Zoekweergave Schubert, Franz

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Schubert, Franz
Introductie

Schubert, Franz, voluit: Franz Peter (Liechtental [thans Wenen] 31 jan. 1797 – Wenen 19 nov. 1828), Oostenrijks componist.

1. Leven

Schubert was zoon van een onderwijzer, kreeg een brede algemene opleiding en les in zang, viool, piano en orgel. In 1808 werd hij opgenomen in de hofkapel en het Stadtkonvikt (Wiener Sängerknaben); spoedig was hij al concertmeester en plaatsvervangend dirigent van het huisorkest van het Stadtkonvikt. Bij Salieri studeerde hij contrapunt en compositie en onder diens invloed ontstonden zijn eerste composities (kleine kwartetten, pianostukken en liederen, w.o. Hagars Klage). Op 28 okt. 1813 voltooide hij zijn Erste Symphonie in D gr.t. Eind 1813 werd hij hulponderwijzer bij zijn vader (tot 1817). Tot de composities uit deze periode behoren zijn eerste Mis in F (1814), zijn eerste belangrijke lied Gretchen am Spinnrade (uit Goethes Faust; 1814), de ballade Erlkönig (tekst van Goethe; 1815, één van de 145 liederen uit dat jaar) en de symfonieën 2–5 (waarvan de vierde als Tragische het bekendst is geworden), de kleine Sonaten voor viool en piano op. 137 en in 1816 alleen al meer dan honderd liederen, o.a. Der Wanderer.

Door de materiële steun van vrienden, o.w. Mayrhofer en Franz von Schober, werd Schubert in staat gesteld zich geheel aan de muziek te wijden. Door von Schober leerde hij de zanger J.M. Vogl kennen, die zich voor zijn liederen ging inzetten; de eerste uitvoering van deze liederen vond meestal plaats op muziekavonden in de vriendenkring ( ‘Schubertiaden’). Schuberts leven verliep in benarde omstandigheden. Zijn teruggetrokken en schuchtere aard waren niet bevorderlijk voor het bekleden van een openbaar ambt. De hem aangeboden organistenfunctie aan de Hofkapel sloeg hij af; daarentegen solliciteerde hij tevergeefs naar de post van kapelmeester aan de Hofkapel en aan het Kärntnertor-theater. In het openbare concertleven speelde zijn werk tijdens zijn leven geen rol; slechts één concert (1828) had succes. Hij werd op het Währinger Friedhof begraven. In 1888 is zijn stoffelijk overschot naar het Zentral Friedhof te Wenen overgebracht.

2. Werk

Schubert is vóór alles de grootmeester van het lied. Hij gebruikte hiervoor drie typen: a. het strofelied, waarbij iedere strofe dezelfde melodie heeft en de pianopartij eenvoudig gehouden is (Heidenröslein, 1815; tekst van Goethe); soms kan een van de strofen muzikaal gewijzigd worden en dan ontstaat het gevarieerde strofelied (Tränenregen); b. het doorgecomponeerde lied, waarbij de melodie geheel is aangepast aan het verhaal; de eenheid wordt tot stand gebracht door een volgehouden ritmische figuur in de pianopartij; c. het declamatorische lied, waarin de melodie volkomen ondergeschikt wordt gemaakt aan de nauwgezette declamatie. Met deze vormen en hun varianten legde Schubert de grondslag voor het romantische lied van Robert Schumann tot Richard Strauss. Harmonisch is zijn werk interessant door het gebruik van tertsverwantschappen, enharmonische verwisselingen, enz., waarbij hij de harmoniek van de late Beethoven als uitgangspunt gebruikte. Uit zijn pianosonates blijkt zijn grote voorliefde voor Beethoven, maar zijn thema's vormen een afgerond geheel en lenen zich daardoor minder voor verwerking dan die van Beethoven. Al Schuberts instrumentale muziek is sterk lyrisch. Als liedcomponist met een sterk natuurgevoel koos hij tot onderwerpen van zijn teksten mens, natuur en God; deze werden door hem van verschillende zijden belicht, maar zonder dramatische tegenstellingen. In deze instelling moet ook zijn mislukken als operacomponist worden gezocht.

Zijn geboortehuis is als Schubertmuseum ingericht; herinneringen aan zijn laatste levensjaren worden bewaard in het Schubert-Sterbehaus in Wenen. In Tübingen is in 1963 een Internationale Schubert-Gesellschaft opgericht, die zich ten doel heeft gesteld een nieuwe complete uitgave van zijn werk uit te brengen.

WERK: Orkest: 9 symfonieën (bij zijn dood waren er 6 bekend; Schumann ontdekte in 1838 de grote C-dur Symf., geschr. 1828; deze werd toen aangeduid als nr. 7, thans nr. 9; de ‘Unvollendete’, nr. 8, werd in 1863 gevonden; de Gasteiner Symph., nr. 7, is nog niet gevonden); 2 Ouvertures im italienischen Stile (resp. in D en C, 1817); Konzert-Stück v. viool en orkest (D 345, ca. 1816); Polonaise in Bes v. viool en strijkorkest (D 580, 1817). – Kamermuziek: 3 sonatines v. viool en piano op. 137; Sonate (Duo) in A op. 162 (1817); Rondeau brillant in b op. 70 (1826; beide v. viool en piano); Introduction und Variationen over ‘Ihr Blümlein alle’ v. fluit en piano op. 160 (1824); Sonate in a v. arpeggione en piano (1824); 3 pianotrio's: Bes gr.t. op. 99, Es gr. t. op. 100 (1827), Sonatesatz in Bes gr. t. (1812); 15 strijkkwartetten, w.o. Der Tod und das Mädchen, d kl. t. (1824), Rosamunde, a kl. t. (1824); strijkkwintet in C op. 163 (1828), octet v. blazers (1813), octet v. strijkers en blazers op. 166 (1824); kwintet in A v. piano, viool, altviool, cello en contrabas op. 114, het Forellenkwintet (1819). – Pianomuziek: 23 sonates (incl. 3 onvoltooide), 4 Impromptus op. 90, 4 Impromptus op. 142, 6 Moments musicaux op. 94, dansen (Deutsche Tänze, Walsen, Wiener Damen Ländler, Ecossaises); Wanderer-Fantasie op. 15 in C (1822); piano-vierhandig: Variaties op. 10 in e kl. t., 3 Marches Militaires op. 51 (ca. 1822), Divertissement à la Hongroise (1824), Sonate in C (Grand Duo) (1824), Fantasie in f kl. t. op. 103 (1828). – Opera's: Alfonso und Estrella (1822), Fierrabras (1823). – Singspiele: Des Teufels Lustschloss (1813); Die Zwillingsbrüder (1819); Die Zauberharfe (1820); Die Verschworenen (op last van de censuur omgedoopt in Der häusliche Krieg, 1823). – Toneelmuziek: Rosamunde (1823). – Kerkmuziek: 6 Missen, w.o. nr. 5 in As (Missa solemnis, 1822) en Es dur (1828). – Koormuziek: a. voor vrouwenstemmen: Psalm 23: Gott ist mein Hirte op. 132 (1820); Ständchen op. 135 (1827; tekst Grillparzer; m. piano); b. voor mannenkoor: Ständchen op. 135 (oorspr. versie) en 25 andere werken, w.o. Gesang der Geister über den Wassern op. 167 (1821; tekst Goethe; m. strijkork.); Prometheus-Kantate.Liederen: ruim 600, w.o. de cycli Die schöne Müllerin (1823), Winterreise (1827) en de o.d.t. Schwanengesang uitg. 14 laatste liederen; Der Hirt auf dem Felsen (m. obligaat-klarinet en piano).

UITG: F. Schubert. Briefe und Schriften (1919; Eng. uitg. 1970); Die schönsten Schubert-Briefe, d. E. Valintin (1975).