Zoekweergave Smetana, Bedich

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Smetana, Bedich

Smetana, Bedich (Litomyl 2 maart 1824 – Praag 12 mei 1884), Tsjechisch componist en muziekcriticus, studeerde piano en muziektheorie bij J.J. Proksch in Praag. Van 1856 tot 1861 werkte hij in Göteborg als directeur van Harmoniska Sällskapet. Van 1866 tot 1874 was hij dirigent van het Nationaal Theater te Praag. In deze periode schreef hij ook zijn eerste opera's: Braniboi v ˘Cechách (= Brandenburgers in Bohemen; première jan. 1866) en Prodaná nevĕsta (= De verkochte bruid; mei 1866). Zijn derde opera, Dalibor (1868), werd fel bekritiseerd; men verweet de componist te grote afhankelijkheid van Wagner en de langdurige strijd om Dalibor werd een strijd tussen vooruitstrevenden en behoudenden, die ook sterk politieke kanten had. In 1874 werd Smetana doof en trok hij zich terug in Jabkenice; alleen in zijn laatste partituren is iets merkbaar van de geestesstoornis die zijn laatste jaren verduisterde.

Smetana is voor de Tsjechische muziek van grote betekenis geweest. Hij stelde zich niet, als vele van zijn tijdgenoten, op een eng nationalistisch standpunt, maar stond volledig open voor de progressieve muzikale stromingen in Europa (Liszt, Wagner) en trachtte tot een synthese van beide te komen. Hiermee schiep hij een oeuvre dat staat aan het begin van de Tsjechische kunstmuziek en er tevens het hoogtepunt van vormt. Centraal in zijn oeuvre staan de nationale opera's. De verkochte bruid, zijn twee strijkkwartetten, waaronder Z mého ivota (= Uit mijn leven, 1876), en de cyclus van zes symfonische gedichten Má vlast (= Mijn vaderland, 1874–1879, met het bekende deel De Moldau) hebben een vaste plaats in het klassieke repertoire gekregen; zijn pianomuziek, waaronder een cyclus Tsjechische dansen (1879), krijgt in het algemeen minder aandacht dan zij verdient.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Jubelouverture (1849); Triomfsymf. (1853–1854); 3 symf. gedichten: Richard III (1858), Wallensteins legerplaats (1859), Hakon Jarl (1861); Shakespearemars (1864); Feestouverture in C (1868); Praags carnaval (1883). – Opera: Dvĕ vdovy (= De twee weduwen, 1874); Hubika (= De kus, 1876); Tajemství (= Het geheim, 1878); Libue (1881); ˘Certova stĕna (= De duivelsmuur, 1882); Viola (1883; onvolt.). – Voorts: kamermuziek, waaronder pianotrio (1855); pianomuziek, cantate: Het Tsjechische lied (1868), koormuziek en liederen.