| piano [muziekinstrument] | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
piano [muziekinstrument] (afkorting van het Italiaans: pianoforte; piano = vlak, zacht, forte = sterk, luid; Duits: Klavier; Fr. en Eng.: piano), snaar-, tevens toetsinstrument, waarbij de snaren in trilling worden gebracht door hamers met vilten koppen die in beweging worden gebracht door middel van toetsen en een hamermechaniek. De versterking van de trillingen vindt plaats door middel van de zangbodem (resonansbodem). De piano heeft zich in drie hoofdvormen ontwikkeld, nl. tafelvormig, rechtopstaand en in vleugelvorm. Naast deze traditionele piano's ontstond in de 20ste eeuw de elektronische piano.
| 1. Traditionele piano's |
| 1.1 Bouw |
De onderdelen van de vleugel en van de piano zijn ongeveer aan elkaar gelijk en bestaan uit een houten raam (rast), gemaakt van dikke balken van hard hout, waarop de zangbodem komt te liggen. Deze is vervaardigd uit smalle plankjes van gedroogd dennenhout, die aan elkaar gelijmd en gelakt worden. Aan de onderkant bevinden zich smalle latten (spreitsen), terwijl aan de bovenkant meestal twee houten kammen zijn gelijmd. Boven de zangbodem wordt het ijzeren raam geplaatst, om aan de spanning van de snaren weerstand te bieden. Aan de achterzijde bevinden zich de aanhangstiften, die dienen als bevestigingspunten voor de snaren, terwijl zich aan de voorzijde de stemschroeven bevinden, die door openingen in het ijzeren raam in het stemblok daaronder worden gedreven. Door de stemschroeven, die in het stemblok draaibaar zijn, worden de snaren gespannen en op toon gehouden. De snaren worden bij het kruissnarige systeem over twee kammen geleid, waarvan de grootste over de gehele breedte van de zangbodem waaiervormig is uitgespreid en de kleinste aan de linkerkant achter de grote ligt en hoger is. Over de eerste lopen de dunne diskantsnaren, over de tweede de dikke, omwonden bassnaren. In het laagste octaaf wordt voor elke toets één omwonden snaar gespannen; daarnaast komen over de omvang van ca. twee octaven voor elke toets twee snaren te liggen, terwijl de overige toetsen van drie snaren zijn voorzien. Boven (of onder) de snaren zijn de dempers aangebracht, bestaande uit repen vilt, aan verticale staafjes bevestigd, die zijn verbonden aan een lijst welke met het rechterpedaal in verbinding staat. Over de gehele breedte van het instrument zijn de toetsen aangebracht, nl. witte en zwarte. Zij zijn aan de voorzijde met ivoor of ebbenhout belegd; thans worden zij meestal geheel uit kunststof vervaardigd. De witte toetsen liggen alle naast elkaar, terwijl de zwarte iets hoger tussen de witte zijn aangebracht. De omvang van het toetsenbord varieert en omvat gewoonlijk ruim zeven octaven: van A–c5. Aan de onderzijde zijn twee pedalen in een zgn. pedaallier aangebracht. Het rechterpedaal doet de dempers omhooggaan, terwijl het linkerpedaal bij de vleugel het toetsenbord doet verschuiven, bij de piano de hamermechaniek dichter bij de snaren brengt. Sommige piano's hebben een derde pedaal ter bediening van een dempingsmechanisme voor bijv. studiedoeleinden of een derde sostenuto-pedaal (Duits: Tonhaltungspedal, Eng.: sustaining-pedal), waarmee, indien gelijktijdig neergedrukt met het aanslaan van een of meer toetsen, een toon of een akkoord doorklinkt, terwijl de erna gespeelde tonen niet doorklinken.
| 1.2 Geschiedenis van de pianobouw |
De ontwikkeling van de piano begint bij het monochord, door Pythagoras in de 6de eeuw v.C. gebruikt voor het onderzoek naar de toonverhoudingen. Het monochord werd in de middeleeuwen van steeds meer snaren voorzien en waarschijnlijk zijn er in de 12de eeuw toetsen bij aangebracht en is aldus het klavichord ontstaan, dat zich naast het enige tijd later ontstane psalter handhaafde, totdat men behoefte kreeg aan een instrument waarop men zowel zacht (piano) als luid (forte) kon spelen. Tussen 1440 en 1700 werden verschillende pogingen ondernomen om de snaren door middel van een hamermechaniek tot klinken te brengen, resulterend in het ontwerp van de ‘gravicembalo col piano e forte’ (1709) van Bartolommeo Cristofori, de oervorm van de piano. Het instrument werd ook cembalo a martelli (Ital., = hamerklavier) genoemd.
Bij de verdere ontwikkeling van de piano stelde vooral de mechaniek de bouwers voor problemen. Gottfried Silbermann werkte het principe van Cristofori uit tot de Stossmechanik (waarbij een opstoter de hamer tegen de snaren doet slaan), terwijl C.G. Schröter in Dresden (1717) twee modellen van een hamermechaniek liet construeren, die uitgangspunt waren voor de ontwikkeling van de Prellmechanik (waarbij de hamer, achter op de toets bevestigd, direct tegen de snaar slaat, zonder behulp van een opstoter). In Duitsland werd in de tweede helft van de 18de eeuw de Prellmechaniek verbeterd tot de Duitse mechaniek (J.A. Stein); in Engeland groeide de Stossmechaniek uit tot de Engelse mechaniek (Broadwood), die in Frankrijk werd omgevormd tot de thans in principe nog algemeen toegepaste repetitiemechaniek (méchanique à double échappement), in 1822 te Parijs ontworpen door Sébastien Érard, waardoor het snelle herhalen van een zelfde toon mogelijk werd. Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de piano was voorts de uitvinding van het kruissnarige systeem (zie hierboven: § bouw) door A. Babcock in 1830. Nadat Steinway & Sons (New York) er in 1855 de definitieve vorm aan hadden gegeven, werd dit systeem algemeen ingevoerd.
Ook met de vorm van de piano is aanvankelijk veelvuldig geëxperimenteerd; zo werden bijv. tot ca. 1850 grote aantallen van de tafelpiano geproduceerd. Later kreeg, onder Engelse invloed, de vleugelvorm in allerlei varianten de overhand (bijv. giraffepiano). Ook de eerste pianino's – voorgangers van de huidige rechtopstaande piano – werden reeds vóór 1800 gebouwd.
Ten aanzien van allerlei onderdelen van de piano werden in de loop van de 19de en 20ste eeuw experimenten ondernomen. Vermeld kunnen hier worden het in 1824 door Staufer en Haidinger geconstrueerde Rundbogenklavier, met een in een boog gebouwd toetsenbord, het Jankóklavier, ontworpen in 1882 door Paul von Jankó, en het in 1892 door Förster gebouwde Vierteltonklavier om kwarttonen te kunnen spelen. In 1909 ontwierp F. Clutsam een toetsenbord met toetsen die smaller waren dan normaal en straalvormig werden geplaatst. P. Hans trachtte in 1920 de pianotechniek te vergemakkelijken door twee toetsenborden boven elkaar te plaatsen, waarbij het bovenste een halve toon hoger gestemd was dan het onderste. E. Moor bouwde in 1927 de Duplex-coupler, eveneens met twee klavieren, waarbij het bovenste een octaaf hoger was gestemd dan het onderste. Ook werd de elektronica toegepast o.a. bij de neo-Bechsteinvleugel, waarbij de klank door elektrische buizen wordt geproduceerd. De zgn. superpiano benut de stroomveranderingen die door een foto-elektrische cel en een schijf worden veroorzaakt.
| 1.3 Geschiedenis van de pianomuziek |
Een speciale, aan het karakter van het instrument aangepaste klaviermuziek ontstond eind 16de eeuw bij de Engelse virginalisten. Zij oefenden grote invloed uit op de klaviermuziek van de Nederlander Jan Pieterszoon Sweelinck, die graag fantasieën op de manier van een echo (afwisselend forte en piano) schreef. In Italië gingen componisten als Adriaan Willaert, Andrea Gabrieli en Giovanni Gabrieli van de vocale muziek uit en schreven Ricercari per ogni sorte di stromenti da tasti. Het virtuoze element kwam bij Claudio Merulo. De Romeinse organist Girolamo Frescobaldi gaf in 1614 zijn Toccate e partite di cembalo uit. De Duitsers Schein (die speeltechnisch o.a. de snelle toonrepetities met vingerwisselen schiep), Scheidt, Scheidemann en Siefert vertoonden in hun variaties, dansen en fuga's de invloed van Sweelinck. In Frankrijk begon de echte klavecimbelmuziek met J. Champion de Chambonnières (gest. 1670), die de luitmuziek op het klavecimbel overbracht en verschillende dansen tot een suite samenvoegde. De bloeitijd van de Franse clavecimbelkunst kwam met François de Couperin (le Grand) en Jean Philippe Rameau. Behalve de suite schreven zij programmatische klavierstukken. Het Muscalisches Blumen Büschlein van J.K.F. Fischer (1696) staat onder Franse invloed. Fischers Ariadne musica kan worden gezien als een voorloper van Johann Sebastian Bachs Wohltemperierte Klavier; het bevat preludia en fuga's door vrijwel alle toonsoorten. Johann Kuhnau bracht de Italiaanse vioolsonate op het klavier over. De invloeden van de Franse klavecinisten, van Kuhnau, Dietrich Buxtehude, van de Noord-Duitse kunst (Sweelincks leerlingen) en van de Italiaan Domenico Scarlatti, verwerkte J.S. Bach tot een zeer persoonlijke en virtuoze klavierstijl. Georg Philipp Telemanns klavierwerken bieden aantrekkelijk studiemateriaal. Georg Friedrich Händel schreef eenvoudiger dan Bach; in zijn suites vermengen zich Duitse en Italiaanse elementen. De Essercizi (thans sonates genoemd) van D. Scarlatti bracht de klaviertechniek een hele stap verder door virtuoze toonladderfiguren, grotere sprongen, overzetten van de handen, kettingtrillers e.d. In de tweede helft van de 18de eeuw raakte ook de klaviermuziek in de ban van de Empfindsamkeit. De sterke differentiëring van de uitdrukking, de beweeglijkheid en grilligheid van de nieuwe tijdgeest weerspiegelen zich in het werk van Carl Philipp Emanuel Bach, die de grondlegger van het nieuwere klavierspel is. De vroege sonates van Franz Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart zijn niet denkbaar zonder de Sonaten für Kenner und Liebhaber van deze Bach, waarin talrijke harmonische gewaagdheden, dynamische contrasten en hartstochtelijke fragmenten voorkomen. Joh. Christian Bach is de eerste geweest die te Londen in 1768 tijdens een openbaar concert het hamerklavier bespeelde. In zijn werken vindt men de stijlkenmerken van de nieuwe klaviermuziek: Albertijnse bassen, het zingende allegro, een contrasterend tweede thema, minder versieringen. Zijn invloed op Mozart is zeer groot geweest. Met de Sonate in D, K.V. 284 begon Mozarts persoonlijke klavierstijl, het eerste hoogtepunt van de nieuwere klaviermuziek. Muzio Clementi is een baanbreker geweest op het gebied van de pianotechniek (octaventechniek) en is qua componeren van zeer grote invloed op Ludwig van Beethoven geweest. Bij Beethoven heeft elke sonate een eigen karakter. Zijn sonates kunnen in drie perioden worden verdeeld:
a. op. 2 – op. 22, alsmede op. 49. Beethoven sloot zich meer bij C.Ph.Em. Bach en Haydn aan dan bij Mozart. Het menuet werd door het scherzo vervangen.
b. op. 26 – op. 90. De vorm werd vrijer en de technische eisen veel groter. Zij gaan ver boven het vermogen van de gemiddelde dilettant uit. Hierdoor werd de samenhang met de oude muziekcultuur verbroken. Er kwam behoefte aan concertpianisten voor de vertolking van deze werken. Zo werd de 19de eeuw – de gouden eeuw voor de piano – tevens het tijdperk van de pianovirtuoos.
c. Beethovens romantische periode, de laatste vijf sonates omvattend (op. 101–111), waaronder Sonate für das Hammerklavier. Beethovens leerling Carl Czerny is de eerste die een consequente en opbouwende etudenliteratuur heeft geschreven (alleen voor studiedoeleinden). De pianomuziek van Carl Maria von Weber wordt gekarakteriseerd door briljant passagewerk en grote grepen (Aufforderung zum Tanz). Uit de pianosonates van Franz Schubert blijkt niet de pianovirtuoos, maar de liederencomponist. Na Schubert verflauwde de belangstelling van de componisten voor de sonate.
De romantische componisten hadden een voorkeur voor het kleine pianostuk, voor lyrische stemmingen, voor het muzikale genrebeeld (Schubert: Impromptus en Moments musicaux; Felix Mendelssohn: Lieder ohne Worte; Edvard Hagerup Grieg: Lyrische Stücke; Robert Schumann: Papillons, Fantasiestücke). Clementi's leerling John Field is de schepper van de nocturnes en daarmee het voorbeeld van Frédéric François Chopin die zelf als nieuwe vormen de ballade en het scherzo schiep. Met Chopins mazurka's en polonaisen, op Poolse volksmuziek gebaseerd, deed een sterk nationaal element zijn intrede in de klaviermuziek. De eerste 23 werken van Robert Schumann zijn alle voor piano en behoren tot het beste wat hij op het gebied van de instrumentale muziek heeft geschreven ((Papillons, Carnaval, Fantasiestücke, Études symphoniques, Kinderszenen). Nieuwe klank- en technische mogelijkheden ontdekte Franz Liszt, die in zijn transcripties van Beethovens symfonieën en Hector Berlioz’ Symfonie Fantastique orkestrale effecten op de piano wist na te bootsen. Ook op het gebied van de harmonie deed hij ontdekkingen door bijzonder gebruik van chromatiek en de vermenging van toonsoorten; hierin is hij een voorloper van het impressionisme. Niccolò Paganini’s spel inspireerde Liszt tot het schrijven van de Paganini-études, waarvan Schumann beweerde dat op de gehele wereld geen vijf pianisten deze stukken zouden kunnen spelen. Liszts Hongaarse rapsodieën zijn gebaseerd op de muziek van de zigeuners. Johannes Brahms behoorde tot de kring van Schumann. Karakteristiek voor zijn pianomuziek zijn syncopen en octaven met inliggende terts of sext. Belangrijke Russische pianomuziek schreven Modest Moessorgski (Schilderijententoonstelling), Alexander Nikolajevitsj Skrjabin (Études op. 8, Préludes op. 11, tien sonates), Sergej Sergejevitsj Prokofjev (Visions fugitives, sonates) en Dmitri Sjostakovitsj (Drie fantastische dansen op. 1, sonates). De schakel tussen de romantische en de impressionistische pianomuziek vormt Gabriel Urbain Fauré. Bij Claude Debussy werd de pianomuziek tot een geraffineerd kleurenspel. Karakteristiek zijn de heletoonstoonladder, kwintenparallellen, vermenging van toonsoorten, kerktoonsoorten, toegevoegde seconden, enz. (Images, Estampes, Préludes, Études). Virtuozer, meer van Liszt uitgaand, schreef Maurice Ravel (Gaspard de la Nuit). Igor Strawinsky (Trois mouvements de Petrouchka), B. Bartòk (Allegro barbaro, Mikrokosmos) en Paul Hindemith sloegen een andere weg in en gingen de piano soms als een slaginstrument behandelen, terwijl met de Klavierstücke op. 23 van A. Schönberg de dodecafonie (zie twaalftoontechniek) haar intrede deed in de pianomuziek.
De Nieuwe Muziek heeft de piano op geheel nieuwe wijze ingeschakeld, daarbij ten dele voortbouwend op de experimenten van John Cage (prepared piano, 1938), die de klankkleur wijzigde door voorwerpen tussen de snaren aan te brengen. Het spelen met paukenstokken of harde en zachte borstels op de snaren, het laten klinken van clusters (groepen tonen) door de gehele hand of de elleboog op de toetsen te leggen, enz. zijn nieuwe technieken waarmee men een uitbreiding van het klankpatroon beoogt.
De piano speelt een belangrijke rol in de jazz, voorts ook in de lichte muziek.