Zoekweergave snaarinstrumenten

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

snaarinstrumenten
Introductie

snaarinstrumenten, ook chordofonen, alle muziekinstrumenten waarbij één of meer gespannen snaren in trilling worden gebracht, door strijken (met strijkstok), tokkelen (met blote vingers of plectrum), hameren, blazen of door sympathische trillingsovername. De meeste snaarinstrumenten hebben ter versterking van de toon een resonanscorpus (klanklichaam); soms wordt de toon op elektro-mechanische wijze versterkt (zie elektrofoon).

1. Typen

Men onderscheidt vier typen snaarinstrumenten: luit-, lier-, citer- en harptype.

a. Bij het luittype lopen de snaren via een kam van het klanklichaam over een hals, aan het eind waarvan ze met spanschroeven in een snaarhouder zijn bevestigd. De gespannen snaren kunnen naar believen met de vingers van de dragende hand worden verkort; het vibrerende snaardeel ligt tussen kam en vinger (resp. snaarhouder). Sommige instrumenten en -families worden gestreken (viool, viola, rebab), andere getokkeld (luit, gitaar, mandoline). Tokkelspeelwijze wordt incidenteel toegepast bij strijkinstrumenten. Het principe van de gestreken snaar is van veel jongere datum (vanaf ca. 900 n.C.) dan de getokkelde. Een speciale vorm is de draailier, waarbij het aanstrijken geschiedt door middel van een ronddraaiende schijf en de snaarverkorting door middel van tangenten. Bij de Indiase sarangi loopt onder de drie hoofdspeelsnaren een groot aantal extra-snaren die niet worden aangestreken, maar toon voor toon sympathisch meeklinken met de tonen van de aangestreken hoofdsnaren (zie sympathische snaren); hetzelfde principe kent o.a. de in onbruik geraakte Europese viola d'amore.

b. Bij het liertype lopen de snaren evenwijdig aan het klanklichaam naar een buiten het klanklichaam uitstekende snaarhouder, maar de hals ontbreekt.

c. Bij het citertype zijn de snaren evenwijdig met het klanklichaam gespannen; de snaarhouder is deel van het klanklichaam. Hiervan zijn voorbeelden: cimbalom (Hongarije; zie Hongaarse muziek), piano, klavecimbel, koto (Japan; zie Japanse muziek), kantele (Finland) en voorts de vele vormen van Afrikaanse citers (zie Afrikaanse muziek).

d. Bij het harptype zijn de snaren loodrecht van klankkast naar snaarhouder gespannen.

2. Toepassing

Het klassieke Europese symfonieorkest bestaat vnl. uit strijkinstrumenten, evenals de klassieke kamermuziekcombinaties. In de Europese volksmuziek komen talrijke tokkelinstrumentengroepen voor (luitensembles in Portugal, Joegoslavië). Episch-verhalende liedzangers, zowel in Europa (troubadours, minstreels, barden) als in Afrika en Centraal-Azië, begeleid(d)en zichzelf bij voorkeur met een tokkelinstrument van het luit- of harptype.