Zoekweergave Perzische cultuur

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Perzische cultuur
Introductie

Perzische cultuur, aanduiding voor de cultuur van het oude Perzische Rijk, vanaf de prehistorische tijd tot aan de verovering door de Arabieren in 637.

1. Geschiedenis
1.1 Prehistorie

Opgravingen, o.a. te Sialk bij Kasjan, hebben aangetoond dat de Perzische hoogvlakte vanaf het 5de millennium v.C. bewoond is geweest. In het 4de millennium leefden er dorpsgemeenschappen van jacht, visvangst, landbouw en veeteelt. Men was op de hoogte van de eerste beginselen van de mijnbouw. Er werd beschilderd aardewerk van hoge kwaliteit en met esthetische waarde vervaardigd. De oudste stadscultuur ontstond echter niet op de hoogvlakte, maar te Soesa in Elam. Daar ontstond ook het proto-Elamitische schrift. Ditzelfde schrift is ook in Sialk gevonden, zodat men zou kunnen concluderen dat de politieke en commerciële invloed van de proto-Elamitische cultuur zich ook in het Iraanse hoogland deed gevoelen. In het 3de millennium traden Elam en de volken van de Zagros (Kassiten, Lullubi, Guti) in het licht van de historie. Hun geschiedenis (dit in tegenstelling tot die van Iran) is nauw verbonden met die van de Soemerisch-Semitische bevolking van Mesopotamië. Het is niet duidelijk welke rol de Indo-Europese volksverhuizing van het 2de millennium er gespeeld heeft, waarvan de westelijke tak via de Balkan Klein-Azië binnendrong om vervolgens de noordelijke Zagros en noordelijk Mesopotamië te bezetten (rijken van de Hettieten en Mitanni), terwijl de oostelijke tak vanuit Transoxanië langs de passen van de Hindoe Koesj India bereikte. De opgravingen te Sialk hebben aangetoond dat de invasie van de Iraanse volken niet eerder dan in het begin van het 1ste millennium v.C. kan hebben plaatsgevonden. Dit stemt overeen met de annalen van de Assyrische koning Salmanassar III (858–824 v.C.), die melding maken van de Parsoeasj (d.i. Perzen) en Madai (d.i. Meden) resp. ten westen en ten zuiden van het Oermiameer.

1.2 Achaemeniden

De Meden (zie ook Medië) speelden vóór de Perzen een rol in de wereldgeschiedenis. Hun koning Cyaxares veroverde het noordwestelijke deel van Iran en stichtte als politieke hoofdstad Ecbatana. Vervolgens vernietigde hij in samenwerking met Nabopolassar van Chaldaea het rijk van de Assyriërs (615–610) en breidde zijn rijk uit tot de rivier de Halys (Kızıl Irmak) in Klein-Azië. Inmiddels waren de Perzen zuidwaarts getrokken en hadden zich gevestigd in Parsoemasj ten noordoosten van Elam en in Parsa, het gebied rond het latere Persepolis. Over beide gebieden heerste Cambyses I, behorend tot het geslacht van de Achaemeniden, als vazal van Cyaxares en later van diens opvolger Astyages. Cambyses werd in 558 opgevolgd door Cyrus de Grote. Deze stelde zich niet tevreden met zijn ondergeschikte positie en kwam in opstand tegen Astyages. Hij versloeg hem in 550. In een reeks veldtochten slaagde hij erin Lydië te onderwerpen (546) en het Nieuw-Babylonische Rijk te veroveren. Zijn zoon Cambyses II (529–522) erfde een rijk dat zich uitstrekte van de Indus tot de Middellandse Zee en van de Kaukasus tot de Perzische Golf. Cambyses voegde er Egypte aan toe, dat hij na de Slag bij Pelusium in 525 bezette van Elephantine tot Memphis. Een veldtocht tegen Libië bracht de Grieken van Cyrene onder zijn gezag, maar een aanval op Ethiopië mislukte geheel.

Cambyses werd opgevolgd door Darius I de Grote (522–486). Deze is de grote bevestiger van het rijk geweest. Na zijn troonsbestijging moest hij in alle delen van het rijk opstanden bedwingen. Hij reorganiseerde het bestuur van het imperium door het te verdelen in provincies, aan het hoofd waarvan satrapen (zie satraap) stonden. Zowel uit strategische als uit economische overwegingen liet hij een netwerk van wegen aanleggen. Hij stimuleerde de zeevaart door de aanleg van een kanaal van de Nijl naar de Rode Zee, terwijl hij een vloot onder de Griek Scylax van Caryanda vanaf de stad Kaspatyrus de Indus liet afvaren om daarna over zee naar Egypte te zeilen, welke tocht in dertig maanden volbracht werd. Hij voerde een muntstelsel in, gebaseerd op de gouden dareik, evenals een vast stelsel van maten en gewichten. Hij bevorderde de landbouw, waarop de economie van het rijk berustte en zag persoonlijk toe op de boomkwekerij. Hij liet paleizen bouwen in Soesa en Persepolis door ambachtslieden uit alle delen van het rijk. De administratie werd opgedragen aan Aramese schrijvers, zodat het Aramees de lingua franca werd in het gehele rijk. Minder gelukkig was Darius op zijn latere krijgstochten. Een strafexpeditie tegen de Scythen aan de overzijde van de Donau mislukte, maar had wel tot resultaat dat Thracië en Macedonië aan het rijk werden toegevoegd. De steun van Athene en Eritrea aan de Ionische Opstand deed Darius besluiten tot een expeditie tegen de Grieken, het begin van de Perzische oorlogen. De beslissende overwinning door de Atheense vloot, bij Mycale behaald (479), maakte voor altijd een einde aan alle pogingen het Griekse continent in de Perzische machtssfeer te brengen.

Xerxes I (486–465) werd met zijn oudste zoon vermoord en opgevolgd door zijn tweede zoon, Artaxerxes I Makrocheir (465–424). Sedertdien wreekte zich het gebrek aan eenheid in het imperium en traden de satrapen steeds zelfstandiger op tegen het centrale gezag. Artaxerxes dempte een opstand in Bactrië en onderwierp het tijdens de Perzische oorlogen opgestane Egypte. Hij werd opgevolgd door zijn wettige zoon Xerxes II (424–423). Deze werd echter al na 45 dagen vermoord door Sogdianus, een onwettige zoon van Artaxerxes, die de troon beklom, maar in 423 werd vermoord door Ochus, eveneens een onwettige zoon van Artaxerxes. Ochus beklom de troon onder de naam Darius II (423–404). Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon, Artaxerxes II Mnemon (404–358). Bij de Vrede van Antalcidas in 387 verwierf hij de heerschappij over de Griekse kuststeden van Klein-Azië. Artaxerxes III Ochus (358–338) bedwong een opstand in Fenicië en op Cyprus en maakte Egypte in 343 weer tot een Perzische satrapie. Hij werd vermoord door zijn gunsteling, de eunuch Bagoas, en zijn jongste zoon, Arses, besteeg na het uitmoorden van alle rivalen de troon. Toen deze al te zelfstandig wilde optreden, werd ook hij door Bagoas gedood. De laatste van de Achaemeniden, Darius III Codomannus (336–331), kon de val van het rijk niet meer verhoeden. Nadat zijn satrapen in 334 aan de Granicus door Alexander de Grote waren overwonnen, bezweek Darius zelf met zijn machtige leger voor de Macedoniërs bij Issus in 333 en bij Arbela in 331. Toen hij op de vlucht in Parthië door de satraap Bessus werd vermoord, betekende dit het einde van het oude Perzische Rijk.

1.3 Helleens-Iraanse periode

Alexander de Grote trachtte Perzen en Grieken tot één volk samen te smelten. Hij werd door de Perzen als koning erkend, trad in het huwelijk met Statira, een dochter van Darius III, en noemde zich koning van Azië. Door zijn vroege dood in 323 bleef zijn plan onvoltooid en er ontstond onder zijn veldheren een hevige strijd om zijn nalatenschap. Ten slotte stichtte Seleucus I Nicator in 312 het rijk van de Seleuciden, dat, met uitzondering van Egypte en aanvankelijk ook Klein-Azië, vrijwel het gehele oude Achaemenidenrijk omvatte. In navolging van Alexander de Grote stichtten de Seleuciden op strategische punten naar Grieks model ingerichte steden, die dienden tot militaire bases, maar later uitgroeiden tot commerciële centra. Omdat Griekenland op hetzelfde moment overbevolkt was, zochten duizenden emigranten hun geluk in deze steden. Op den duur werd het Grieks de lingua franca in plaats van het Aramees. Op deze wijze ontstond een Helleens-Iraanse cultuur, die voor de communicatie tussen de zo verschillend geaarde landstreken van grote waarde was. Het streven naar zelfstandigheid bleek echter fataal voor het rijk van de Seleuciden. Seleucus I zelf moest reeds in 302 Arachosia en de Paropanisadae (Kabulvallei) na een mislukte invasie afstaan aan Candragupta (Grieks: Sandrakottos), de stichter van het Indische keizerrijk van de Maurya's. Tijdens de regering van Antiochus II (262–247) maakte Diodotus, de satraap van Bactrië, zich zelfstandig in 255. Spoedig daarna werd Parthië bezet door Arsaces, de koning van het Iraanse nomadenvolk van de Parni ten oosten van de Kaspische Zee. Nog eenmaal wist Antiochus III de Grote alle delen van het rijk te verenigen. Gedurende zijn grote expeditie van 212–204 versloeg hij de Parthen en Bactriërs. Ook overwon Antiochus de Indische vorst Sophagasenus en herwon de satrapieën Arachosia en Paropanisadae. Na zijn nederlaag tegen de Romeinen bij Magnesia in 187 hernamen Bactrië en Parthië weer hun zelfstandigheid. De Griekse Bactriërs strekten hun veroveringen vnl. uit in de richting van de Indusvallei, waar zij nog twee eeuwen een belangrijke rol bleven spelen.

De Arsaciden van Parthië vormden echter een directe bedreiging voor de Seleuciden. Mithridates I (171–138) veroverde Medië en Elam. Ten slotte overmeesterde hij in 141 Seleucia, de toenmalige hoofdstad van Mesopotamië. Daarmee verwierven de Parthen zich de hegemonie. Als hoofdstad werd Ctesiphon gesticht, niet ver van Seleucia. De Seleuciden handhaafden zich nog in Syrië totdat Pompejus hun rijk in 65 v.C. tot een Romeinse provincie maakte. Hoewel de Arsaciden van Iraanse afkomst waren, behielden zij de Griekse administrateurs. Zij tooiden zich met de titel 'Philhellenus' en beschermden de Griekse steden. De volkscultuur bleef daarnaast eigen wegen gaan en ontwikkelde de later meer op de voorgrond tredende syncretistische vorm van het mazdeïsme. In deze tijd is ook uit dezelfde bron het mithraïsme opgekomen, dat in de Romeinse wereld zoveel invloed zou hebben. Voor de opvolgers van Mithradates I doemde een groot gevaar op in het oosten. Oorlogen tussen nomadiserende volken aan de grens van China hadden een trek naar Transoxanië veroorzaakt van een volk dat in de Chinese bronnen Yueh-tschi genoemd wordt en in de Griekse o.a. Tocharen. Zij dreven de Saken voor zich uit, die zich vestigden in Sagistana (het huidige Sistan). In 128 veroverden de Tocharen Bactrië en vielen de Parthen aan. Nadat Phraates II in 128 en zijn opvolger Artabanus II in 124 waren gesneuveld, wist Mithridates II de Grote (123–88) de grenzen veilig te stellen. De Tocharen ondernamen daarna hun expedities in de richting van het Kabuldal en de Punjab, waar zij ca. 25 v.C. de grondslag legden voor het Indische rijk van de Koesjana.

Sedert de ondergang van de Seleuciden dreigde uit het Westen een nieuw gevaar, de opkomende macht van Rome. Orodes II (57–36) evenwel wist M. Licinius Crassus bij Carrhae in 53 v.C. een beslissende nederlaag te bezorgen. In de 1ste eeuw n.C. concentreerde de strijd van Romeinen en Parthen zich op het bezit van Armenië, dat beurtelings onder het bewind kwam van pro-Romeinse en pro-Parthische koningen. In de 2de eeuw stortte het centrale gezag van de Parthen ineen. Keizer Trajanus bereikte in 117 de Perzische Golf, maar moest echter Mesopotamië spoedig ontruimen. L. Verus verzekerde in 165 de Romeinen van het bezit van Carrhae en Edessa. De veldtochten van Septimius Severus en van Caracalla leidden evenmin tot blijvende bezetting van Mesopotamië. Zelfs de laatste vorst van de Arsaciden, Artabanus V, wist keizer Macrinus in 218 te verslaan. Kort daarna nam het innerlijk zwakke Parthische Rijk een einde door de opstand van Ardasjir, voortgekomen uit een toen in Parsis heersende lokale dynastie. Hij versloeg en doodde Artabanus in 224 en werd de grondlegger van de nieuwe dynastie van de Sassaniden.

1.4 Sassaniden

Ardasjir regeerde van 224 tot 241 en was spoedig meester van de Parthische landen, met inbegrip van Babylonië. Armenië bleef evenwel als half onafhankelijke bufferstaat bestaan onder een Arsacidische dynastie; in het oosten behoorde ook Bactrië niet meer bij het rijk, daar de hier ingevallen volken (vooral de Tocharen) eigen staten hadden gesticht, waarmee de Sassaniden voortdurend oorlog moesten voeren. Onder de Sassaniden had een nationale opleving plaats en werd het mazdeïsme staatsgodsdienst onder een hiërarchie van priesters, wat herhaaldelijk christenvervolgingen veroorzaakte. De staat was echter innerlijk veel sterker dan het Parthenrijk, hetgeen spoedig bleek bij de niet uitblijvende botsingen met de Romeinse macht. Sapor I (241–272) drong ver door in Armenië en Noord-Syrië, versloeg keizer Valerianus bij Edessa (260), veroverde Antiochië en rukte op naar Cappadocië, maar moest weldra het onderspit delven tegen Odenathus van Palmyra. Onder zijn heerschappij trad Mani, de stichter van het manicheïsme, als leraar op. Sapors opvolger Hormisdas (272–273) begunstigde de Manichaeërs, maar Bahram I (273–275) liet Mani kruisigen. Zijn zoon en opvolger, Bahram II (275–293), moest Mesopotamië en Armenië aan de Romeinen afstaan. Sapor II de Grote (310–379) ontnam de Romeinen Armenië en onderscheiden gewesten in Mesopotamië en versloeg hen in 345 bij Singara, terwijl hij bloedige vervolgingen instelde tegen de christenen. In 359 eiste hij van de Romeinen geheel Mesopotamië en daardoor ontbrandde een nieuwe oorlog. Hij moest terugtrekken, toen keizer Julianus in 363 Perzië zelf binnenviel. Reeds was Ctesiphon in de macht van de Romeinen, toen gebrek aan levensmiddelen hen tot de aftocht noodzaakte, waarbij Julianus om het leven kwam. Zijn opvolger, Jovianus, moest de vrije aftocht uit Perzië kopen door een smadelijke vrede. Sapor trok nu op tegen Armenië, dat in het rijk van de Sassaniden werd ingelijfd, maar weldra zijn onafhankelijkheid herkreeg. Onder Bahram V (420–438) vond weer een christenvervolging plaats. Spoedig hierna brachten de godsdiensttwisten in het Byzantijnse Rijk de splitsing tussen monofysieten en dyofysieten mee. De laatsten waren de aanhangers van Nestorius. Daar de Byzantijnse keizers hen vervolgden, vonden zij hun toevlucht in het Perzische Rijk, waar zij wegens de oppositie tegen Constantinopel geduld werden en waar zij zich allengs ook hiërarchisch organiseerden in een aantal bisdommen. Ook als overbrengers van Griekse wetenschap hebben deze nestoriaanse christenen in Perzië een uiterst belangrijke rol gespeeld.

In de 5de eeuw begon het in het noordoosten binnengevallen volk van de Heftalieten of Witte Hunnen een rol in de rijksgeschiedenis te spelen. Zij hielpen Firoez zijn broer Hormisdas III (457–459) van de troon te stoten. Firoez keerde daarna de wapens tegen zijn bondgenoten, maar verloor in 484 in een veldtocht het leven. De aanzienlijken van het rijk benoemden zijn broer Balasj tot koning en deze sloot vrede met de Hunnen, waardoor Perzië schatplichtig werd. Kobad, een zoon van Firoez, stootte hem in 488 van de troon. De langdurige regering van Kobad, die veel binnenlandse woelingen kende, eindigde in 531, nadat hij zijn derde zoon, Chosroës I, tot zijn opvolger had benoemd. Deze wordt in de latere overlevering als de grootste van de Sassaniden beschouwd. Hij stichtte de medische hogeschool van Djundisjapur in Elam, waar vooral Griekse wetenschap werd beoefend. Sedert 540 voerde hij herhaaldelijk oorlog tegen het Byzantijnse Rijk, waarbij hij Syrië plunderde en zijn gebied van de Indus tot aan de Middellandse Zee en de grenzen van Egypte uitbreidde. In 570 rukte hij zelfs tot Jemen in Arabië op. Onder de heerschappij van zijn zoon Hormisdas IV (579–590) gingen echter de vruchten van zijn bestuur verloren, vooral ook in rampspoedige oorlogen tegen de Romeinen en de Turken, die als nieuw element in het oosten kwamen opzetten. In 590 werd hij ten val gebracht en opgevolgd door zijn zoon Chosroës II (590–628). Deze, door de oproerige veldheer Bahram Tsjobin verdreven, werd kort daarna door de Byzantijnse keizer Mauritius weer naar zijn hoofdstad gebracht. Eerst na de val van Mauritius (602) verklaarde hij de oorlog aan de Byzantijnse usurpator Phocas, veroverde Perzisch Armenië, maakte zich meester van Epiphania, Edessa, Antiochië en Damascus en verwoestte Jeruzalem (614). Twee jaar later drong een Perzisch leger in Egypte door en overweldigde Antiochië, terwijl een ander door Klein-Azië oprukte naar Chalcedon en Constantinopel bedreigde. Daartegen kwam in 623 de Byzantijnse keizer Heraclius in verzet; hij bevrijdde Klein-Azië en versloeg in 627 een Perzisch leger op de grenzen van Iran. Chosroës vluchtte, en na een opstand werd zijn zoon Kavadh op de troon geplaatst. Deze liet zijn vader ombrengen en sloot vrede met de Byzantijnen, waarbij de veroverde landen teruggegeven werden. Hij werd in 628 opgevolgd door zijn zevenjarige zoon Ardasjir III, die reeds in 630 werd vermoord. Hierop volgde een periode van regeringloosheid en burgeroorlog, die de laatste krachten van de Perzen verteerde, terwijl zij aangevallen werden door de Arabieren. In 632 beklom Jezdegerd III, de kleinzoon van Chosroës, de troon. Het van hem verwachte herstel van het rijk bleef echter uit. Zijn leger werd in 637 aan de Eufraat bij Kadisiya door de Arabieren verslagen, waarna dezen de hoofdstad Ctesiphon innamen. Hierop volgde nog een beslissende slag bij Djaloela (638) en Jezdegerd was genoodzaakt te vluchten, eerst naar Zuid-Perzië en toen naar het noordoosten in Chorasan, waar hij in Merw in 651 verraderlijk werd vermoord.

2. Letterkunde

Van de grotendeels verloren gegane Oudiraanse (zie Iraanse talen literatuur zijn de gatha's, religieuze liederen, toegeschreven aan Zoroaster (Zarathoestra), waarschijnlijk de oudst bewaard gebleven vorm. Zij zijn opgenomen in de Avesta, te midden van teksten van jongere datum, waarvan de jasjts (hymnen op goddelijke wezens) de oudste sporen van de Perzische mythologie en heldenepiek bevatten. Uit de tijd van de Achaemeniden is alleen een aantal monumentale inscripties in spijkerschrift overgeleverd.

De literatuur van de Middel-Iraanse periode is eveneens slechts voor een klein deel bewaard gebleven. Het best bekend is de tijd van de Sassaniden (3de–7de eeuw n.C.), dankzij Arabische bronnen die berichten over een belangrijke lyrische en epische literatuur. De zgn. Pehlewi-literatuur, door Zoroastrische priesters grotendeels pas na de Arabische verovering op schrift gesteld in een gearchaïseerd Middelperzisch, omvat in hoofdzaak theologische werken, zoals de godsdienstencyclopedie Boendahisjn en de Denkart, een Zoroastrische kosmogonie, maar daarnaast ook een aantal verhalende teksten. Het Karnamak-i Artachsjer en het Ajatkar-i Zareran behandelen thema's uit de legendarische koningsgeschiedenis. Bijzonder geliefd was een genre van didactische wijsheidsliteratuur (andarz), waarvan de invloed ook in de latere Perzische letteren duidelijk merkbaar is. Van sommige teksten is aangetoond dat zij oorspronkelijk een metrische vorm hadden. Geheel apart staan de manicheïsche hymnen in het Middelperzisch, die bij opgravingen in Centraal-Azië aan het licht zijn gekomen.

3. Architectuur en beeldende kunst

Volgens vondsten bij Soesa, de hoofdstad van Elam, te Sialk (bij Kasjan) en in Loeristan moet vóór de Achaemeniden-tijd reeds een oude inheemse kunst hebben gebloeid, de zgn. Pre-Achaemenidische kunst. Zo zijn bij Soesa en Sialk vazen en bekers gevonden uit ca. 4000 v.C., beschilderd met helderrode en zwarte figuren op lichte ondergrond, en kannen met eigenaardig lange tuiten (aardewerk van Tell-Obeid), die vaak een versiering van gestileerde steenbokken en andere dieren vertonen, terwijl de menselijke figuur slechts zelden werd gebruikt. Deze kunst moet van invloed zijn geweest op latere kunstuitingen als de Loeristanbronzen. In de 8ste eeuw v.C. moet de zgn. schat van Sakkez, in 1947 gevonden in een puinheuvel te Ziwiye (Koerdistan), worden gedateerd (grotendeels in het archeologisch museum in Teheran). Hij omvat gouden, zilveren en ivoren voorwerpen (juwelen, harnasstukken e.d.), die in stijl, vorm en versiering een mengeling van Assyrische, Fenicische, Scythische en inheemse elementen vertonen.

3.1 Achaemeniden

De expansie na Cyrus' overwinning op de Meden (550 v.C.) bracht de Perzen in aanraking met volken die op kunstgebied hun meerderen waren (Babyloniërs, Grieken, Egyptenaren) en leidde tot een kunst die, aansluitend aan inheemse en beïnvloed door vreemde elementen, deze deed samensmelten tot een harmonisch geheel met een eigen karakter. De oudste overblijfselen van de Perzische bouwkunst bevinden zich in Pasargadae. Zeer beroemd zijn de paleizen te Persepolis en Soesa [archeologie], enorme complexen die getuigen van een grootsheid die tot dan toe niet was voorgekomen. Ze zijn opgetrokken deels in natuursteen en deels in ongebakken tegels; de wanden waren bekleed met kleurige verglaasde tegels. De Achaemenidische graven zijn in de rotsen uitgehouwen in de vorm van een kruis; dat van Cyrus II heeft echter de vorm van een huis met zadeldak. De plastische vaardigheid heeft zich hoofdzakelijk beperkt tot de reliëfs van de paleizen bij Persepolis en Soesa en de reliëfs op de voorwand van de rotsgraven. Als een uitloper van de reliëfkunst kan men de graveerkunst beschouwen, die in rolzegels tot uitdrukking komt. Er zijn in Sialk exemplaren gevonden, daterend uit het 4de en 3de millennium v.C., met primitieve afbeeldingen van dieren (steenbok) en mensen. Die uit het Achaemenidische tijdperk zijn in drie groepen te verdelen: a. gesneden door Grieken, met Perzische voorstellingen; b. gesneden door Perzen en bewerkt met varianten op Griekse motieven; c. zuiver Perzische. Tot de laatste kan men o.a. het beroemde zegel van Darius I rekenen, dat in drie talen, Assyrisch, Elamitisch en Perzisch, naam en titels van de vorst vermeldt en een afbeelding geeft van Darius, staande in een wagen en jagend op een leeuw. De gehele uit de inheemse kunst ontwikkelde graveerkunst van de Achaemenidische tijd vertoont Assyrische en Babylonische elementen. Dat de paleisreliëfs vaak Griekse elementen bevatten, is te verklaren uit de medewerking van Grieken aan de bouw van de paleizen. Merkwaardigerwijze vindt men in vele van de plastische scheppingen een tot in het onpersoonlijke verstrakte menselijke gestalte bij een tamelijk soepele behandeling van de kleding. Dieren worden bij voorkeur vechtend afgebeeld.

De emailleerkunst, ontsproten aan een Oudmesopotamische techniek en aanvankelijk ook naar de vorm daarbij aansluitend, groeide in het Achaemenidische tijdperk uit tot een specifiek Perzische kunst. De schilderingen werden uitgevoerd op kunststeen, de ondergrond is helder blauw, de reliëfs zijn met wit, zwart, geel en bruin natronglazuur beschilderd, waarbij vaak de kleurvakken door glasdraden, op de wijze van cloisonné, van elkaar gescheiden zijn. De belangrijkste voorbeelden van metaalbewerkingskunst zijn van opgravingen in Sialk afkomstig (midden 4de eeuw v.C.). Het zijn vnl. koperen, bronzen of zilveren, gegoten, gedreven of geciseleerde stukken van paardentuigen, sieraden, wapenen, kannen, schalen, urnen (situla's) en hoornvormige bekers (rhyta). De faiencekunst heeft zich vnl. beperkt tot aardewerk met gele, bruine en zwarte decoraties.

3.2 Parthen

Nadat onder de Seleuciden (330–250 v.C.) het hellenisme de Perzische cultuur had beheerst (de door Seleucus I en zijn opvolgers gestichte steden werden centra van Griekse beschaving, waarvan de kunstvormen doordrongen tot India en Toerkestan), kreeg de kunst ten tijde van de Parthen (250 v.C. – 226 n.C.) weer een sterk Perzische inslag. De paleisbouw omvat gebouwencomplexen die voor het eerst zijn gegroepeerd rond de liwan.

Vooral de steden Palmyra, Doura-Europos, Hatra en Nisa leveren goed bewaarde voorbeelden van Parthische architectuur. Paleizen, tempels en grafkamers getuigen van een eigen karakter, waarbij vooral het gebruik van het halfronde gewelf opvalt. Opgravingen hebben ook heel wat beeldhouwwerk aan het licht gebracht. Het zijn meestal grote beelden, staande of zittende figuren, waarvan het strenge karakter en de frontaliteit opvallen. De bewaard gebleven schilderkunst is beperkt tot een aantal fresco's in het paleis te Kue-i-Kwaja en te Doura-Europos. Vrij belangrijk is de keramiek. Karakteristiek zijn de langgerekte, schoenvormige sarcofagen, in blauw en groen geglazuurd aardewerk, met tamelijk grove plastische voorstellingen op het deksel. De verwantschap van de Parthen met de Scythen is te herkennen aan de vooral in de kunstnijverheid aan het licht tredende dierenstijl op bronsbeslag e.d. De munten tonen energieke figuren wier portret op realistische wijze is getekend, in navolging van hellenistische en Romeinse voorbeelden.

3.3 Sassaniden

Onder de heerschappij van de Sassaniden (226–651) stond de kunst in het teken van het koningschap en de feodale adel. Het is een echte hofkunst, waarbij het religieuze element, ondanks de renaissance die het zoroastrisme in die tijd beleefde, merkwaardigerwijze sterk naar de achtergrond gedrongen is. Kunsthistorisch beschouwd, is zij een epigonenkunst, bovendien beïnvloed door Oostiraanse en Indische elementen.

De Sassaniden waren grote stedenbouwers en architecten; zij bouwden paleizen, vestingen en vuurtempels, maar herbouwden ook reeds bestaande gebouwen. Zo was het paleis van Ardasjir (gest. na 241 v.C.), dat hij even ten noorden van de door hem gebouwde stad Ardasjir Choerra, bij Firuzabad, liet inrichten, een oorspronkelijk door de Assyriërs gebouwde vesting. De belangrijkste bijdrage van de Sassaniden aan de bouwkunst ligt in hun verwezenlijking van de koepel op een vierkant grondplan en het gebruik van tongewelven en bogen. Zowel op de architectuur van de islam als op de vroeg-christelijke bouwkunst hebben zij invloed uitgeoefend. Als materiaal werden meestal ruwe steenblokken, verbonden door mortel waarop een pleisterlaag werd aangebracht, gebruikt, soms ook kalksteen of tegels. De muren werden bekleed met stucwerk. De plattegrond van de paleizen (Firuzabad, Sarvistan, Kasri Sjirin) omvatte gewoonlijk twee delen: de liwan en daarachter de woonvertrekken, gegroepeerd rond een vierkante hof.

De plastische kunst in deze periode is het sterkst tot uiting gekomen in de rotsreliëfs, die o.a. te vinden zijn in het dal van Naksj-i-Roestam en op de wanden van het dal van Bijaspoer, die alle betrekking hebben op het leven van koning Ardasjir en die, op één uitzondering na, een niet-religieus karakter dragen. In tegenstelling tot het strenge, vlak gehouden Achaemenidische reliëf vertoont het Sassanidische een grotere intensiteit van beweging, meer nadruk op het plastische en een invlechten van schilderachtige motieven. De stucdecoratie in de paleizen (Tepe Hisar, Rajj, Bijaspoer) vertoont naast geometrische motieven ook planten- (acanthus, lotus, granaatappel) en diermotieven. Merkwaardigerwijs heeft de stucco-kunst die, evenals de – niet bewaard gebleven – schilderkunst, vroeger krachtige invloeden van de monumentale beeldhouwkunst heeft ondergaan, deze later zelf in hoge mate beïnvloed.

Van de edelsmeedkunst, waarin de Sassaniden zeer bedreven waren, vooral in verguld zilver, is een groot aantal voorbeelden bewaard gebleven, die echter haast alle buiten Perzië gevonden en zelfs grotendeels ook daarbuiten vervaardigd zijn. Het betreft ronde schalen, schenkkannen en vazen versierd met ornamenten en mensen- en dierengestalten met symbolische of magische betekenis. De vormgeving van de keramiek staat geheel onder invloed van de metaalbewerkingskunst. Oorspronkelijk onverglaasd, werd zij later monochroom, in gele tot blauwgroene tinten geglazuurd. Ook het bestaan van een eigen glasindustrie is door vondsten te Ctesiphon bewezen. De graveerkunst (zegels, munten) stond, vooral in de eerste eeuwen, eveneens op hoog niveau. Deze munten hebben door de daarop voorkomende kronen van de verschillende koningen in hoge mate bijgedragen tot de vaststelling van de chronologie van de gevonden kunstwerken. De weefkunst, in het bijzonder de zijdeweefkunst, stond op zeer hoog peil. Ook de tapijtweefkunst floreerde; reeds op de monumenten komen afbeeldingen van tapijten voor.

4. Muziek

De kennis omtrent de klassieke Perzische muziek begint bij de dynastie van de Sassaniden, aan wier hof de muziek in hoog aanzien stond. De belangrijkste muziekinstrumenten waren de fluit, de rebab, de harp, de luit en de ghazhak, een soort vedel.