Zoekweergave Stradivari, Antonio

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Stradivari, Antonio

Stradivari, Antonio, voluit: Giacomo Antonio, gelatiniseerd: Antonius Stradivarius (Cremona? 1644 – aldaar 18 dec. 1737), Italiaans vioolbouwer, was een leerling van Nicola Amati, onder wiens naam hij aanvankelijk violen bouwde. In 1665 zette hij Amati's viooltype voort onder eigen naam, maar in 1693 kwam hij tot het grotere patron allongé-type, gekenmerkt door grotere sonoriteit. Van 1698 tot 1703 hanteerde hij een ‘ge-amatiseerd’ model, maar van 1703 tot 1720 bouwde hij instrumenten van het eigenlijke Stradivari-type, dat een zeer briljante, volle toon geeft, bijv. de Betts (1704), de Dolphin (1714), de Emperor (1715), de Messias (1716), de Sarazate (1724) en de cello Piatti (1720). Een nieuw type, ietwat metalig van klank, ontstond tussen 1720 en 1722. Stradivari, wiens ‘geheim’ berustte op een uitzonderlijke harmonie van de voor de klank belangrijke onderdelen, bouwde waarschijnlijk ca. 1000 instrumenten, waarvan 540 violen, 12 altviolen en 50 cello's bekend zijn. Van zijn elf kinderen kozen Francesco (Cremona 1 febr. 1671 – aldaar 11 mei 1743) en Omobono (Cremona 14 nov. 1679 – aldaar 8 juni 1742) het vioolbouwersvak. Zij erfden de werkplaats en zetten de traditie voort. Van Francesco is een enkel instrument bekend.

Herbert Le Porrier schreef een roman over Antonio, Le luthier de Crémone (1977).