trompet
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
trompet
Introductie

trompet (v. Fr. trompette, v. trompe = jachthoorn), buisvormig blaasinstrument dat tot klinken wordt gebracht doordat de samengeperste lippen van de speler uiterst snelle pulsaties van de in de buis opgesloten luchtkolom veroorzaken en deze aldus in trilling brengen. In tegenstelling tot de konische buisvorm van de aan de trompet verwante hoorn is de buis van de trompet nauw en cilindrisch en loopt pas aan het eind uit in een wijde klankbeker. De lippen worden geplaatst tegen een 'ketelmondstuk'. De Europese trompet is het hoogste van de koperen blaasinstrumenten. De grondtoon, bepaald door de buislengte, kan door middel van pistons met bijbehorende nevenbuizen worden verlaagd met 1 toon, y toon, of 1y toon; door combinatie is een verlaging van drie tonen mogelijk. Op iedere grondtoon kan de reeks harmonischen worden geblazen, de grondtoon zelf uitgezonderd. Door het ketelmondstuk ontstaat de briljante toon, die verder door de embouchure wordt bepaald. Het instrument wordt gebouwd in verschillende stemmingen (Bes, C, D); de omvang (naar klank) van een Bes-trompet is e–bes2, van een C-trompet fis–c3 en van een D-trompet gis–d3. De trompet behoort tot de transponerende muziekinstrumenten. De lengte van de hoofdbuis, van mondstuk tot bekerrand, bedraagt ca. 135 cm. De buis is ovaal gewonden, de beker heeft een slanke vorm en is naar voren gericht. Speciale klankeffecten worden bereikt door tongslag (onderbreking van de luchtstroom d.m.v. de tong) en door sourdineren (zie sourdine).

In de 19de eeuw ontstond de bastrompet, een lage trompet in Bes, C, D of Es die het trompetregister naar beneden toe uitbreidt. Naargelang van de stemming is de buis 246 tot 270 cm lang, waardoor de windingen groter zijn dan bij de trompet. De bastrompet stelt bijzondere embouchure-eisen.

De trompetbezetting in het symfonieorkest varieert van twee tot vier en wordt in bijzondere gevallen uitgebreid. In de jazz en in de Nieuwe Muziek zijn alle mogelijkheden van toonvorming uitgebuit.

1. Etnomusicologie

Buiten Europa is het formele onderscheid tussen hoorn en trompet vaak gering. De hoorn verloochent doorgaans in de vorm zijn dierlijke oorsprong niet, terwijl de trompet meestal hetzij kaarsrecht is (bijv. de houten trompetten van sommige Zuid-Amerikaanse Indianenvolken, de 3y m lange rituele Tibetaanse rag-dung, de Indische turhi en bhenr), hetzij al dan niet in windingen is gebogen (China: hau-toeng en la-ba; het klassieke Rome: lituus en buccina; India: de S-vormige rarsingha; de Scandinavische lure). Voorts is in wijd uiteenliggende gebieden de schelptrompet bekend, waarvoor de kinkhoorn (Turbinella pyrum) wordt gebruikt. De houten Europese signaalhoorns, zoals de Nederlandse midwinterhoorn, de alpenhoorn van het (Zwitserse) Alpengebied en de Roemeense bucium, vertonen vormkenmerken van zowel hoorn als trompet.