| Zoekweergave | Stalin, Josif Vissarionovitsj | Terug |
| Introductie |
Stalin, Josif Vissarionovitsj, eigenlijk: Dzjoegasjvili (Gori, Georgië, 21 dec. 1879 – Moskou 5 maart 1953), Sovjet-Russisch politicus en dictator met een eigen uitleg van het communisme.
| 1. Priesterstudent en bolsjevik |
Hoewel van eenvoudige afkomst (zoon van een schoenmaker) kon Stalin door toedoen van zijn moeder voor priester studeren op het Grieks-orthodoxe seminarium te Tiflis. Daar raakte hij in de ban van revolutionaire ideeën en sloot zich aan bij een ondergrondse sociaaldemocratische organisatie (1898).
In 1899 werd hij wegens opstandig gedrag van het seminarium verwijderd. Sedertdien was hij illegaal werkzaam als beroepsrevolutionair en zette hij zich in voor de politieke bewustwording van arbeiders in Transkaukasië. Verscheidene malen werd hij gearresteerd en verbannen, maar steeds wist hij te ontsnappen. In 1904 sloot hij zich, onder de indruk van de publicaties van Lenin, aan bij de fractie van de bolsjeviki.
| 2. Kennismaking met Lenin |
Als gedelegeerde op de partijvergaderingen van Tammerfors (1905) en Stockholm (1906) maakte hij persoonlijk kennis met Lenin. Lenin waardeerde Stalins strijdlust en praktische kennis van de niet-Russische volken. Door Lenins toedoen kwam Stalin in 1912 naar Wenen. Hij schreef er, met hulp van Boecharin, een polemisch werk over het nationale vraagstuk. In hetzelfde jaar zorgde Lenin ervoor dat Stalin op de partijconferentie te Praag tot lid van het Centraal Comité werd gekozen.
Naar Rusland teruggekeerd, werd Stalin in 1913 door de autoriteiten gevangengezet en verbannen naar Siberië. Na de februariomwenteling van 1917 (zie Russische Revolutie) kon hij naar Sint-Petersburg terugkeren, waar hij na de aankomst van Lenin diens radicale koers volgde.
In de eerste revolutionaire regering na oktober 1917 bekleedde Stalin de post van volkscommissaris voor Nationale Aangelegenheden. Daarnaast werden hem tijdens de burgeroorlog andere militaire en organisatorische taken opgedragen. Hij onderscheidde zich door de succesvolle verdediging van Tsaritsyn (1918, het latere Stalingrad/Wolgograd) tegen de Witten. Wel raakte hij wegens zijn eigenzinnig optreden aldaar in onmin met de legeraanvoerder Trotski, die hij mettertijd als zijn aartsvijand ging beschouwen.
| 3. Partijleider |
In maart 1919 werd Stalin een van de vijf leden van het pas opgerichte Politburo, het dagelijkse bestuur van de partij. Drie jaar later, op het 11de partijcongres (april 1922) volgde zijn benoeming tot secretaris-generaal van de partij.
Lenin wilde dat Stalin in de gelederen van de bolsjeviki met harde hand de discipline zou herstellen. Stalin benutte echter de sleutelpositie van secretaris-generaal vooral om zijn eigen invloed in de partij te versterken. Nog vóór Lenins dood (januari 1924) had Stalin met Zinovjev en Kamenev een triumviraat (trojka) gevormd, dat in de eerste plaats wilde verhinderen dat de dwarsligger Trotski aan de macht zou komen.
Na 1924 werd Stalin de machtigste man in de Sovjet-Unie. In de strijd om de oriëntatie van de communistische beweging in de jaren twintig nam Stalin resoluut stelling tegen de wereldrevolutionair-utopistische conceptie van Trotski, door de these van het socialisme in één land te verkondigen (1925). Hierdoor raakten ook Zinovjev en Kamenev van Stalin vervreemd. Na hun nederlaag op het door Stalin gemanipuleerde 14de partijcongres verenigden zij zich met de inmiddels al van alle macht beroofde Trotski in de zgn. verenigde linkse oppositie, die Stalin echter met hulp van de rechterpartijvleugel onder leiding van Boecharin binnen twee jaar tot zwijgen wist te brengen.
Bij de viering van de tiende verjaardag van het sovjetbewind in 1927 trad Stalin reeds als de algemeen erkende partijleider op. Zijn beslissing de Sovjet-Unie in versneld tempo te industrialiseren en de landbouw te collectiviseren – twee doelstellingen waarvoor juist zijn verslagen linkse tegenstanders jarenlang hadden gepleit – vervreemdde hem in 1928 van de rechtervleugel (Boecharin, Rykov, Tomski), die de gematigde koers wilde voortzetten. Stap voor stap werden vervolgens de rechtse politici, die geen openlijke oppositie aandurfden, uitgeschakeld, totdat zij, gedwongen, in een vernederende zelfkritiek hun ongelijk bekenden.
De wijze waarop Stalin in het begin van de jaren dertig de herstructurering van de economie doordreef, heeft miljoenen mensenlevens gekost en het land tijdelijk op de rand van een catastrofe gebracht. De politieterreur werd stelselmatig opgevoerd en de (officieel opgedrongen) persoonsverheerlijking van Stalin nam een aanvang. Niettegenstaande deze omstandigheden kwam het in zijn omgeving tot bedenkelijke crises (zelfmoord van zijn tweede vrouw, N. Alliloejeva, samenzweringen van Syrtsov, Lominadze en Rioetin).
| 4. Grote Zuivering |
Toen het er in 1934 op leek dat een meerderheid in het Politburo Stalins persoonlijke bewind enigermate aan banden wilde leggen, begon Stalin de Grote Zuivering (1934–1938), waarvan de door de politie geënsceneerde moord op zijn voornaamste mededinger, Sergej Mironovitsj Kirov, het startsein vormde. Naast politieke tegenstanders werden talrijke loyale partij- en staatsfunctionarissen, kunstenaars, wetenschappers en burgers, die men van spionage, verraad en ‘trotskisme’ betichtte, omgebracht of in strafkampen opgesloten. Op het hoogtepunt van de terreur kondigde Stalin een nieuwe grondwet (1936) af, die zijn onderdanen democratische rechten en vrijheden in het vooruitzicht stelde. Met het oog op het naderende oorlogsgevaar werd de zuivering geleidelijk afgeremd.
| 5. Voor en na de Tweede Wereldoorlog |
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zorgde Stalin voor een verrassende wending, toen hij samen met zijn rechterhand, Molotov, een vriendschapspact met het nationaal-socialistische Duitsland sloot. De voordelen die dit verdrag bood, werden door Stalin zonder pardon benut: aanzienlijke gebiedsuitbreiding ten koste van zwakkere buurlanden. Stalin, die geen gevaar van Duitse zijde duchtte, werd verrast door de Duitse inval van 22 juni 1941. Na grote verliezen gedurende de eerste oorlogsmaanden als gevolg van de zwakke Sovjetdefensie, slaagde hij erin de kans te doen keren. Zowel op diplomatiek als op militair gebied droeg Stalin in doorslaggevende mate bij tot de grote successen in de slotfase van de oorlog. Met name in het topoverleg met andere geallieerde leiders toonde hij zich een meester in het doorzetten van eigen doelstellingen.
Aan het eind van de oorlog genoot Stalin als staatsman een enorm prestige in binnen- en buitenland. Zijn leiderschap had hij benadrukt door de aanvaarding van nieuwe ambten, titels en onderscheidingen (voorzitter van de Raad van Volkscommissarissen, minister-president, hoofd van het Opperste Defensiecomité, maarschalk en generalissimus van het Rode Leger). Zijn ambitieuze buitenlandse politiek en de enorme problemen rond de naoorlogse wederopbouw hadden tot gevolg dat hij een strak binnenlands beleid voerde.
In het Kremlin leidde hij een vereenzaamd leven temidden van een gesloten kring van medewerkers, die door intriges was verziekt. Regelmatig vonden zuiveringen plaats, ook onder de hooggeplaatsten. Zijn oude medewerkers van het Politburo vertrouwden Stalin niet meer en hij regeerde dan ook autocratisch via zijn persoonlijk secretariaat, dat geleid werd door generaal Poskrebysjev.
| 6. Overlijden |
Tot aan het eind van zijn leven was het politieregime hard. Afwijkende meningen en gedragingen werden vervolgd en bovendien werd de bevolking gedwongen Stalin met Byzantijns eerbetoon te bewieroken. Onder onduidelijke omstandigheden overleed Stalin in maart 1953, volgens officiële berichten aan een hersenbloeding. Zijn gebalsemde lijk werd aanvankelijk in het Kremlinmausoleum naast dat van Lenin bijgezet, maar nadat Chroesjtsjov op het 20ste partijcongres (1956) Stalins beleid had gehekeld (begin van de destalinisatie), werden zijn stoffelijke resten in 1961 gecremeerd en werd de as bij de muur van het Kremlin gedeponeerd.
| 7. Betekenis |
Stalin moet onbetwistbaar gerekend worden tot de staatslieden die de wereldgeschiedenis van de 20ste eeuw in wezenlijke mate hebben bepaald. Als marxistisch theoreticus heeft Stalin weinig te betekenen (zie voor het stalinisme onder communisme). Door zijn onverhulde machtspolitiek compromitteerde hij als geen ander het communisme bij vriend en vijand. Hij werkte welbewust revolutionaire ontwikkelingen tegen bij andere volken (Spanje, Griekenland, Duitsland, China), indien deze niet in het concept van zijn politiek pasten. Pas sinds 1985, onder Gorbatsjov, werd het in de Sovjet-Unie mogelijk vrijelijk te publiceren over de gevolgen van het stalinistische regime, waardoor thans in de publieke opinie ook daar een negatief oordeel heerst over Stalin.