| Rusland | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 5. Rusland onder het Huis Romanov |
(1613–1917). Aan een oproep van de geestelijkheid om het vaderland te redden gaven talrijke steden (het eerst Nizjnij Novgorod) gehoor, en ook vele edelen. Er werd een voorlopig bewind gevormd. Een landsvergadering (zemski sobor) werd bijeengeroepen en koos Michael, de zoon van Fjodor Romanov, tot tsaar (1613). Na enige tijd was de oude orde in het binnenland weer hersteld.
Onder Michaels opvolger, tsaar Aleksej (1645–1676), brak in 1648 tegen het corrupte bestuur van diens voogd en gunsteling Morozov een oproer uit, dat de aanleiding werd tot een hervorming in de wetgeving. Goedgekeurd door de landsvergadering, kwam in 1649 de Oelozienië tot stand, een wetboek, dat tot 1833 gegolden heeft. In het algemeen bonden de bepalingen ervan de mensen, speciaal de lijfeigenen, verder aan hun meesters en aan de dienst aan de staat.
Een bron van onrust was de zgn. raskol, een scheuring in de kerk. De raskolniki, die niet konden meegaan met de hervormingen van patriarch Nikon, sloten zich later dikwijls bij de sociaal ontevredenen aan. Een opstand van de Dnepr-kozakken onder Chmelnitski leidde tot een Russisch-Poolse Oorlog (1654–1667). Bij het Bestand van Androesjovo verwierf Rusland Smolensk en de Oekraïne ten oosten van de Dnepr, benevens Kiëv.
| 5.1 Peter de Grote |
Een belangrijk keerpunt in de Russische geschiedenis vormt de regering van Peter de Grote (1689–1725). Hij streefde naar een politiek van europeanisatie (vooral militair, maritiem en technisch), waardoor Rusland in staat was als grote mogendheid op te treden, met name tegen Zweden. De strijd tegen Karel XII van Zweden, de zgn. Grote Noordse Oorlog, vult verder voor een belangrijk deel Peters regering. In 1721 verwierf Rusland bij de Vrede van Nystad een groot stuk Oostzeekust en nam daarmee Zwedens rol van grote mogendheid aan de Oostzee over. In zijn binnenlandse politiek bracht Peter geen diepgaande maatschappelijke hervormingen teweeg, maar hij versterkte de autocratie en de dienstbaarheid van alle onderdanen aan de staat, terwijl ook, tegen Peters bedoeling in, het lot van de boeren werd verzwaard. Hij moderniseerde het bestuursapparaat en bracht de kerk volkomen onder staatsgezag. Symbolisch voor de westerse gerichtheid was dat Peter het door hem gestichte Sint-Petersburg tot hoofdstad maakte in plaats van het oude Moskou. Hij verminderde de macht van de strelitzen en bestrafte hun verzet met een volledige opheffing (1698). Peter heeft bereikt dat Rusland voortaan als grote mogendheid in Oost-Europa kon optreden, terwijl binnenslands Europese zeden en denkbeelden tot de hogere klassen in veel sterkere mate dan vroeger begonnen door te dringen.
| 5.2 Catharina II |
De eigenlijke voortzetster van zijn politiek is Catharina II, na 1762. Daartussenin ligt een periode van terugslag, niet in de zin van een oud-Moskovische reactie, maar als een tijd van hofintriges, paleisrevoluties en gunstelingenheerschappij. In deze periode werd de werkelijke regering door gunstelingen als Biron en adviseurs als Ostermann, Münnich, Sjoevalov en Bestoezjev-Rjoemin uitgeoefend. Catharina II (1762–1796) heeft de westerse, vooral de Franse, beschaving sterk onder de Russische aristocratie verbreid. De positie van de adel, in de voorafgaande periode van onzeker bestuur door allerlei privileges aanzienlijk versterkt, werd bevestigd door de Genade-oorkonde (1785), waarbij hun verder een grote mate van zelfbestuur werd toegestaan. De situatie van de lijfeigenen bereikte een dieptepunt, waarin de positie van de boeren niet zoveel meer van slavernij verschilde. Talrijke ontevreden sociale en nationale elementen werden verenigd in de grote boerenopstanden van Poegatsjov (1773–1775), terwijl ook in hogere kringen zich een maatschappijkritische geest begon te manifesteren, met name in het werk van Novikov en Radisjtsjev. Naar buiten behaalde de regering van Catharina grote successen. In een tweetal oorlogen met Turkije (1768–1774 en 1787–1792) werd de Zwarte-Zeekust tot aan de Dnestr veroverd en daarbij het chanaat van de Krim onderworpen. Door de drie Poolse delingen verwierf Rusland aanzienlijke gebiedswinst in westelijke richting. Ten slotte lijfde Catharina nog Koerland in (1795). Haar zoon en opvolger, Paul (1796–1801) sloot vriendschap met de in 1799 in Frankrijk aan de macht gekomen Napoleon, in wie hij de temmer van de revolutie zag.
| 5.3 De 19de en begin 20ste eeuw |
In de regering van zijn opvolger, Alexander I (1801–1825), zijn duidelijk twee perioden te onderscheiden. In zijn eerste regeringsjaren toonde Alexander een liberale gezindheid door met een ‘onofficieel comité’ allerlei plannen tot hervorming uit te werken, waarvan evenwel niet veel terechtkwam. De regeringsperiode van 1815 tot 1825 werd gekenmerkt door een sterke reactie, waarin Alexander opkomende liberale gedachten onderdrukte en zich overgaf aan een religieus-mystiek denken. Het bestuurswerk liet hij over aan de uiterst conservatieve Araktsjejev. Toen Alexander plotseling stierf, bleek uit de opstand van de dekabristen hoezeer onder de hogere standen de ontevredenheid reeds wortel had geschoten. De buitenlandse politiek van Alexander was wisselend. Na enige aarzeling sloot hij zich aan bij Engeland en Oostenrijk (derde coalitie) en ook na de Slag bij Austerlitz (1805) bleef Rusland in oorlog. Maar na de nederlaag bij Friedland (1807) in de Vierde Coalitieoorlog veranderde Alexander bij de vredesonderhandelingen te Tilsit van houding. Hij sloot vriendschap met Napoleon en profiteerde daarvan zeer. Toch was het Franse bondgenootschap in Rusland niet populair: de handel op Engeland, die nu stagneerde, was voor Rusland zeer gunstig geweest. In 1812 kwam de breuk. Er volgden de inval van Napoleon in Rusland, de Slag bij de Moskva, de bezetting en de brand van Moskou en de ondergang van de Grande Armée op de terugtocht. Rusland had een voornaam aandeel in de Zesde Coalitieoorlog en de daaropvolgende vredessluitingen. Het verwierf bij het Congres van Wenen het grootste deel van Polen (in personele unie) en behield Finland. In de conservatieve politiek van de Grote Alliantie speelde Rusland naast Oostenrijk een belangrijke rol.
Nicolaas I (1825–1855) voerde een streng, reactionair bewind. Dit uitte zich in de toenemende, stelselmatig onderdrukte oppositie in stromingen als slavofielen, zapadniki, Petrasjevski-kring. Ook de buitenlandse politiek van Nicolaas vertoonde trekken van starheid en leidde ten slotte tot het echec van de Krimoorlog. De voorwaarden bij de Vrede van Parijs waren voor Rusland weinig gunstig: het werd van de Donaumond afgesneden en de Zwarte Zee werd geneutraliseerd.
Alexander II (1855–1881) stond voor de taak ingrijpende binnenlandse hervormingen door te voeren. De belangrijkste hervorming was de opheffing van de lijfeigenschap, die haar beslag kreeg in 1861.
Voorts vond in 1864 een hervorming van het lokale bestuur plaats door de instelling van de zelfbesturende zemstvo's, waarin afgevaardigden van landeigenaren, mir en van stedelingen zitting hadden. Belangrijke oppositionele denkers in deze tijd waren Herzen, Bakoenin, Tsjernysjevski, Lavrov en Tkatsjov. Vele jonge intellectuelen, zgn. narodniki, gingen in de jaren zeventig ‘tot het volk’ om de boeren tot ontwikkeling en bewustwording te brengen. De teleurstellende resultaten deden een radicale stroming veld winnen: de organisatie Narodnaja Volja, die zich op terrorisme toelegde en verscheidene hooggeplaatste beambten, officieren en ten slotte ook de tsaar wist te vermoorden.
De goede verhouding met Pruisen resp. Duitsland werd bevestigd en die met Oostenrijk hernieuwd door de Driekeizerentente van 1872. Verwijdering kwam evenwel opnieuw door de verwikkelingen op de Balkan vanaf 1876. De harde Turkse onderdrukking van de opstanden in Bosnië-Hercegovina en in Bulgarije, alsmede de tegenslagen die Servië en Montenegro in hun daarop aangevangen oorlog met Turkije ondervonden, wekten een sterk nationalistisch-panslavistische stemming in Rusland, zodat Rusland de oorlog verklaarde aan Turkije (1877–1878). Na harde strijd werd Turkije gedwongen tot de Vrede van San Stefano. Wegens de dreigende houding van Oostenrijk en Groot-Brittannië moest deze preliminaire vrede herzien worden, wat plaatsvond op het Congres van Berlijn (1878).
Tijdens Alexander I begon de grote expansie in het Transkaspische gebied; veroverd werden Tasjkent (1865), Samarkand (1868) en het chanaat Chiwa (1873), terwijl de chanaten Boechara (1868) en Kokand (1876) Russische vazalstaten werden. Dit bracht Rusland aan de grenzen van Afghanistan. In het Verre Oosten werd het Amoer-bekken van het zwakke China gewonnen.
Alexander III (1881–1894) onderdrukte elke vorm van oppositie. De hervormingen van zijn voorganger werden vrijwel uitgehold. Pogingen van de regering om het economisch verval van de adel te stuiten, baatten weinig. Geheel in reactionaire geest was ook de russificatiepolitiek in Polen en de Baltische provincies. De buitenlandse politiek van Alexander III was gericht op vrede. Toenadering tot Frankrijk liep uit op het Russisch-Franse defensieve verbond van 1893, terwijl het met Duitsland na de val van Bismarck tot een breuk kwam. In 1891 werd begonnen met de bouw van de Transsiberische spoorlijn, die kolonisatie van Oost-Siberië in versneld tempo mogelijk maakte.
Het Russische economische en militaire imperialisme in Oost-Azië stuitte tijdens het bewind van Nicolaas II (1894–1917) op de rijzende macht van Japan. Na de Russische weigering om Mantsjoerije, dat door Rusland bezet was na de Bokser-opstand in China (1900), in de afgesproken termijn te ontruimen, brak de oorlog met Japan uit (1904–1905). In het binnenland bracht de oorlog een uitbarsting van ontevredenheid met zich, die de regering een volksvertegenwoordiging, doema, deed beloven. Toen in aug. 1905 bekend werd dat deze slechts een raadgevende stem zou hebben, brak in de herfst een algemene staking uit die de regering noopte tot een manifest waarbij burgerlijke vrijheden werden afgekondigd, terwijl een doema met democratisch kiesrecht gekozen het recht van goedkeuring van de wetten zou krijgen. Toen de eerste doema stelling koos tegen de regering, werd ze evenwel ontbonden. De voornaamste partijen erin waren de kadetten en de socialisten-revolutionairen. Een tweede doema, waaraan ook de Russische sociaal-democratie deelnam, was nog radicaler van samenstelling en onderging hetzelfde lot. De regering voerde nu, tegen de bestaande wetten in, een wijziging van het kiesrecht door in conservatieve zin; de op grond hiervan gekozen derde doema van 1907 bleek dan ook in meerderheid reactionair-nationalistisch. De regering ging onder Stolypins leiding steeds meer de weg van de reactie op. Wel trachtte ze de agrarische toestanden te verbeteren door opheffing van de mir en ruilverkaveling, om zodoende een gezeten, conservatieve boerenklasse te bevorderen. Rusland ging in 1914 de oorlog in met een op de conservatieve kringen (adel en kapitalisten) steunende regering, een gematigde doema (de vierde, in 1912 gekozen), die steeds meer met haar in conflict raakte, en een tegenover het bestaande regime vijandig staande massa van boeren, arbeiders en intellectuelen. De Eerste Wereldoorlog bracht de zwakte van het tsaristisch regime opnieuw aan het licht. In maart 1917 ontbond de regering de doema, toen deze om kabinetswijziging had gevraagd. Daaruit ontstond de revolutie, die de val van het tsarenbewind en de overwinning van het bolsjevisme bracht.
Zie voorts Russische Revolutie en Sovjet-Unie§ geschiedenis en Russische Federatie.