Zoekweergave snaar [muziek]

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

snaar [muziek]

snaar [muziek], gespannen, koordvormige draad, die, in trilling gebracht, bepaalde toonhoogten kan voortbrengen (zie ook snaarinstrumenten). Reeds in de oudheid was men bekend met snaren voor muzikale doeleinden. Pythagoras gebruikte de trillende snaar op het monochord om de natuurkundige betrekkingen van de intervallen te bestuderen. De klank wordt beïnvloed door de wijze van in trilling brengen: tokkelen, strijken, slaan. De aanrakingsplaats bepaalt de trillingswijze; deze, samen met de versterking van de toon door het resonanscorpus, het timbre. Een toon kan worden gevormd door één, twee of drie snaren (snarenkoor). Snaren worden uit verschillend materiaal vervaardigd, mede in verband met de instrumenten waarvoor zij gebruikt worden. Egyptenaren, Grieken en Romeinen kenden reeds darmsnaren; in het Verre Oosten kende men zijdesnaren. Metaalsnaren werden pas veel later (14de eeuw) gefabriceerd, toen zij nodig waren voor de toetsinstrumenten als klavichord, spinet, klavecimbel en virginaal. Naderhand omwoelde men de darmsnaar met koper-, zilver-, staal- of aluminiumdraad (o.a. om de massa te vergroten zonder de soepelheid nadelig te beïnvloeden). Bij de viool werd in de 20ste eeuw de darm-E-snaar vervangen door een metalen, niet omwoelde snaar. Men experimenteert nog steeds met verschillende materialen, zoals chroomstaal, nylon (o.a. Perlon) met diverse omspinningen. De aard van het materiaal bepaalt het timbre (boventonen) en de gevoeligheid voor temperatuur- en vochtinvloeden (mate van ontstemming van de toonhoogte).