellingen van de VN zijn:
Bij het streven naar verwezenlijking van deze doelstellingen gaan de VN uit van een aantal beginselen. De VN zijn allereerst gegrond op het beginsel van soevereine gelijkheid van al hun leden. In hun internationale betrekkingen onthouden de leden zich van bedreiging of gebruik van geweld tegen territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van de staat. De enige uitzondering op dit geweldverbod is het recht op zelfverdediging van een staat in geval van een gewapende aanval tegen die staat. Voorts mogen de VN zich niet mengen in aangelegenheden die feitelijk onder de binnenlandse rechtsmacht van een staat vallen. Met name het laatste punt levert herhaaldelijk interpretatieproblemen op.
Op het terrein van de mensenrechten heeft de VN een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van internationale ‘wetgeving’, een stelsel van normen vervat in het internationaal statuut voor de mensenrechten (met o.a. de Universele Verklaring van de rechten van de mens, 10 december 1948) en een reeks verdragen en verklaringen. De instelling van speciale commissies en rapporteurs, onder leiding van een Hoge Commissaris voor mensenrechten, moet zorgen voor een effectieve naleving van de mensenrechten, waar ook ter wereld. In 2006 werd de Mensenrechtencommissie van de VN, die sinds 1946 periodiek in Genève bijeenkwam, opgeheven om plaats te maken voor de Mensenrechtenraad, waarin de deelname van landen die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten gemakkelijker kan worden uitgesloten. De bemoeienissen in VN-verband met schendingen van mensenrechten roepen weerstand op bij landen die menen dat deze neerkomen op een ongeoorloofde inmenging in hun binnenlandse aangelegenheden en een inbreuk op hun nationale soevereiniteit.
| 3. Organisatie |
De VN hebben zes hoofdorganen: de Algemene Vergadering, de Veiligheidsraad, de Economische en Sociale Raad, de Trustschapsraad en het Internationaal Gerechtshof. Deze organen zijn gevestigd in New York, met uitzondering van het Gerechtshof dat zetelt in het Vredespaleis in Den Haag. Naast de hoofdorganen tellen de VN een aantal autonome, door de Algemene Vergadering ingestelde programma's (bijv. UNCTAD, UNDP, UNEP, UNHCR, WFP, UNICEF). Bovendien hebben zestien organisaties met een internationale verantwoordelijkheid op economisch, sociaal en cultureel gebied de speciale status van gespecialiseerde organisatie (zoals de UNESCO, UNIDO, FAO, Wereldgezondheidsorganisatie). De VN, de programma's en de gespecialiseerde organisaties vormen tezamen de zgn. VN-familie.
| 3.1 Algemene Vergadering (AV) |
In dit orgaan zijn alle leden vertegenwoordigd. Elk lid heeft één stem. De AV komt jaarlijks van half september tot half december in gewone zittingen bijeen. Voorts kan de AV in speciale zittingen of in spoedzitting bijeenkomen. De AV kent zeven vaste hoofdcommissies en een groot aantal vaste en ad-hoccommissies. De AV is bevoegd alle vragen of alle aangelegenheden binnen het kader van het Handvest te bespreken. De AV mag over al die zaken resoluties aannemen en aanbevelingen doen aan lidstaten en overige organen, behalve over zaken die op dat moment in behandeling zijn bij de Veiligheidsraad. De AV stelt de begroting vast en bepaalt volgens welke verdeelsleutel de uitgaven door de lidstaten worden gedragen. De AV besluit bij gewone meerderheid. Besluiten over belangrijke zaken worden met tweederde meerderheid aangenomen.
| 3.2 Veiligheidsraad |
Deze bestaat uit vijf permanente leden (China, Frankrijk, de Russische Federatie [als opvolger van de voormalige Sovjet-Unie], de Verenigde Staten en Groot-Brittannië) en tien voor twee jaar door de AV gekozen leden. De AV houdt bij de verkiezing rekening met de bijdrage die elke lidstaat levert aan de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en met een billijke geografische spreiding. In de praktijk ligt de nadruk op het tweede criterium. Elk lid van de Raad heeft één vertegenwoordiger (ambassadeur), die altijd in New York aanwezig is, zodat de Raad op elk moment bijeen kan komen. Dat kan op verzoek van een of meer staten, de Algemene Vergadering of de secretaris-generaal. De veiligheidsraad heeft de primaire verantwoordelijkheid voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid en beschikt daartoe over bijzondere bevoegdheden die zijn omschreven in de hoofdstukken VI, VII, VIII en XII van het Handvest. Daarbij gaat het met name om de toepassing van sancties en dwangmaatregelen van economische en militaire aard. Deze hoofdstukken tezamen vormen het stelsel van collectieve veiligheid, de kern van het VN-Handvest. Terwijl andere organen van de VN aanbevelingen doen aan regeringen, heeft alleen de Veiligheidsraad de bevoegdheid bindende besluiten te nemen, die de leden krachtens het Handvest verplicht zijn uit te voeren.
De functies en bevoegdheden van de Raad zijn onder meer: het onderzoek van elk geschil dat kan leiden tot internationale wrijving; het aanbevelen van methoden voor een stelsel van wapenbeheersing; het vaststellen of er sprake is van een bedreiging van de vrede of een daad van agressie; het oproepen tot toepassing van economische sancties en andere maatregelen waaraan geen wapengeweld te pas komt; het overgaan tot militair optreden tegen een agressor. Deze bepalingen zijn lange tijd een dode letter gebleken, omdat de Koude Oorlog toepassing ervan onmogelijk maakte. De Raad is vooral sinds de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw veel actiever betrokken geraakt bij de regeling van internationale conflicten dan ooit daarvoor.
De Veiligheidsraad besluit door te stemmen over resoluties. Besluiten over procedurekwesties zijn aangenomen als negen leden – onder wie de vijf permanente – voor stemmen. Deze laatste bepaling behelst het zgn. vetorecht, het recht van de permanente leden om besluiten van de Raad tegen te houden. Een onthouding van een permanent lid wordt uitgelegd als een voorstem.
| 3.3. Secretariaat |
Het secretariaat bestaat uit een secretaris-generaal en een uitgebreide staf van 9000 internationale ambtenaren. Bij de benoeming van het personeel houdt de secretaris-generaal, naast vereisten van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit, ook rekening met het belang van personeelswerving op een zo breed mogelijke geografische basis. In 1996 kwamen de 9000 personeelsleden uit 170 verschillende landen. Het Secretariaat fungeert als secretariaat van alle VN-organen. Het is onafhankelijk. Daarnaast heeft de secretaris-generaal een eigen politieke taak. Hij kan elke zaak die naar zijn oordeel de handhaving van de internationale vrede en veiligheid kan bedreigen, onder de aandacht van de Veiligheidsraad brengen. Vaak speelt hij een bemiddelende rol. Tot 1997 waren secretaris-generaal: de Noor Trygve Lie (1946–1953). de Zweed Dag Hammarskjöld (1953–1961), de Birmaan Oe Thant (1961–1971), de Oostenrijker Kurt Waldheim (1971–1981), de Peruaan Javier Perez de Cuellar (1981–1991) en de Egyptenaar Boutros Boutros Ghali (1991–1996). De Verenigde Staten blokkeerden eind 1996 de herverkiezing van Boutros Ghali. Hij werd op 1 januari 1997 opgevolgd door de Ghanees Kofi Annan.
| 3.4. Internationaal Gerechtshof |
Het Internationaal Gerechtshof is het belangrijkste rechtsprekende orgaan van de Verenigde Naties. Het Hof bestaat uit vijftien rechters, die worden gekozen door de Algemene Vergadering op voordracht van de Veiligheidsraad. Sinds eind 1996 is de Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken, Pieter Kooijmans, lid van het rechtscollege. Voor het Hof kunnen alleen landen worden gedaagd. Als een land niet aan een proces voor het Hof wil deelnemen, dan hoeft dat niet. Maar als een land erin toestemt, dan moet het zich ook neerleggen bij de uitspraken van het Hof.
| 4. Van 1945 tot 1990 |
De VN werden de permanente ontmoetingsplaats voor multilateraal internationaal overleg. Maar optimisme en eensgezindheid aan het einde van de Tweede Wereldoorlog moesten snel plaatsmaken voor de Koude Oorlog. Dit was van grote invloed op het functioneren van de VN. Het ledental breidde zich, als gevolg van het door de VN gestimuleerde dekolonisatieproces, weliswaar sterk uit, maar deed tegelijkertijd afbreuk aan de effectiviteit van de VN.
Mede door toedoen van de ontwikkelingslanden kwam in de VN steeds meer de nadruk te liggen op de internationale sociale en economische problematiek. In de jaren zeventig leidde dit tot het streven naar een Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO), gericht op het tot stand brengen van nieuwe economische verhoudingen in de wereld. Weliswaar werd de VN-familie het onderhandelingsforum op het terrein van de ontwikkelingsproblematiek, maar tot echte doorbraken kwam het niet.
In de jaren tachtig bereikte de geloofwaardigheid van de VN, met name in het Westen, een dieptepunt. Vooral van Amerikaanse zijde werd de VN verweten anti-westers en gepolitiseerd te zijn. Het Amerikaanse VN-beleid onder president Ronald Reagan was gericht op herstel van het Amerikaanse leiderschap en vormde de aanleiding tot een reeks van incidenten (de uittreding van de VS en Groot-Brittannië uit de UNESCO, het deels inhouden door Washington van de verplichte contributies en druk uitoefenen op het doorvoeren van hervormingen in de administratieve en budgettaire sfeer).
Ondertussen begon de Sovjet-Unie zich onder president Michail Gorbatsjov, geheel in tegenspraak tot het traditionele VN-beleid, op te werpen als de kampioen van de Verenigde Naties. In het kader van zijn ‘Nieuw Denken’ bepleitte hij niet alleen een versterking van de VN over een breed front (Algemene Vergadering, Veiligheidsraad, secretaris-generaal en vredesoperaties), maar ook een actieve aansluiting van de Sovjet-Unie bij internationale organisaties zoals de VN als een middel om de economische problemen in eigen land aan te pakken.
Aan het einde van de jaren tachtig werkten de beide supermachten in de Veiligheidsraad nauw samen bij de oplossing van een hele reeks regionale conflicten. De doorbraak kwam tot stand bij de poging, in 1987, om via aanvaarding van resolutie 598 een einde te maken aan de de oorlog tussen Iran en Irak. Dit luidde een periode van ongekende samenwerking in, met name in de sfeer van vrede en veiligheid. Deze ‘revitalisering’ van de VN was kenmerkend voor de verschuivingen in de internationale verhoudingen op het breukvlak van de jaren tachtig en negentig.
| 5. Jaren negentig |
| 5.1 Milieuconferentie Rio de Janeiro |
Sinds de eerste VN-milieuconferentie in 1972 in Stockholm heeft de internationale milieuproblematiek geleidelijk aan meer aandacht gekregen binnen de VN. Een mijlpaal was de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) in 1992 in Rio de Janeiro, waar het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ centraal stond. Net als op veel andere terreinen is ook hier het verwijt dat de multilaterale besluitvorming veel te traag gaat, gelet op de ernst van de problemen.
| 5.2 Vredesoperaties |
Aan het begin van de jaren negentig – met het einde van de Koude Oorlog en met de Iraakse bezetting van Koeweit - raakte de rol van de VN bij de zorg voor de internationale vrede en veiligheid in een stroomversnelling. Die rol was tot dan hoofdzakelijk beperkt gebleven tot ‘peacekeeping’, het opzetten van VN-vredesoperaties (waarnemersmissies en lichtbewapende VN-vredesmachten) die binnen zeer beperkte richtlijnen moesten opereren. Sinds 1945 hebben de VN tientallen van dit soort operaties uitgevoerd, vooral na 1988. De peacekeeping-operaties van de VN zijn onderscheiden met de Nobelprijs voor de vrede. De toename na 1988 was een gevolg van de actievere bemoeienis van de Veiligheidsraad (door de verbeterde betrekkingen tussen de VS en Rusland) met een groot aantal regionale conflictsituaties (Iran, Irak, Afghanistan, Namibië, Cyprus, de Westelijke Sahara, Nicaragua, Cambodja) en een dynamische uitbreiding van de doctrine van peacekeeping.
VN-vredesoperaties kregen steeds meer het karakter van gemengde militaire, civiele en politie-operaties. Ze waren niet altijd even succesvol. De vredesoperaties van de VN in het door burgeroorlog verscheurde Bosnië-Hercegovina liep in 1995 uit op een mislukking, met als dramatisch dieptepunt de val van de moslimenclave Srebrenica. Pas nadat de militaire taken van de VN in Bosnië door NAVO-troepen werden overgenomen en de Verenigde Staten zich nadrukkelijk met de oorlog begonnen te bemoeien, kon een vredesakkoord (zie akkoorden van Dayton) worden afgedwongen.
De VN kregen niettemin een steeds groter takenpakket, o.a. in de sfeer van de mensenrechten, bij het toezicht op verkiezingen, bij de ontwapening en demobilisatie en de terugkeer in de samenleving van voormalige guerrilla- en legereenheden, en ook in de bestuurlijke sfeer (Cambodja).
| 5.3 Kwestie-Irak |
Maar de belangrijkste ontwikkeling deed zich voor in de rol die de Veiligheidsraad speelde na de Iraakse bezetting van Koeweit, in augustus 1990. Voor het eerst in de geschiedenis van de VN maakte de Raad toen serieus gebruik van al zijn bevoegdheden krachtens hoofdstuk VII van het VN-Handvest. In de verschillende stadia van de Golfcrisis stelde hij achtereenvolgens een alomvattend handelsembargo in en besloot hij tot militair optreden tegen de Iraakse aanwezigheid in het buurland. In de nasleep van de Golfoorlog (zie Tweede Golfoorlog) gaf hij het sein tot een humanitaire hulpoperatie na de onderdrukking van de opstand van de Koerden in Noord-Irak en legde hij Irak dwingend een reeks bestandsvoorwaarden op, waarbij de Iraakse regering zich een actieve inmenging in binnenlandse aangelegenheden moest laten welgevallen. Deze toepassing van dwangmaatregelen over een breed front was mogelijk dankzij een ongekende unanimiteit onder de leden van de Raad.
| 5.4 Grotere rol van de Veiligheidsraad |
Tegelijkertijd rezen er ook twijfels over de toepassing van het systeem van collectieve veiligheid (de effectiviteit van economische sancties, het militaire verloop van de oorlog, de rol van de Veiligheidsraad, enz.), over de dominante positie van de Verenigde Staten en over de samenstelling van en het vetorecht in de Raad. Zo drongen velen aan op toetreding tot de Raad van landen als Japan, Duitsland, India, Brazilië en Egypte als permanent lid, al dan niet met vetorecht. Dat nam echter niet weg dat de Veiligheidsraad na de Golfoorlog steeds meer opschoof naar het centrum van de internationale besluitvorming. Daarmee werd ook steeds meer een beroep gedaan op het VN-instrumentarium voor collectieve veiligheid. In zijn bemoeienissen met de kwestie-Libië (over de uitlevering van Libiërs, verdacht van het neerhalen van burgervliegtuigen) en de situatie in het voormalige Joegoslavië besloot de Raad opnieuw tot (economische en diplomatieke) strafmaatregelen, inclusief een wapenembargo. Anderzijds raakten de VN steeds meer betrokken bij andere regionale conflictsituaties, reden waarom de Veiligheidsraad begin 1992 aandrong op een versterking van de mogelijkheden voor preventieve diplomatie, ‘peacemaking’ en ‘peacekeeping’.
Tegelijkertijd groeide ook de twijfel over de effectiviteit van de doctrine van peacekeeping, die immers de instemming en blijvende medewerking van alle partijen in het conflict veronderstelt. Onder invloed van met name de situatie in Somalië, Cambodja en Bosnië-Hercegovina ontstond ook een debat over de wenselijkheid van ‘humanitaire interventie’, het gewapenderhand ingrijpen in een conflictsituatie om humanitaire redenen. In zijn verklaring van 31 januari 1992 effende de Veiligheidsraad de weg voor een actievere bemoeienis met internationale politieke vraagstukken in de toekomst: aan de ene kant door de strijd tegen de verspreiding van wapens voor massavernietiging en tegen het internationaal terrorisme op te voeren als een zorg voor collectieve veiligheid, aan de andere kant door ook niet-militaire bronnen van stabiliteit (op economisch, sociaal, humanitair en ecologisch gebied) aan te merken als bedreigingen voor de vrede en veiligheid. Zie ook Joegoslavië-tribunaal.
| 6. Na 2000 |
In 2001 kregen de VN en hun secretaris–generaal Kofi Annan samen de Nobelprijs voor de vrede toegekend. In het najaar van 2003 trok Kofi Annan de aandacht met zijn pleidooien voor een ‘radicale hervorming’ van de VN. Tegen de achtergrond van de oorlog tegen Irak, waarbij de Veiligheidsraad, in strijd met de afspraken in het VN-Handvest, door de coalitie werd gepasseerd, stelde hij de grondslagen voor het gebruik van geweld in VN-verband ter discussie. Annan riep de lidstaten op zich te bezinnen op de vraag hoe artikel 51 uit het VN-Handvest over het recht op zelfverdediging zich verhoudt tot het concept van de preventieve aanval, zoals door de regering-Bush toegepast bij de aanval op Irak. Hij vroeg in november 2003 een panel van eminente personen nog voor de zomer van 2004 met aanbevelingen te komen over de vraag hoe de VN zich in de toekomst onder deze omstandigheden zouden moeten opstellen – uit vrees dat bij het uitblijven van een reactie de relevantie en het voortbestaan van de VN in gevaar zouden komen.