Hoewel de trompet al honderden jaren v.C. in het oostelijk deel van het Middellandse-Zeebekken voorkwam (Assyrië, Babylonië, Soemeriërs, Egypte), duurde het tot de Kruistochten eer de trompet (als militaire trofee) zijn intrede deed in Europa, waar hij de hoorn verdrong als cavallerie-instrument; deze bleef slechts in gebruik bij jagers en torenwachters en bij het voetvolk. De trompet- en hoorninstrumenten vinden veelal hun toepassing in het godsdienstig ritueel, in religieuze processies, jacht- en begrafenisceremonies, enz. Daarnaast is de trompet opgekomen als militair signaalinstrument bij de ruiterij en als zodanig in combinatie met de pauken voor het eerst in de 16de eeuw in het Europese orkest opgenomen. Tussenfasen in de Europese trompetontwikkeling waren de stoptrompet, waarbij men, evenals bij de hoorn, door middel van het stoppen met de hand de toonhoogte wijzigde (Praetorius [1619]: Jägertrumpet), de schuiftrompet (werkend als de schuiftrombone) en de natuurtrompet met beugels, waarbij alleen de hoge harmonischen geschikt waren voor melodiespel en waarbij door het tussenvoegen van beugels de hoofdbuis kon worden verlengd en dus de grondtoon verlaagd. Trompettisten specialiseerden zich in het spelen in het lage register (Ned.: principaalblazen; Duits: Prinzipalblasen) of het hoge register (klaroenblazen of clarinoblazen). Het trompetspel ten tijde van J.S. Bach vormt een nog onopgelost probleem. Om de zeer hoge trompetpartijen in diens muziek te vergemakkelijken werd ca. 1870 een trompet vervaardigd met lange, konische buis en twee of drie ventielen, de Bachtrompet. Na een korte bloei (ca. 1790 – ca. 1830) van de kleptrompet, met in de regel vijf kleppen, werden alle trompetvormen verdrongen door de ventieltrompet (ca. 1820), door toepassing van ventielen of pistons voor het eerst een volledig chromatisch trompettype, waardoor de trompetfunctie in het orkest niet langer beperkt hoefde te blijven tot die van het spelen van harmonie- of vulstemmen. Omstreeks 1840 vond men in de meeste militaire orkesten reeds ventieltrompetten en sedert 1850 ook in de symfonieorkesten, eerst de F- en ca. 1900 ook de hogere Bes-trompet. Pas Wagner benutte in verscheidene composities volledig de mogelijkheden van de ventieltrompet, die later werden uitgebuit door R. Strauss (Ein Heldenleben, 1899), Cl. Debussy (Nocturnes, nr. 2: Fêtes, 1898), L. Janáček(Symfonietta, 1926, negen plus drie trompetten), G. Mahler(5de symfonie [I], 1901–1902), e.a. Voor de Triomfmars uit Verdi's Aïda (1871) werd de Aïda-trompet (zonder kromming, met een lengte van 1,5 m en met één ventiel) geconstrueerd.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.