| Tachtigjarige Oorlog | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
Tachtigjarige Oorlog, in de Nederlandse geschiedenis populaire benaming voor de strijd tussen steden en gewesten van de (na ca. 1585 uitsluitend Noordelijke) Nederlanden en Spanje.
| 1. Historische problematiek |
De oorlog wordt traditioneel gedateerd tussen 1568 (Slag bij Heiligerlee) en 1648 (Vrede van Münster). Deze datering is volstrekt willekeurig, wat dan ook verklaart waarom de benaming Tachtigjarige Oorlog in vakkringen niet langer gebruikt wordt (men prefereert Nederlandse Opstand, kortweg ‘de Opstand’). Men zou evengoed kunnen beweren dat deze ‘oorlog’ al ergens tussen 1555 en 1568 (het ‘Voorspel’ in de benaming van R.J. Fruin) begint, of in 1572 (eerste bijeenkomst van opstandige steden), in 1576 (Pacificatie van Gent), 1579 (Unie van Utrecht) of in 1581 (Akte van Afzwering). Het jaartal van het einde van de Tachtigjarige Oorlog, 1648, is niet willekeurig, al staat dit niet zozeer voor beëindiging van de strijd tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje, als wel voor het einde van een Europese oorlog waarin Frankrijk en de Habsburgers de spil vormden (zie Dertigjarige Oorlog). Men zou kunnen betogen, dat de strijd tussen de Republiek en Spanje eigenlijk al bij of tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) beslist was, al waren de grenzen nog niet duidelijk.
De Tachtigjarige Oorlog heeft voor meer historische controverses gezorgd dan welk onderwerp uit de geschiedenis van de Nederlanden ook. In de typisch 19de-eeuwse visie, later nog verwoord door iemand als H. Pirenne, was de Opstand een revolte van de Nederlanden tegen het Spaanse gezag. Een ‘oorlog’ tussen twee naties dus. Tegenwoordig wordt deze opinie door niemand meer aangehangen: de Opstand was eerder de versmelting van diverse onvredes tot een soort monsterverbond dan een gebundelde strijd, eerder een oorlog tussen burgers dan een oorlog tussen staten. Dat het ten slotte tot een offensief kwam van meer groepen en streken tegen dezelfde vijand, is eerder verwonderlijk dan vanzelfsprekend. Een zelfde anachronisme als in deze nationalistische visie ziet men in de hypothese van H.A. Enno van Gelder, nl. dat de Opstand een progressief karakter had en dat hiermee een weg werd ingeslagen die ‘rechtstreeks voerde naar de constitutionele monarchie van de 19de eeuw’. Voor deze visie heeft Van Gelder maar weinig medestanders gevonden; o.a. P. Geyl en. L. Rogier betoogden dat de Opstand in wezen conservatief was en een verzet van de geprivilegieerde standen tegen een modern verschijnsel als de naar absolutisme strevende staat. Latere historici als J.W. Smit en G. Parker stemmen daarmee in.
Een traditioneel vraagpunt, dat nog veel meer stof heeft doen opwaaien dan de twee voorgaande, betrof het belang van de religie bij het uitbreken van de Opstand. Dat de religieuze factor zoveel gewicht gekregen heeft, hoeft niet te verwonderen wanneer men bedenkt dat tal van vertegenwoordigers van de Republiek der Verenigde Nederlanden hun territoir als het bolwerk van het protestantisme zagen; een protestantse ‘natie’ had gevochten tegen de ‘antichrist’ in de gedaante van de paus en Filips II. Eind 19de, begin 20ste eeuw, na een ‘liberale tussenfase’, kreeg de religie opnieuw veel belang bij beschrijvingen van de Tachtigjarige Oorlog, deels uit dezelfde motieven (A. Kuypers antithese), deels als uitvloeisel van de katholieke emancipatie en dus met totaal andere accenten (W. Nuyens o.a.). Al hebben latere historici de factor religie niet ontkend, zij hebben deze wel genuanceerd: zelfs daar waar het verzet onder godsdienstige vlag gepleegd wordt, blijkt het onbegrijpelijk als geen rekening wordt gehouden met economische of politieke aspecten. Van groot belang is het werk van de historicus J.J. Woltjer geweest. Deze heeft als eerste op de betekenis van de zgn. ‘middengroepen’ gewezen. Dat waren degenen die geen keuze wilden maken tussen de orthodoxe contrareformatorische katholieke partij enerzijds en de niet minder fanatieke calvinisten anderzijds. De voortgaande polarisatie van het conflict dwong de middengroepen uiteindelijk partij te kiezen. Omstreeks 1580 bleek dat hun doel, de verzoening van beide uitersten, niet te realiseren was.
De vraag naar het belang van de religie in de Opstand leidt tot een ruimer probleem: wat zijn de verklaringen voor het uiteenvallen van de Nederlanden in twee gebieden, een katholiek Zuiden en een overwegend protestants Noorden met als ‘buffer’ de latere generaliteitslanden (Brabant en Limburg). Vanzelfsprekend is het onjuist hierin de staatkundige bevestiging van een religieuze scheiding te zien, al was het alleen maar omdat op het moment dat die scheiding zich voltrok de Noordelijke Nederlanden allerminst protestants waren. Evenmin lijkt het juist (de Klein-Nederlandse of Belgicistische visie, ook gepropageerd door Pirenne) de scheuring als een ‘natuurlijke’ ontwikkeling te zien: als de bevestiging van de gescheiden ontwikkeling, die de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden al sinds de middeleeuwen hadden doorgemaakt en die in het huidige Nederland en België haar eindpunt zou vinden (deze visie vond haar voedingsbodem in de strijd tussen beide landen in de jaren 1830; zie Belgische Revolutie).
Drie verklaringen voor de scheuring tussen Noord en Zuid lijken op dit moment stand te houden. De geografische factor, die Geyl bepleit heeft (de grote rivieren als barrière), wordt nog wel aangehangen. Een tweede factor, eveneens afkomstig van Geyl, is militair: de scheiding is de vastlegging van een militaire situatie; Noord en Zuid vormden zich tot het punt tot waar de veldheren om allerlei redenen gekomen waren. In dat verband valt op te merken dat de Spanjaarden, oprukkend via Luxemburg, in het Zuiden hun militaire bases hadden. De derde factor is sociaal. Dat Parma met vrij weinig moeite het Zuiden in handen kreeg, vindt zijn verklaring in scherpe tegenstellingen op economisch, politiek en godsdienstig gebied binnen de bevolking aldaar, die op zijn beurt de weerspiegeling is van een weerspannige en ver ontwikkelde economische situatie; omdat een dergelijke verdeeldheid in het Noorden niet bestond, was de vorming van een blok daar gemakkelijker. Eigenlijk pas sinds kort is men gaan zien hoe kleinschalig de geschiedschrijving van de Opstand lange tijd is geweest. De Britse historici G. Parker en J. Israel hebben duidelijk gemaakt dat vele ontwikkelingen in de Nederlandse Opstand slechts uit een internationaal, en dan vooral Spaans, perspectief begrepen kunnen worden.