| Rusland | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Het Rijk van Kiëv |
(ca. 880–1240). De werkelijke stichter van de Russische staat was Oleg, Ruriks opvolger te Novgorod, die ca. 880 Kiëv veroverde. Onder zijn opvolgers nam de Varjagische heerschappij over het uitgestrekte rijk ondanks tijdelijke tegenslagen vastere vormen aan, waarbij de van oorsprong Scandinavische bovenlaag van gevolgslieden-krijgers door de Slavische bevolking snel werd geassimileerd. Voor de opbouw van de Russische staat was voorts van groot belang dat de verering van tribale godheden van de Slaven plaats maakte voor een uniforme staatseredienst. Vladimir de Heilige (980–1015), die aanvankelijk getracht had de cultus van de dondergod Peroen door te zetten, sloot in 988 een huwelijk met de Byzantijnse keizersdochter Anna, dat de overgang tot het orthodoxe christendom bezegelde. De kerstening bracht Rusland in de kring van de Byzantijnse beschaving en deed het, althans na 1054, van de westerse en de Scandinavische wereld vervreemden. De regering van Vladimirs zoon Jaroslav de Wijze (1019–1054) betekende het hoogtepunt van het rijk van Kiëv-Roes, dat tot de rijkste en machtigste in de christenheid behoorde. In de tweede helft van de 11de eeuw was een neergang te zien. De winstgevende karavaan- en zeehandel werd verstoord door regelmatig terugkerende invallen van de steppenomaden. Het Slavische stelsel van erfopvolging (senioraat) leidde tot een versnippering van het rijk onder de afzonderlijke vorstenzonen, die als deelvorsten hun eigen machtsbereik onafhankelijk van de centrale macht van de grootvorst van Kiëv maakten en hun gebied weer verder onder hun mannelijke nakomelingen verdeelden.
Het meest westelijk gelegen deelvorstendom Galicië, dat het sterkst de westerse invloeden onderging, ontwikkelde zich tot een half feodale staat, waarin de vorst zijn macht met de magnatenadel (de bojaren) moest delen. Novgorod, in het noorden, werd een welvarende stadsrepubliek, waar de burgerij in haar vergaderingen (vetsje) het beleid bepaalde, terwijl de gekozen vorst slechts militaire bevoegdheden behield. Geheel anders was de toestand aan de Volga en de Oka, in het deelvorstendom Vladimir-Soezdal. Door een gestadige toevloed van vluchtelingen uit het bedreigde zuiden, die zich hier vestigden, nam het sterk in betekenis toe, doch het weinig vruchtbare land met zijn barre klimaat bood hun slechts beperkte mogelijkheden.
Het verzwakte en verdeelde Rusland bleek in de 13de eeuw niet meer in staat zijn belagers van west en oost het hoofd te bieden. Zweden, dat Finland onderwierp, en de Duitse Orde, die de Oostzeegewesten veroverde, bedreigden het aan de noordwestkant, terwijl de Litouwers Zwart-Rusland, Polotsk en andere deelvorstendommen inpalmden.
Onder Batoe Chan vielen de Mongolen in 1237 vanuit het oosten Rusland binnen. Met uitzondering van Novgorod werden binnen enkele jaren alle grote Russische centra veroverd en verwoest. In dec. 1240 werd Kiëv bestormd, uitgemoord en platgebrand – een ramp waarvan het zich pas na eeuwen zou herstellen.