Russische Revolutie
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Russische Revolutie
2. Het historisch verloop van februari tot oktober 1917

Het Russische tsarisme was begin 1917 ernstig verzwakt door de Eerste Wereldoorlog: de nederlagen en verliezen in de oorlog, de campagne die de liberalen in de rijksdoema tegen de regering voerden, het gedrag van de keizerin (Alexandra Fjedorovna Romanova) en haar gunsteling Raspoetin hadden het ancien régime ondermijnd. Op langere termijn had de enorme kloof tussen grondbezitters en ondernemers enerzijds en het boeren- en arbeidersproletariaat anderzijds voldoende basis gelegd voor een omwenteling.

2.1 Broodoproer

Op 17 februari (oude stijl; 2 maart nieuwe stijl) brak in Petrograd een broodoproer uit. Onderdrukking hiervan mislukte door muiterij van de soldaten, die weigerden op het volk te schieten. Om de orde te herstellen stelde de doema een voorlopig uitvoerend comité in, terwijl inmiddels arbeiders en soldaten zelf al raden (sovjets) hadden gevormd. De legerleiding, die het vertrouwen in de tsaar had verloren, koos de zijde van de doema, waardoor de tsaar genoodzaakt was tot troonsafstand (2 maart) ten gunste van zijn broer Michaël, die echter van opvolging afzag. Politici van de doema vormden toen een voorlopige regering onder voorzitterschap van vorst Lvov, met Miljoekov op Buitenlandse Zaken. Laatstgenoemde was leider van de invloedrijkste liberale partij, die van de Kadetten. In deze regering had slechts één socialist zitting: Aleksandr Kerenski.

2.2 Eerste radencongres

De socialisten, in twee kampen verdeeld, dat van de socialisten-revolutionairen en dat van de sociaaldemocraten, welke groeperingen onderling ook weer verdeeld waren, bleken echter meer invloed op de massa te hebben dan de liberalen. Naar het voorbeeld van Petrograd richtten zij overal in het land sovjets op, die hun de massaorganisatie verschaften die zij onder het oude bewind niet hadden kunnen opbouwen. Omdat er nog een enorme chaos heerste, was van een werkelijke organisatie nog weinig sprake en derhalve trachtten zij de verspreide sovjets in één verband te brengen door middel van provinciale en landelijke congressen. Het eerste al-Russische radencongres, dat in juni bijeenkwam, koos een centraal uitvoerend comité, dat tegenover de voorlopige regering optrad als vertegenwoordiger van alle sovjets.

2.3 Zwakke voorlopige regering

De positie van de voorlopige regering was zwak. De doema, op grond van een niet langer aanvaard censuskiesrecht gekozen, was van het toneel verdwenen, evenals de politie. Het gezag van de legerofficieren werd onder de soldatenraden gesteld, overeenkomstig het befaamde Bevel nr. 1 van de Petrograadse sovjet. In feite bestond er een dyarchie, waarbij het plaatselijke bestuur veelal door de sovjets werd uitgeoefend. Het programma van de voorlopige regering: een liberale staatsvorm, voortzetting van de oorlog, geen opheffing van het grootgrondbezit, had weinig aantrekkelijks voor de massa en sloeg niet aan.

2.4 Bolsjeviki

Een betoging tegen de oorlogsgezinde minister Pavel Miljoekov in april 1917 (de ‘aprildagen’) maakte duidelijk dat de voorlopige regering zich niet zou kunnen handhaven zonder deelneming van de socialisten. Op 5 mei werd een coalitieregering gevormd waarin de socialisten Kerenski en Tsereteli de invloedrijkste ministers waren, die de strijdvaardigheid van het leger wilden opvoeren en de bondgenoten bewegen tot een compromisvrede. Deze politiek van de gematigde socialisten werd heftig bestreden door de bolsjeviki (zie bolsjevisme). Hun leider, Lenin, wees elk contact met de overige socialisten af en propageerde: alle macht aan de sovjets, vrede zonder annexaties, brood en land.

2.5 Offensief in Galicië

Kerenski bereidde als minister van Oorlog door propaganda een offensief in Galicië voor, dat 1 juli begon en 6 juli in een zware nederlaag uitmondde. Het nieuws van dit offensief verwekte in Petrograd een oproer onder de leuze ‘alle macht aan de sovjets’ (3–16 juli). Het centrale uitvoerende comité van de sovjets weigerde evenwel voor de druk van de bolsjeviki, die de leiding van de spontane revolte hadden genomen, te zwichten, mede onder invloed van de door de voorlopige regering geuite beschuldiging dat Lenin een Duits agent was. De beweging verliep en werd door regeringsgetrouwe troepen onderdrukt. De bolsjevistische partij werd verboden, de leden werden vervolgd. Lenin vluchtte, Lev Trotski werd gearresteerd.

De na de julidagen gevormde nieuwe coalitieregering onder Kerenski hield vast aan het oude programma, dat door de nederlaag in Galicië en de weigering van de bondgenoten om vredesonderhandelingen te beginnen niet voor verwezenlijking vatbaar was gebleken. Liberalen en conservatieven, die hun invloed hoopten te herwinnen via een militaire dictatuur, hielden het oog gevestigd op de opperbevelhebber, generaal Kornilov, die op 27 augustus in opstand kwam en troepen naar Petrograd dirigeerde. Zijn soldaten, bewerkt door de socialisten, pleegden echter massaal insubordinatie en de putsch mislukte. De nederlaag kwam niet de regering ten goede, maar de bolsjeviki.

2.6 Machtsvacuüm

In afwachting van de verkiezingen voor de constituerende vergadering, die steeds werden uitgesteld, trachtte Kerenski steun te vinden bij een ‘democratische conferentie’ en vervolgens bij een ‘raad van de republiek’. Hij kreeg steeds minder vat op het land; in feite ontstond er door zijn besluiteloos optreden een machtsvacuüm. De boeren gingen in veel sterkere mate dan al het geval was landgoederen in bezit nemen, terwijl de fabrieksarbeiders zich in groten getale onder de vlag van de bolsjeviki schaarden, die dan ook in de stadssovjets van Petrograd en Moskou de meerderheid kregen.

2.7 Gewapende opstand

Eind september achtte Lenin de tijd voor een opstand gekomen. Vanuit zijn schuilplaats in Finland schreef hij aan het centrale comité van zijn partij: ‘De geschiedenis zal het ons niet vergeven indien wij nu niet de macht in handen nemen’. De leidende bolsjeviki waren weinig geestdriftig, maar op een vergadering van het centrale comité op 10 oktober, waarop Lenin aanwezig was, werd een resolutie aangenomen, met de stemmen van Lev Kamenev en Grigorij Zinovjev tegen, waarin de gewapende opstand onvermijdelijk en de tijd ervoor rijp genoemd werd. Trotski, inmiddels voorzitter van de Petrograadse sovjet, bereidde de uitvoering van de opstand voor. Een militair-revolutionair comité werd opgericht en als streefdatum nam men de bijeenkomst van het tweede al-Russische radencongres.

Op 25 oktober (7 november) bezetten troepen van genoemd comité strategische punten in de stad. De regering, die geen betrouwbare troepen op de been kon brengen, zag zich in de volgende nacht van haar zetel, het Winterpaleis, en van haar bestaan beroofd. De ministers werden gearresteerd. Kerenski, die al eerder de stad had verlaten, trachtte vergeefs met een handvol kozakken Petrograd te heroveren (30 oktober). In Moskou boden de tegenstanders van de bolsjeviki een week lang verzet. Behalve in Zuid-Rusland stuitten de bolsjeviki aanvankelijk nergens op ernstige tegenstand.

2.8 Bolsjevistische regering

Op 26 oktober begon het tweede al-Russische congres van de sovjets, waar de bolsjeviki de meerderheid hadden en waar op voorstel van Lenin een geheel bolsjevistische regering werd gekozen, de eerste raad van volkscommissarissen, zich noemend ‘voorlopige arbeiders- en boerenregering’.

Zie voorts Sovjet-Unie § geschiedenis.