Zoekweergave Schönberg, Arnold

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Schönberg, Arnold
Introductie

Schönberg, Arnold, of Schoenberg, voluit: Arnold Franz Walter Schönberg (Wenen 13 sept. 1874 – Los Angeles 13 juli 1951), Oostenrijks-Hongaars, sinds 1941 Amerikaans componist en schilder, aanvankelijk autodidact, later leerling van Alexander von Zemlinsky.

1. Leven

Aanvankelijk had hij de leiding van een zangvereniging van metaalarbeiders in Stockerau en instrumenteerde operettes om in zijn levensonderhoud te voorzien. Terzelfder tijd ontstonden zijn eerste, nog onder laat-romantische invloeden geschreven liederen op. 2 en 3 (1899) en het strijksextet Verklärte Nacht (1899). Na zijn huwelijk met Zemlinsky's zuster Mathilde (1901) verhuisde hij naar Berlijn, waar hij dirigent werd aan het cabaret van Ernst von Wolzogen, Überbrettl.

Werk

Op aanbeveling van Richard Strauss werd hij benoemd tot compositieleraar aan het Stern-conservatorium. In 1903 keerde hij terug naar Wenen, waar hij docent werd aan de reformschool van Eugenie Schwarzwald, en o.a. Alban Berg, Anton Webern, Erwin Stein en Egon Wellesz tot leerlingen had. Uit deze jaren dateert zijn vriendschap met Gustav Mahler, die zich voor zijn muziek inzette. Een belangrijk keerpunt in Schönbergs componeren vormen de jaren 1907–1908, met werken als het 2de strijkkwartet op. 10 (met sopraansolo) en de liedcyclus Das Buch der hängenden Gärten (op gedichten van Stefan George), waarin hij voor het eerst het tonale systeem losliet. Kort daarop ontstonden de Drei Klavierstücke op. 11 (1909) en de Fünf Orchesterstücke op. 16 (1909), waarin de atonaliteit een feit is geworden. In 1911 leidde hij andermaal een cursus aan het Stern-conservatorium. Het jaar daarop ging zijn melodrama Pierrot Lunaire in première, waarmee hij voorgoed zijn naam vestigde. Een concertreis door Europa voerde hem o.m. naar Amsterdam, waar hij in 1914 eigen werk (o.a. het symfonische gedicht Pelléas et Mélisande, 1902–1903) dirigeerde in het Concertgebouw.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen zijn ideeën omtrent een nieuwe methode van componeren met twaalf direct op elkaar betrokken tonen tot rijping (zie twaalftoontechniek). Zijn compositiecursus aan de Weense Schwarzwaldschool zette hij vanaf 1917 voort in zijn eigen huis te Mödling. Van zijn leerlingen werkten o.a. Rudolf Kolisch, Eduard Steuermann en Erwin Ratz mee aan de uitvoeringen van de in 1918 opgerichte Verein für musikalische Privataufführungen. De winter 1920–1921 bracht Schönberg met zijn gezin en een aantal leerlingen door in Nederland, waar hij uitvoeringen leidde van eigen werk (o.a. de Gurrelieder, 1900–1911; koorwerk op tekst van J.P. Jacobsen) en tevens een analysecursus gaf.

2.1 Twaalftoonsysteem

In het begin van de jaren twintig vond zijn nieuwe ‘twaalftoonsysteem’ voor het eerst toepassing in een reeks composities, w.o. de Fünf Klavierstücke (1920–1923), de suite voor piano op. 25 (1920–1923) en het blaaskwintet op. 26 (1924). Vanaf dat ogenblik kwam een stroom van nieuwe werken los, waarvan het 3de strijkkwartet op. 30 (1927) en de Variationen für Orchester op. 31 (1928) de onbetwiste hoogtepunten vormen. De Berlijnse Akademie der Künste benoemde hem in 1925 tot compositieleraar; in 1933 werd hij als ‘niet-ariër’ ontslagen.

2.2 Amerikaanse periode

Met zijn tweede vrouw, Gertrud Kolisch, emigreerde hij via Frankrijk naar de Verenigde Staten. Korte tijd doceerde hij aan het Malkin-conservatorium in Boston en in New York. Van 1936 tot 1944 leidde hij een compositieklas aan de universiteit van Californië in Los Angeles. Hoewel het twaalftoonsysteem het uitgangspunt van al zijn latere werken bleef, werd het in Schönbergs zgn. Amerikaanse periode aanzienlijk minder streng gehanteerd en niet zelden aan min of meer tonale structuren dienstbaar gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de suite in G voor strijkers (1934), Thema und Variationen für Blasorchester (1943) en het declamatorium A survivor from Warsaw (1947).

3. Waardering

Zowel Schönbergs atonale muziek uit de jaren 1909–1913 als zijn twaalftoonmuziek vanaf 1923 hebben onuitwisbare sporen nagelaten. Niet omdat zij de nadien gecomponeerde muziek van een blijvend fundament hebben voorzien – dat is niet het geval geweest –, maar omdat hiermee het einde werd verklaard aan het denkbeeld van een algemeen geldend stelsel van harmonie- en stemvoeringsregels en sindsdien in de westerse kunstmuziek tal van muzieksystemen gelijkberechtigd naast elkaar bestaan. Dat Schönberg zijn eigen systeem in dienst stelde van de ontwikkeling van de muziek in haar totaliteit, stempelt hem eerder als een traditionalist dan als een revolutionair. Er zijn wel meer kanttekeningen te maken bij het revolutionaire gehalte van zijn werk, nog afgezien van de bezwaren die hij zelf tegen een eenzijdige benadrukking van dit aspect had: zijn opvatting van muziek als toegang tot het absolute is van 19de-eeuwse herkomst, en zijn nieuwe toonordening heeft hij in eerste aanleg toegepast binnen de strikte kaders van de traditionele, klassieke vormschema's, om haar daarbij te gebruiken voor een in wezen hoog-romantisch espressivo. Dit laatste is er oorzaak van geworden dat zijn eerdere atonale werk soms meer overtuigt dan zijn stukken in het twaalftoonsysteem, welk systeem pas tot volledige ontwikkeling is gebracht door zijn leerlingen, van wie Anton Webern, Alban Berg en Hanns Eisler de belangrijksten zijn.

Sinds 1974 is Schönbergs woonhuis in Mödling ‘Gedenk- und Forschungsstätte’. In 1977 is op de campus van de University of Southern California in Los Angeles een Schoenberg Institute geopend, dat ook regelmatig een Journal publiceert.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Kammersymphonie op. 9 (1906); Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene op. 34 (1930); vioolconcert (1934); Kammersymphonie nr. 2 (1906–1939); pianoconcert (1942). – Kamermuziek: strijkkwartet nr. 1 (1905); Serenade (1921– 1923; v. klarinet, basset-hoorn, mandoline, gitaar, viool, altviool, cello en bariton); strijkkwartet nr. 4 (1936); strijktrio (1946); Phantasie v. viool en piano (1949). – Pianomuziek: Sechs kleine Klavierstücke (1911); Klavierstücke op. 33A (1928); idem op. 33B (1931). – Orgel: Variationen über ein Rezitativ (1941). – Opera: Erwartung (monodrama; Marie Pappenheim; 1909; P. 1924); Die glückliche Hand (eigen tekst; 1908–1913; 1924); Von Heute auf Morgen (M. Blonda; 1928–1929); Moses und Aron (eigen tekst; 1930–1932, onvolt.; P. 1954). – Melodrama's: Kol Nidre (1938; spreker, koor en ork.); Ode to Napoleon Bonaparte (Byron; 1942); Moderner Psalm (eigen tekst; 1950, onvolt.). – Koorwerken: Friede auf Erden (1907); Die Jakobsleiter (eigen tekst; 1917, onvolt.); Vier Stücke (1925); Drei Satiren (1925); Sechs Stücke (1929–1930); Drei Mal Tausend Jahre (D.D. Rumes; 1949); Psalm 130 De Profundis (1950). – Voorts: liederen. – Geschriften: Harmonielehre (1911; herz. 1921); Models for beginners in composition (1947); Structural functions of harmony (1946; opnieuw bew. 1969); Preliminary exercises in counterpoint (1964).

UITG: A. Schoenberg, Style and idea d. E. Stein (1950; herz. en uitgebr. 1975); Ausgew. Briefe, d. idem (1958; Eng. verm. uitg. 1964); Briefwechsel A. Schönberg-Fr. Schreker, d. F.C. Heller (1974); A. Schönbergs Berliner Tagebuch. Mit einer Hommage an Schönberg, d. J. Rufer (1974); A. Schönberg-W. Kandinsky. Ein Briefwechsel mit Bildern und Dokumenten, d. J. Hahl-Koch e.a. (1984); The Berg-Schoenberg correspondence: selected letters d. J. Brand e.a. (1987).