| slavernij | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. De periode na 1500 |
De ontdekking van Amerika leidde een nieuwe ontwikkeling in slavernij. In het nieuwe land was grote behoefte aan arbeidskrachten. De Indianen werden beschouwd als onwillige en onbekwame mijnwerkers. De verdediger van de Indiaanse rechten, Bartolomé de Las Casas, pleitte voor overbrenging van gekerstende negers uit Afrika. De Spaanse koloniën in Amerika werden vanaf het begin van de 16de eeuw door de Portugezen van Afrikaanse slaven voorzien. De Britten hadden aanvankelijk een andere oplossing voor het arbeidsprobleem in hun koloniën. Zij gebruikten daarvoor de ongewenste elementen uit de eigen samenleving: dieven, schuldenaars, gevangenen, contractarbeiders e.d. Maar toen in de 17de eeuw de Hollanders de Portugezen van de Afrikaanse Goudkust hadden verdreven en daarmee de winstgevende trans-Atlantische slavenhandel hadden overgenomen, gingen ook de Britten en de Fransen zich op deze driehoekshandel toeleggen. Het ging hierbij (althans tot het begin van de 19de eeuw) om een algemeen aanvaard systeem, onderdeel van het economische stelsel van die tijd. De schepen vertrokken naar Afrika met geweren, munitie, voedsel, alcohol, textiel en aardewerk. Daar werd deze waar geruild voor door Afrikaanse slavenhalers uit het binnenland aangevoerde slaven. Nadat de slaven in de Nieuwe Wereld waren verkocht, keerden de schepen, ditmaal geladen met suiker, katoen en tabak, terug naar Europa, waar m.n. in Engeland de aangevoerde producten verwerkt werden.
Door deze lucratieve handel groeiden de Britse havens en werd de opkomst van nieuwe industrieën mogelijk gemaakt. Na de wettelijke afschaffing van de slavenhandel (begin 19de eeuw) ging de handel illegaal nog een halve eeuw door. Ondanks intensieve Britse marinepatrouilles in de West-Afrikaanse wateren werden in die periode waarschijnlijk meer slaven overgebracht naar de katoen- en tabaksplantages in het zuiden van Noord-Amerika dan in de drie voorafgaande eeuwen.
Het aantal Afrikanen dat in de loop der tijden als slaaf overzee is afgevoerd, is niet nauwkeurig te bepalen. Alleen al in de 17de en 18de eeuw zijn ten minste 10 miljoen Afrikanen gedeporteerd. Volgens een minimale schatting zouden in totaal 20 miljoen mensen uit Afrika verscheept zijn. De Amerikaanse socioloog W.E.B. Dubois stelt dat 100 miljoen Afrikanen in het kader van de slavenhandel zijn omgekomen: tijdens de overvallen, tijdens de mars naar de kust, tijdens de wachttijd en na de selectie aan de kust, tijdens de tocht over zee.
De gevolgen voor Afrika waren ingrijpend. De bevolkingsopbouw veranderde (de jonge en sterke mannen en vrouwen werden weggehaald) en de slavenoorlogen leidden tot permanente onrust. Hiervan hadden met name de landbouw en de ambachts- en kunstproductie te lijden. In het algemeen moet men vaststellen dat zowel in Noord- als in Zuid-Amerika economische belangen het lot van de slaven bepaalden: zowel hun behandeling als hun kans op vrijlating. De sterfte was op de koffie- en de suikerplantages in Brazilië en op Cuba niet geringer dan op de vergelijkbare arbeidsterreinen in Noord-Amerika. In sommige streken van Zuid- en Midden-Amerika was het percentage vrijlatingen weliswaar aanzienlijk – in Cuba bijvoorbeeld was het aantal vrije negers in 1860 39%, tegen dat in Virginia slechts 11% –, maar men kan slechts constateren dat ook die vrijlating afhankelijk was van de economische condities. Ook de mate van verzet en vlucht biedt weinig houvast bij het onderzoek naar de plaatselijke verschillen in de situatie van de slaven. Zowel in Latijns- als in Angelsaksisch Amerika zijn er opstanden geweest, waaronder bekende als die van Macandal in Haïti in 1758, van Toussaint Louverture in Santo Domingo in 1794, van Denmark Vesey in Zuid-Carolina in 1822 en van Nat Turner in Virginia in 1831. De mogelijkheid tot vluchten werd vooral benut in de oerwouden van Brazilië en Suriname, maar ook in de Verenigde Staten, waar de zgn. Underground Railroad de slaven naar Canada hielp ontsnappen.