| Zoekweergave | Tsjaikovski, Pjotr Iljitsj | Terug |
| Introductie |
Tsjaikovski, Pjotr Iljitsj (Kamsko-Votkinsk 25 april [7 mei] 1840 – St.-Petersburg 25 okt. [6 nov.] 1893), Russisch componist, zoon van een mijndirecteur, ging in 1850 naar de rechtsschool in St.-Petersburg en studeerde tegelijkertijd piano bij R. Kündiger. De scheiding van zijn moeder, die hij verafgoodde, en van het ouderlijk huis in de Oeral leidde tot aanvallen van depressie, waarmee hij zijn gehele verdere leven te kampen had. In 1859 werd hij eerste-secretaris bij het ministerie van Justitie, maar drie jaar later besloot hij zich geheel aan de muziek te wijden.
| 1. Studie |
In 1863 werd hij leerling aan het conservatorium van St.-Petersburg, waar hij les kreeg van o.a. N. Zaremba (compositie) en A. Rubinstein (instrumentatie). Hij sloot zijn studie af met de compositie van Schillers Ode an die Freude. Vlak voor zijn eindexamen, in nov. 1865, werd hij door Nicolai Rubinstein tot hoofdleraar voor harmonie aan het Moskouse conservatorium benoemd, een functie die hij tot 1877 bekleedde. Tanejev was hier zijn belangrijkste leerling. In deze jaren kwamen zijn compositorische gaven tot volledige ontwikkeling (o.m. het 1ste pianoconcert en het ballet Het zwanenmeer). In 1868 vond de succesvolle première van zijn eerste symfonie plaats. In juli 1877 trouwde hij met een oud-leerlinge, Antonia Ivanova Miljoekova, om geruchten over homoseksualiteit te weerleggen. Na elf weken eindigde het huwelijk, na een mislukte zelfmoordpoging van de componist. In hetzelfde jaar werd hem een jaargeld van 6000 roebel toegekend door zijn bewonderaarster Nadezjda von Meck, op voorwaarde dat hij haar nooit zou ontmoeten; zij stelde hem tevens haar landhuizen ter beschikking. Hun omvangrijke briefwisseling is belangrijk voor de kennis over de componist. In 1890 werd het jaargeld ingetrokken onder het valse voorwendsel dat Nadezjda voor een bankroet stond; hiermee kwam ook een einde aan de briefwisseling. Een van de eerste vruchten van deze ongewone vriendschap is de 4de symfonie op. 36 (1878).
| 2. Werk |
Als dirigent maakte Tsjaikovski na 1887 vele concertreizen. Zijn laatste symfonie, de zesde (de Symphonie pathétique), ging op 28 okt. 1893 in première. Enige dagen later dronk hij een glas door de cholera besmet water en stierf kort nadien aan deze ziekte. Het staat niet vast of het hier om een zelfmoord ging, en zo ja, of hij – zoals in 1981 door de uit Rusland naar de Verenigde Staten geëmigreerde onderzoekster Alexandra Orlova werd beweerd – door een Hof van Eer tot zelfmoord werd gedwongen, omdat er een aanklacht zou komen wegens het verleiden van de jeugdige zoon van een edelman.
| Waardering |
De muziek van Tsjaikovski vormt een synthese van westerse stijlen (Bellini, Berlioz, Liszt, Robert Schumann, Wagner) en de Slavische muziek, waarvan de felle uitbarstingen en de pessimistische ondertoon kenmerken zijn. Hij stond buiten de nationalistische groep van Balakirev (Het Machtige Hoopje), maar domineerde wel de 19de-eeuwse Russische muziek. Aan zijn groot melodisch talent paarde de componist een briljante orkestratiekunst; hij maakte ook vaak gebruik van Russische volksmelodieën.
WERK: Orkest: zeven symf.: nr. 1 g (Winterdromen, 1866; herz. versie 1874), nr. 2 c (Klein-Russische, 1872; tweede versie 1879), nr. 3 D (Poolse, 1875), nr. 4 f (1878), nr. 5 e (1888), nr. 6 b (Pathétique, 1893), Manfredsymf. (1885); symf. gedicht Fatum (1868); Ouverture-fantasie Romeo en Julia (1869; tweede versie 1870, derde versie 1880); idem Hamlet (1888); fantasie Francesca da Rimini (1874); idem Boerja (= De storm, 1873); vier suites (1879, 1883, 1884, 1887, nr. 4 Mozartiana) en suites uit de balletten Doornroosje en De notenkraker; Capriccio italien (1880); vijf ouvertures w.o. 1812 (1880); Serenade v. strijkork. (1880); drie marsen (1876, 1883, 1885). – Orkest en solo-instr.: drie pianoconc.: nr. 1 bes (1875), nr. 2 G (1880), nr. 3 Es (1893); Concertfantasie v. piano en ork. (1884); Andante en finale v. idem (op. postuum 76, geork. d. Tanejev); vioolconc. D (1878); Sérénade mélancolique v. viool en ork. (1875); Valse-scherzo v. idem (1877); Variaties op een rococothema v. cello en ork. (1876); Pezzo capriccioso v. idem (1887); Andante cantabilie v. idem (ca. 1888); Nocturne v. idem (ca. 1888). – Kamermuziek: strijksextet Souvenir de Florence (1890; tweede versie 1892); drie strijkkwartetten (1871, 1874, 1876); pianotrio (1882); Souvenir d'un lieu cher v. viool en piano (1878). – Pianomuziek: twee sonates (1865, 1878); cyclus De jaargetijden (1876); idem Kinderalbum (1878); walsen; impromptus, enz. – Opera's: De vojevode (1869); Undine (1869; vernietigd); Opritsjnik (1872); Vakoela, de smid (1876; tweede versie o.d.t. De gouden pantoffeltjes, 1885); Eugen Onegin (1879); De maagd van Orléans (1881); Mazeppa (1884); De tovenares (1887); Pique Dame (1890); Jolanthe (1892). – Balletten: Het zwanenmeer (1877); De schone slaapster (1890); De notenkraker (1892). – Toneelmuz.: o.a. Hamlet (1891). – Vocaal: vier cantates, o.a. Moskou (1883); geestelijke en wereldlijke koorwrk.; ruim honderd liederen en romances; volksliedbewerkingen. – Geschriften: Kort leerboek der harmonie (1872, nw. uitg. 1875, in Duits en Eng. vertaald).
UITG: H. van Dalen, Rondom Tsjaikovski's Vierde Symphonie (briefwisseling Tsjaikovski en N. von Meck) (1936); Teure Freundin. P.I. Tschaikowsky in seinen Briefen an N. von Meck (1964).