Pakistan
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Pakistan
4. Economie
4.1 Algemeen

Hoewel de Pakistaanse economie in 1947 en in 1971 (resp. de scheiding India-Pakistan en de scheiding Pakistan-Bangladesh) voor zeer grote problemen werd gesteld (verlies van handelscontacten voor aankoop van grondstoffen en afzet van producten), wist men van 1977 tot 1983 een positie van zelfvoorziening op voedselgebied te bereiken en werd een belangrijke export (rijst, textiel) ontwikkeld. De snelle bevolkingsgroei, de ‘brain drain’, de afscheidingsbewegingen en de politieke onzekerheid hebben echter sindsdien de economische ontwikkeling beperkt tot een groei van 4,6% (1990–1995; 1996: 3,1%). Het bnp per capita bedroeg in 1995 $ 460, waarmee Pakistan een van de armere landen van Azië is. De economische ontwikkeling werd begunstigd door succesvolle oogsten in de landbouw, hoge overschrijvingen van in het buitenland (m.n. de in de Golfstaten) werkende Pakistanen en een enorme ontwikkelingshulp en militaire steun, vooral uit de westerse landen. Nog steeds echter controleren staat en leger het grootste deel van de economie. Bovendien is Pakistan een knooppunt van internationale wapenhandel en behoort het tot de grootste exporteurs van verdovende middelen (heroïne). Miljardenbedragen werden op die manier aan staatscontrole onttrokken. De overheid streeft noodgedwongen naar privatisering, omdat zij niet in staat is enig onderdeel van de cruciale ontwikkelingsbegroting, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur, zelf te bekostigen. Meer dan 70% van de begroting wordt opgeslokt door defensie en de afbetaling van schulden (totale buitenlandse schuld in 1995: $ 30 miljard). In 1996/1997 was de inflatie gestegen tot 12,1%, een direct gevolg van het grote financieringstekort. De armoede onder grote delen van de bevolking, de toegenomen sociale en etnische spanningen in de grote steden (o.a. Karachi en Hyderabad) en de stevig verankerde bureaucratie vormen een extra zware belasting voor de ontwikkeling van de economie in Pakistan. Na de kernproeven in april en mei 1998 legde het Westen Pakistan sancties op en werd een miljardenlening van het IMF opgeschort, wat het land op de rand van het faillissement bracht. De sancties bleven maar kort van kracht; in oktober stemde de Amerikaanse senaat in met opheffing.

4.2 Landbouw

De agrarische sector is zeer belangrijk: 26% van het bnp wordt er verdiend en 48% van de bevolking vindt er werk. Er kan twee keer per jaar geoogst worden. Ongeveer een eenvijfde van het Pakistaanse grondgebied wordt agrarisch geëxploiteerd en van dit areaal wordt ongeveer tweederde geïrrigeerd. Het grondbezit is zeer ongelijk verdeeld. Ongeveer de helft van de bedrijven beslaat minder dan 2 ha, maar deze bedrijven nemen slechts 10% van het landbouwareaal in beslag; daartegenover bezit 2% van de boeren 25% van het areaal. Tarwe, katoen (de voornaamste bron van exportinkomsten) en rijst zijn de belangrijkste gewassen. Andere gewassen zijn suikerriet, maïs en oliehoudende zaden; ook tracht men de teelt van jute en thee te bevorderen om de afhankelijkheid van import te verminderen. De facto voorziet het land in zijn eigen behoefte. Punjab en Sind zijn de belangrijkste akkerbouwgebieden; in de rest van het land is de extensieve veehouderij belangrijk. In het noordwesten en in Baluchistan is de veeteelt nomadisch (runderen, schapen, geiten, kamelen); in de akkerbouwgebieden worden ook buffels en kleinvee (kippen) gehouden. De opbrengst van de veehouderij (melk, vlees) is echter laag vanwege onvoldoende veevoeder en de gebrekkige bedrijfsvoering. Bosbouw en visserij zijn vooralsnog van weinig betekenis.

4.3 Mijnbouw en energievoorziening

De exploitatie van de (weinige) minerale bodemschatten is nog vrij beperkt. In Baluchistan worden aardgas en koper gewonnen, in de Salt Range steenkool, kalksteen, gips en steenzout, en bij Sui en Mari eveneens aardgas. Vanuit Sui wordt dit gas per pijpleiding naar Karachi en Peshawar getransporteerd. In 1986 zijn grote mangaanvoorraden ontdekt. Pakistan bezit weinig eigen energiebronnen. De eigen aardolieproductie kan slechts 22,5% van de behoefte aan aardolie dekken, de steenkoolproductie levert 7,5% van het energiegebruik. Gestreefd wordt naar een verdere exploitatie van aardgas en waterkracht (Tarbeladam). De energiebehoefte moet echter voor bijna de helft door aardolie worden gedekt. In toenemende mate is de geproduceerde elektriciteit afkomstig uit kerncentrales. Jaarlijks stijgt de energiebehoefte met 10%.

4.4 Industrie

Pakistans industrie moest in 1947 vrijwel uit het niets worden opgebouwd. Buitenlandse hulp was daarbij van grote betekenis. Het grote energietekort vormt echter een belangrijk obstakel voor de industriële ontwikkeling. De industrie biedt werk aan 20% van de beroepsbevolking en levert 24% van het jaarlijkse bnp. Vooral kleine bedrijfjes, zoals in de textiel- en voedselindustrie, zijn altijd zeer succesvol geweest en bieden aan 80% van de industrie-arbeiders werk. De belangrijkste producten zijn katoen (textiel en garens), cement, suiker, sigaretten, kunstmest, staal en papierwaren. In Karachi en Rawalpindi staan aardolieraffinaderijen.

4.5 Handel en dienstensector

Deze sector brengt jaarlijks ca. 50% van het bnp op, terwijl 32% van de beroepsbevolking er werk in vindt. Pakistan heeft sedert 1947 een importoverschot. De belangrijkste import bestaat uit aardolie, medisch-farmaceutische producten, ijzer en staal, machines, gereedschappen en vrachtwagens; uitgevoerd worden vooral katoen (textiel, garens en ruwe katoen; in totaal meer dan de helft van de export), geknoopte tapijten, leer (schoenen) en vis. De leveranciers van Pakistan zijn de EU-landen (vooral Groot-Brittannië en Duitsland), Japan, de Verenigde Staten en Koeweit. De grootste afnemers zijn de EU (m.n. Duitsland, Groot-Brittannië en Italië), de Verenigde Staten en Hongkong.

4.6 Economische planning en ontwikkeling

De binnenlandse politieke spanning en de buitenlandse politieke situatie (Afghanistan, Iran, de ‘islamitische kernbom’; zie § geschiedenis) belemmeren het opbouwen van stabiele ontwikkelingshulprelaties met het buitenland. Dit laatste is van zeer groot belang, omdat Pakistan een zeer grote buitenlandse schuldenlast ($ 30 miljard in 1995) en een chronisch negatief saldo op de handelsbalans heeft en omdat het ontwikkelingsbudget van de Pakistaanse overheid vrijwel geheel afhankelijk is van de buitenlandse hulp.

4.7 Bankwezen

In 1974 werden de banken genationaliseerd en samengevoegd tot vijf grote banken. Daarnaast zijn er gespecialiseerde kredietinstellingen voor industrie, kleinbedrijf en landbouw. Centrale bank is de State Bank of Pakistan (Karachi); de buitenlandse banken zijn niet genationaliseerd, doch wel onderworpen aan vestigingsregels. Sedert 1985 is islamitisch (= interestvrij) bankieren verplicht, al wordt dit verlies voor de banken gecompenseerd door vastgelegde tarieven.

4.8 Verkeer

De spoorwegen (overheidsbedrijf) vormen, economisch gezien, het belangrijkste vervoermiddel. Het spoorwegnet omvat ruim 12,5 duizend km spoor, bestaande uit 8775 km breedspoor en daarnaast, op de kleinere trajecten, normaalspoor en smalspoor. Het wegverkeer is van groeiende betekenis en het wegennet (64 400 km, waarvan ruim tweederde verhard) wordt sterk uitgebreid. Pakistan is met China verbonden via de ‘Karakoram Highway’, een 800 km lange weg van de stad Thabot via de Khunjerabpas (5320 m hoog) naar Kahsgan in de provincie Xinjiang. De zeescheepvaart geschiedt vrijwel geheel vanuit Karachi. Pakistan bezit internationale vliegvelden in Karachi, Lahore, Rawalpindi (Islamabad), Peshawar en Quetta. De staatsmaatschappij Pakistan International Airlines (PIA) verzorgt buitenlandse en 32 binnenlandse bestemmingen en wordt sinds 1993 door twee kleine maatschappijen beconcurreerd.