| slavernij | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
slavernij, toestand waarin een mens eigendom is van een ander. De grens met andere vormen van persoonlijke dienstbaarheid (bijv. horigheid) is moeilijk te bepalen; in geval van slavernij is het beschikkingsrecht van de meester in principe onbeperkt en duurzaam. Sociale stratificatie onder de vrije bevolking is een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van slavernij: indien een maatschappij ongestratificeerd is, is slavernij afwezig.
Bij de pre-industriële volken kwam slavernij in bijna alle delen van de wereld voor (behalve in Midden-Azië, Siberië en Australië) en dan vooral bij landbouwende volken, dikwijls in de vorm van schuldslavernij. Boeren verloren hun onafhankelijkheid omdat ze zaaigoed moesten lenen van meer welgestelden. De wijze van behandeling van slaven verschilt aanzienlijk per volk. Zo verschilde in Afrika het leven van een slaaf weinig van dat van een vrije, terwijl bijvoorbeeld elders slaven gevaar liepen geofferd te worden.
| 1. Oudheid |
De beschavingen in Europa, Voor-Azië en Egypte steunden in zekere mate op slavenarbeid, vaak verricht door krijgsgevangenen. Het ontbreken van mechanische beweegkracht eiste een groot aantal individuen op voor eentonige, onaanzienlijke, maar voor het functioneren van de samenleving onmisbare arbeid. De meer verfijnde vormen van activiteit konden zich slechts ontwikkelen bij de gratie van het bestaan van een klasse van onvrijen, aan wie het lagere werk kon worden opgedragen. Geen enkel regerend lichaam heeft in de oudheid ooit getracht de slavernij af te schaffen. Ook het christendom erkende de slavernij als sociaal instituut, blijkens talrijke vermaningen van de kerkelijke leiders, zowel aan de slaven als aan hun meesters.
In Egypte was de slavernij, hoewel van oude datum, beperkt. De aanwezigheid van een goed gedrilde arbeidzame bevolking en het feit dat al het land nominaal aan de farao behoorde, verhinderden het ontstaan van een grote slavenbevolking.
In Mesopotamië waren de, weinig talrijke, slaven doorgaans buitenlanders, door oorlog of veldtochten in slavernij geraakt. De maatschappij bezat niet het vermogen grote groepen mannelijke slaven in het productieproces in te schakelen. De meeste ‘buitgemaakte’ mannen werden dan ook gedood of blind gemaakt. De resterenden werden als slaaf gemerkt, konden naar believen verkocht worden en bezaten geen eigen gezinsleven. Vrouwelijke slaven werden op ruime schaal ingeschakeld, zowel in de textielnijverheid als voor huishoudelijke taken. Daarnaast was er de grote groep van ‘horigen’, vooral bestaande uit leden van de Babylonische maatschappij, die door armoede, schulden, misdaden e.d. in slavernij waren geraakt. Bepalingen omtrent deze tweede categorie van slaven vindt men vanaf het 3de millennium v.C. in o.a. de wetten van Hammoerabi (18de eeuw v.C.). Deze slaven werden niet gemerkt en zelden doorverkocht. Voor hen bestond de mogelijkheid tot vrijkopen, het huwen met een vrije vrouw en het leiden van een eigen gezinsleven.
In Griekenland waren de slaven tot 700 v.C. weinig in aantal. Met de opkomst van een geldeconomie en de opbloei van de, vooral overzeese, handel nam het aantal slaven toe, maar pas in de 5de eeuw v.C. werden zij werkelijk talrijk, en dan nog alleen in de relatief geïndustrialiseerde gebieden, zoals Athene-Piraeus (geschat aantal slaven in Attica in ca. 430 v.C.: 100 000, d.i. eenderde van het inwonertal). Vrijkoping uit opgespaard ‘zakgeld’ en vrijlating kwamen geregeld voor, hoewel niet zo veelvuldig als in de latere Romeinse wereld. In de behandeling en de sociale positie van de slaven bestonden enorme verschillen. Handwerkslieden, huishoudelijk en gespecialiseerd personeel (bijv. leraren) leefden weinig anders dan vrijen. Hard daarentegen was het lot van de slaven in de mijnen van Laurion en de steengroeven bij Syracuse. In de 4de eeuw v.C. nam het aantal slaven toe door de veelvuldige oorlogen en stedenveroveringen. De heloten in Sparta, de penestai (= ‘armoedigen’) in Thessalië en de kyllyrioi (onderworpen Siculiërs) bezaten een geheel aparte positie, het midden houdend tussen die van lijfeigenen en horigen (zie ook Gortyn).
Bij de Romeinen bestond slavernij in de vroege Republiek slechts op kleine schaal. In deze boerengemeenschap week het leven van de onvrije knecht weinig af van dat van het dienstpersoneel. Vrijlating en koping kwam veelvuldig voor. Met de uitbreiding van Romes machtsgebied, de economische expansie en de door oorlogen ook buiten Italië toenemende aanvoer van krijgsgevangenen ging de slavernij in het maatschappelijk leven een steeds grotere rol spelen. In de late Republiek bleef de positie van huisslaven meestal redelijk. Misstanden bij de tewerkstelling van grote ploegen slaven op de latifundia (grote landbouwondernemingen) leidden, evenals voorheen op de plantages van Carthago, soms tot massale opstanden, waarvan die van Spartacus de bekendste is. Doordat in de Keizertijd langzamerhand een eind kwam aan de veroveringsoorlogen, verminderde de aanvoer van slaven. De slaaf werd een luxeartikel en dit bracht een zekere lotsverbetering met zich mee. Ook bewerkte een verandering in mentaliteit (o.a. onder invloed van de ethiek van Stoa en christendom) een wijziging in de houding tegenover de slaaf. In de latere Keizertijd vervaagde, mede door het opkomen van een klasse van aan de grond gebonden halfvrije horigen (coloni), het onderscheid tussen slaaf en vrije arbeider.