Zoekweergave Strauss, Richard

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Strauss, Richard

Strauss, Richard, voluit: Richard Georg Strauss (München 11 juni 1864 – Garmisch-Partenkirchen 8 sept. 1949), Duits componist en dirigent, zoon van Franz Strauss (Parkstein 26 febr. 1822 – München 31 mei 1905), eerste hoornist bij de Münchener Hofkapelle, en Josephine Pschorr, kreeg zijn eerste pianolessen op vierjarige leeftijd van de harpist Tombo. Vier jaar later leerde hij viool spelen en schreef hij zijn eerste composities. Gedurende zijn gymnasiumtijd (1874–1882) studeerde hij theorie, compositie en instrumentatie bij F.W. Meyer. Na zijn eindexamen volgde hij enige tijd colleges filosofie, esthetica en kunstgeschiedenis in München. In 1884 ontmoette hij Hans von Bülow, de toenmalige dirigent van de Meininger Hofkapelle, die hem zonder voorbereiding een uitvoering in het openbaar liet dirigeren van zijn Suite voor blazers op. 4. Het succes van deze uitvoering betekende het begin van Strauss' briljante carrière als dirigent. Achtereenvolgens aanvaardde hij benoemingen in Meiningen (1885–1886), München (1886–1889), Weimar (1888–1893), wederom München (1894–1898) en Berlijn (1898–1918). Hier leidde hij terzelfder tijd de Berliner Philharmoniker en de Opera als Hofkapellmeister; van 1917 tot 1929 hield hij er bovendien een compositieklasse aan de Akademie der Künste. Te zamen met Franz Schalk had hij van 1919 tot 1924 de leiding van de Weense Staatsopera. Nadien trad hij uitsluitend op als gastdirigent en wijdde zich aan het componeren in zijn villa te Garmisch. Als oprichter van het Genootschap van Duitse Componisten (1898), samen met Fr. Rösch en H. Sommer, wist Strauss veel bij te dragen tot de verbetering van de maatschappelijke positie van de componist van zijn tijd. Van 1933 tot 1935 was hij voorzitter van de Reichsmusikkammer, uit welke functie hij moest terugtreden nadat zijn correspondentie met de joodse dichter Stefan Zweig, librettist van zijn opera Die schweigsame Frau (1934–1935), door de nazi's was onderschept. Na de capitulatie van het Duitse Rijk in 1945 woonde hij enige jaren in Zwitserland; hij kreeg in 1949 toestemming naar Garmisch terug te keren.

Als componist behoort Richard Strauss tot de belangrijkste figuren uit de muziekgeschiedenis van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Geworteld in de laat-romantiek is zijn werk toegespitst op de typisch 19de-eeuwse genres van het symfonisch gedicht en het muziekdrama. Hoewel aanvankelijk streng in de geest van Brahms opgevoed, kwam hij in 1885 door toedoen van zijn vriend A. Ritter in aanraking met de muziek van Wagner, die van overheersende invloed zou worden voor zijn latere werk. In een reeks symfonische gedichten, w.o. Don Juan (1888; n. N. Lenau), Tod und Verklärung (1889), Till Eulenspiegels lustige Streiche (1895), Also sprach Zarathustra (1896; vrij naar Fr. Nietzsche) en het autobiografische Ein Heldenleben (1898; opgedragen aan W. Mengelberg en het Concertgebouworkest), voert hij de virtuoze orkeststijl van Liszt en Wagner naar een ongeëvenaard hoogtepunt. Kenmerkend voor deze symfonische werken met programmatisch karakter is dat het illustratieve detail vaak op drastische wijze gestalte krijgt.

Van daar naar de muziekdrama's, waarvan de productie eerst na de eeuwwisseling goed op gang kwam, is slechts een kleine stap. Salome (1904–1905; n. Oscar Wilde) en Elektra (1908–1909; H. von Hofmannsthal) zijn in feite doorgecomponeerde symfonische werken met obligate zangstemmen. In harmonisch opzicht heeft Strauss hier zijn meest geavanceerde muziek geschreven, waarbij op sommige plaatsen het tonale klankbeeld geheel wordt prijsgegeven ten gunste van een tot het uiterste doorgevoerde expressieve chromatiek. De consequentie van een geheel atonale muziek heeft de componist echter nimmer willen aanvaarden. Reeds in zijn volgende opera, Der Rosenkavalier (1909–1910), manifesteert zich de terugkeer naar een gematigder stijl, waarin de melodische lijn is beïnvloed door Mozart. Het probleem van de verhouding tussen woord en toon, dat Strauss voordien reeds in een groot aantal liederen had beziggehouden, werd in latere jaren de inzet voor een lange rij opera's. In samenwerking met Hugo von Hofmannsthal ontstonden achtereenvolgens Ariadne auf Naxos (1912; bew. 1916), Die Frau ohne Schatten (1914–1917); Die Ägyptische Helena (1924–1927) en Arabella (1930–1932). Na de dood van deze dichter bleef Strauss voortdurend op zoek naar nieuwe teksten die hem muzikaal konden inspireren. Veelbetekenend is dan ook dat zijn laatste meesterwerken op vocaal terrein liggen: de opera Capriccio (1940–1941; in samenwerking m. Cl. Krauss n. Abbate Casti) en de Vier letzte Lieder voor sopraan en orkest (1948).

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: 1ste symfonie in d (1880); 2de symfonie in f (1882–1884); hoornconcert in Es op. 11 (1882–1883); Burleske voor piano en ork. (1885–1886); Aus Italien (1886; symf. fantasie); MacBeth (1886–1888, herz. 1889–1891; symf. gedicht); Don Quixote (1896–1897); Symphonia Domestica (1902–1903); Festliches Präludium (1913); Eine Alpensinfonie (1911–1915); Josephs Legende (1912–1914; ballet); Schlagobers (1921–1922; ballet); Panathenäenzug: symphonische Etüden in Form einer Passacaglia (1926–1927; v. piano linkerhand en ork.); Festmusik zur Feier des 2600jährigen Bestehens des Kaiserreiches Japans (1940); hoornconcert nr. 2 (1942); hoboconcert (1945); Metamorphosen v. 23 solostrijkers (1944–1945); Duett-Concertino v. klar., fag., en strijkork. (1947). – Kamermuziek: serenade v. 13 blazers (1881); cellosonate (1881–1883); pianokwartet (1884–1885); vioolsonate (1887); sonatine v. 16 blazers 'Aus der Werkstatt eines Invaliden' (1943); idem nr. 2 'Fröhliche Werkstatt' (1944–1945). – Opera: Guntram (1887–1892); eigen tekst); Feuersnot (1900–1901; E. von Wolzogen); Intermezzo (1919–1923; eigen tekst); Friedenstag (1935–1936; J. Gregor); Daphne (1936–1937; idem); Die Liebe der Danae (1938–1940; idem n. H. von Hofmannsthal). – Koorwerken: Wanderers Sturmlied (1884; 6-st. koor en ork.; n. Goethe); Bardengesang (1886; koor, hoorn, trompet, trombone, harp; n. H. Kleist); Taillefer (1902–1903; ballade v. soli, koor en ork. n. Uhland); Bardengesang (1906; koor en ork.; Klopstock); Die Tageszeiten (1927; cyclus v. mannenkoor en ork. n. Eichendorff); Olympische Hymne v. koor en ork. (1934). – Voorts: pianomuziek, liederen. – Bewerkingen: Chr. W. von Gluck: Iphigenie auf Tauris (1889); Tanzsuite n. Couperin (1923; v. klein ork.); L. van Beethoven: Die Ruinen von Athen (1924); W.A. Mozart: Idomeneo (1930); H. Berlioz: Instrumentationslehre (1905; geschrift).

UITG: Briefwisselingen: met S. Zweig, d. W. Schuh (1957); met C. Kraus, d. G.K. Kende en W. Schuh (21964; keuze); met H. von Hofmannsthal, d. W. Schuh (41970); met C. Wagner, 1889–1906, d. F. Trenner (1978); m. G. Mahler, 1888–1911 (1980); met L. Thuille, d. F. Trenner (1980); met R. Hartmann, d. R. Schlötterer (1984); met M. von Schillings, d. R. Schlötterer (1987). – Voorts: R. Strauss, Betrachtungen und Erinnerungen, d. W. Schuh (1949, uitgebr. 1957); H. von Hofmannsthal-R. Strauss: Der Rosenkavalier: Fassungen, Filmszenarium, Briefe, d. W. Schuh (1972); Die Skizzenbücher von R. Strauss, d. F. Trenner (1977).