| Zoekweergave | Pakistan | Terug |
| Introductie |
Pakistan (officieel: Islāmi Jamhūrīya-e-Pakistan; Engels: Islamic Republic of Pakistan), republiek in het noordwesten van het Indische subcontinent, 796 095 vierkante kilometer (1998 reëel), uitgezonderd het deel van Jammu en Kashmir dat door India wordt gecontroleerd, met 169 270 620 inwoners (2007 schatting); 217 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Islamabad. Munteenheid is de Pakistaanse rupee, onderverdeeld in 100 paisa's. Nationale feestdagen zijn 23 maart, dag van de republiek (1956), en 14 augustus, Onafhankelijkheidsdag. De internetlandcode (TLD) is pk.
Pakistan, een voornamelijk agrarisch land met een grote buitenlandse schuld, moest in 1971 toestaan dat het oostelijk deel van het land als Bangladesh onafhankelijk werd. Met India voerde het twee oorlogen om Kashmir. Pakistan had vaak een militair bewind, maar in 1988 werd met de dood van Zia ul-Haq de democratie hersteld. Aan de daaropvolgende premierschappen kwam wegens wanbestuur en corruptie in 1999 een eind toen het leger onder leiding van generaal Musharraf de macht greep. Na de verkiezingen van 2002 vormde de Musharraf gunstig gezinde Pakistan Muslim League-Quaid-i-Azam een coalitieregering. Na de aanslagen van 11 september 2001 schortte Pakistan zijn steun voor het Talibanregime in Afghanistan op en werd het land een belangrijke bondgenoot van de Verenigde Staten in de strijd tegen terrorisme. De inmiddels tot president gekozen Musharraf heeft een actief beleid gevoerd tegen moslimfundamentalisten, die in de jaren negentig veelvuldig aanslagen pleegden.
| 1. Landschap, klimaat en natuur |
| 1.1 Landschap |
Het centrum van Pakistan wordt ingenomen door de Indusvlakte. In het zuiden maakt deze deel uit van de Sind, in het noorden van de Punjab. Ten oosten van de Indusvlakte ligt in de Sind een deel van de Tharwoestijn. Het tweede hoofdgebied wordt gevormd door de provincie Baluchistan in het zuidwesten. Dit gebied vormt de voortzetting van het Hoogland van Iran. Er is een aantal lange, kale ketens, o.a. het Kirthar-, Sulaiman- en Makrangebergte. In het uiterste noorden sluit dit gebied aan bij de Hindoe Koesj, waarvan de hoogste top de Tirich Mir (7699 m) is. Ten zuiden hiervan vormt de Vallei van Peshawar de toegang tot de Khyberpas. Deze vallei en het meer naar het zuiden gelegen laagland van Bannu worden van de Punjab gescheiden door de Great Salt Ranges. Geheel Pakistan wordt door de rivier de Indus afgewaterd; de waterafvoer kan sterk wisselen. De belangrijkste zijrivieren zijn de via de Sutlej in de Indus uitmondende Chenab, Jhelum, Ravi en Beas.
| 1.2 Klimaat |
Het klimaat is droog-continentaal met hete zomers en koele winters. De hoeveelheid neerslag varieert van per jaar 200 mm aan de kust tot 800 à 1000 mm in Noord-Punjab. In de subtropische woestijngebieden in de Sind kan de temperatuur in de zomer tot 49 °C oplopen. Van juni tot november waait de regenbrengende zuidwestmoesson, in de droge tijd de noordoostmoesson.
| 1.3 Plantengroei |
Pakistan heeft weinig natuurlijke vegetatie. In het zuiden liggen steppe- en woestijngebieden; in het Sulaimangebergte komen jeneverbesstruiken en wilde olijfbomen voor, in het noordwesten dennen, Himalajaceders en steeneiken. In de valleien in het uiterste noorden groeien loofbomen als de plataan en de populier.
| 1.4 Dierenwereld |
De dierenwereld behoort tot die van de Orientalis, terwijl in de hoge gebergten aan de noordzijde van het land ook palaearctische elementen (o.a. ondersoorten van het edelhert en wilde geiten en schapen) doordringen. Over het algemeen draagt de fauna het karakter van die van steppe, halfwoestijn en woestijn. Gereguleerde jacht en natuurbescherming schijnen maar langzaam vaste voet te krijgen, hoewel reeds talrijke diersoorten sterk in hun voortbestaan bedreigd worden (halfezels, herten, wilde geiten en schapen, zoetwaterdolfijnen, enz.) of al (vrijwel) uitgeroeid zijn (leeuw, tijger, jachtluipaard e.a.). Samenwerking met westelijke landen kan hier wellicht nog helpen (bijv. voor de reuzentrap en door opnieuw uitzetten van sterk bedreigde, in Europa gefokte fazanten). Tot de interessantste fauna-elementen behoort een vrijwel blinde zoetwaterdolfijn in de Indus.
| 2. Bevolking |
| 2.1 Samenstelling en spreiding |
Het inwonertal neemt jaarlijks met ca. 2% toe. Binnen Pakistan kunnen diverse bevolkingsgroepen worden onderscheiden naar regio, taal en cultuur. Indo-Europese bevolkingsgroepen die Indische talen spreken: de Punjabi (ca. 65%), de Sindhi (13%) en de Urdu (7%), en zij die Iraanse talen spreken: Baluchi (3%) en Pasjtoe (8%). Maatregelen tot geboortebeperking hebben tot dusverre weinig effect gesorteerd. De bevolkingsdichtheid is ongelijk, in Punjab bijvoorbeeld 230 inw. per km2, in Baluchistan 12 per km2. 35% van de bevolking woont in steden. De grootste steden zijn Karachi (ruim 12 miljoen inw.), Lahore en Faisalabad; de hoofdstad Islamabad telt circa 800 000 inwoners.
| 2.2 Taal |
De nationale en belangrijkste taal is het Urdu, dat regeringstaal is op nationaal niveau en in drie provincies. Provincies met een eigen taal zijn Sind (Sindhi), North West Frontier (Pasjtoe) en Baluchistan (Baluchi). Voor handel, onderwijs en wetenschap speelt bovendien het Engels een belangrijke rol. 62% van de bevolking is nog analfabeet.
| 2.3 Religie |
90% van de bevolking is soenniet, 5 tot 7% sjiiet. De islam is dus de religie van vrijwel alle Pakistani en volgens de grondwet de staatsgodsdienst, die van overheidswege bevorderd dient te worden; een Adviesraad voor Islamitische Ideologie doet o.m. voorstellen voor de islamisering van de grondwet. Daarnaast zijn er kleine aantallen hindoes (1,5%) en christenen (1,5%), die verdeeld zijn over de protestantse Church of Pakistan en de Rooms-Katholieke Kerk.
| 3. Bestuur en samenleving |
| 3.1 Staatsinrichting |
De grondwet dateert 1973 en is sindsdien meerdere keren gewijzigd (voor het laatst in 2003) en buiten werking gesteld (voor het laatst in 2007). De constitutie voorziet in een Nationale Assemblee van 342 leden, waarvan 272 rechtstreeks gekozen, 10 vertegenwoordigers van hindoe-, christelijke en andere minderheden, en 60 zetels voor vrouwen en in een via getrapte verkiezingen samengestelde Senaat van 100 leden. De uitvoerende macht is in handen van de president en de premier. De presidentiële macht werd met de herinvoering in 1985 van de door generaal Zia-ul-Haq geamendeerde grondwet aanzienlijk uitgebreid, maar in 1997 weer enigszins ingedamd. Hij moet in ieder geval islamiet zijn en wordt gekozen voor een periode van vijf jaar door Assemblee en Senaat. De premier wordt door de Assemblee gekozen. Hierdoor kan hij met tweederde meerderheid en met bekendmaking van de naam van zijn opvolger eveneens worden afgezet. Hij kan het parlement ontbinden en ook de provinciale regeringen naar huis sturen; zijn adviezen aan de president zijn bindend en zijn contraseign bij presidentiële decreten is verplicht. Kiesrecht is er voor iedereen vanaf 21 jaar.
| 3.2 Bestuurlijke indeling |
Bestuurlijk is Pakistan verdeeld in vier provincies, een hoofdstedelijk district en twee direct onder de centrale regering vallende districten (Tribal Area en de Northern Areas). De provincies hebben formeel vrij grote bevoegdheden, waarbij de gouverneurs, die benoemd worden door de president, de nationale eenheid moeten waarborgen. Islamabad en diverse tribale gebieden worden rechtstreeks door de centrale overheid bestuurd. De vier provincies hebben ieder een eigen parlement. De provincies zijn ingedeeld in divisies, de divisies in districten, de districten in tehsils (een groep dorpen); de gemeente (dorp, stad) vormt het laagste bestuursniveau.
| 3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties |
Pakistan is lid van de Verenigde Naties en aangesloten bij de diverse gespecialiseerde organisaties daarvan en verder bij het Colomboplan, de Organisatie van Niet-Gebonden Landen (sinds 1979) en de Organisatie van de Islamitische Conferentie. Sinds 1 oktober 1989 maakt Pakistan weer deel uit van het Britse Gemenebest van Naties, waar het in 1972 uitstapte. Met de Europese Gemeenschap werd in 1976 een handelsovereenkomst gesloten.
| 3.4 Politieke partijen en vakbeweging |
De ‘moederpartij’ is de Moslem-Liga; zij was zowel de drijvende kracht achter het ontstaan van Pakistan alsook het ontstaanspunt van de meeste andere Pakistaanse partijen. Gedurende de staat van beleg van 1977 tot 1985 waren geen politieke partijen toegestaan. De verkiezingen van 1985 vonden plaats op niet-partijpolitieke basis. Bij de verkiezingen in 2002 waren de belangrijkste partijen in het 342 zetels tellende parlement de Pakistan People's Party (PPP) [62 zetels], opgericht door ex-president Z.A.K. Bhutto en geleid door diens dochter Benazir Bhutto (oorspronkelijk islamitisch-socialistisch; later, als regeringspartij, bereid tot grote concessies) en de in 1906 opgerichte Pakistan Muslim League (Quaid-i-Azam)(PML-Q, een uit twee fracties bestaande middenpartij) [78 zetels]; verder zijn er o.m. Mutahida Majlis-i-Amal (MMA) [45 zetels] en vrouwen [60 zetels].
De vakbondsorganisaties zijn sterk versnipperd en vaak gelieerd met politieke partijen. Bij de Pakistan National Federation of Trade Unions zijn 270 federaties aangesloten, waaronder de All Pakistan Federation of Trade Unions, de Pakistan Railway Employees' Union en de Pakistan Transport Workers' Federation. Naar eigen opgave verenigt de PNFTN één miljoen leden.
| 4. Economie |
| 4.1 Algemeen |
Hoewel de Pakistaanse economie in 1947 en in 1971 (resp. de scheiding India-Pakistan en de scheiding Pakistan-Bangladesh) voor zeer grote problemen werd gesteld (verlies van handelscontacten voor aankoop van grondstoffen en afzet van producten), wist men van 1977 tot 1983 een positie van zelfvoorziening op voedselgebied te bereiken en werd een belangrijke export (rijst, textiel) ontwikkeld. De snelle bevolkingsgroei, de ‘brain drain’, de afscheidingsbewegingen en de politieke onzekerheid hebben echter sindsdien de economische ontwikkeling beperkt tot een groei van 4,6% (1990–1995; 1996: 3,1%). Het bnp per capita bedroeg in 1995 $ 460, waarmee Pakistan een van de armere landen van Azië is. De economische ontwikkeling werd begunstigd door succesvolle oogsten in de landbouw, hoge overschrijvingen van in het buitenland (m.n. de in de Golfstaten) werkende Pakistanen en een enorme ontwikkelingshulp en militaire steun, vooral uit de westerse landen. Nog steeds echter controleren staat en leger het grootste deel van de economie. Bovendien is Pakistan een knooppunt van internationale wapenhandel en behoort het tot de grootste exporteurs van verdovende middelen (heroïne). Miljardenbedragen werden op die manier aan staatscontrole onttrokken. De overheid streeft noodgedwongen naar privatisering, omdat zij niet in staat is enig onderdeel van de cruciale ontwikkelingsbegroting, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur, zelf te bekostigen. Meer dan 70% van de begroting wordt opgeslokt door defensie en de afbetaling van schulden (totale buitenlandse schuld in 1995: $ 30 miljard). In 1996/1997 was de inflatie gestegen tot 12,1%, een direct gevolg van het grote financieringstekort. De armoede onder grote delen van de bevolking, de toegenomen sociale en etnische spanningen in de grote steden (o.a. Karachi en Hyderabad) en de stevig verankerde bureaucratie vormen een extra zware belasting voor de ontwikkeling van de economie in Pakistan. Na de kernproeven in april en mei 1998 legde het Westen Pakistan sancties op en werd een miljardenlening van het IMF opgeschort, wat het land op de rand van het faillissement bracht. De sancties bleven maar kort van kracht; in oktober stemde de Amerikaanse senaat in met opheffing.
| 4.2 Landbouw |
De agrarische sector is zeer belangrijk: 26% van het bnp wordt er verdiend en 48% van de bevolking vindt er werk. Er kan twee keer per jaar geoogst worden. Ongeveer een eenvijfde van het Pakistaanse grondgebied wordt agrarisch geëxploiteerd en van dit areaal wordt ongeveer tweederde geïrrigeerd. Het grondbezit is zeer ongelijk verdeeld. Ongeveer de helft van de bedrijven beslaat minder dan 2 ha, maar deze bedrijven nemen slechts 10% van het landbouwareaal in beslag; daartegenover bezit 2% van de boeren 25% van het areaal. Tarwe, katoen (de voornaamste bron van exportinkomsten) en rijst zijn de belangrijkste gewassen. Andere gewassen zijn suikerriet, maïs en oliehoudende zaden; ook tracht men de teelt van jute en thee te bevorderen om de afhankelijkheid van import te verminderen. De facto voorziet het land in zijn eigen behoefte. Punjab en Sind zijn de belangrijkste akkerbouwgebieden; in de rest van het land is de extensieve veehouderij belangrijk. In het noordwesten en in Baluchistan is de veeteelt nomadisch (runderen, schapen, geiten, kamelen); in de akkerbouwgebieden worden ook buffels en kleinvee (kippen) gehouden. De opbrengst van de veehouderij (melk, vlees) is echter laag vanwege onvoldoende veevoeder en de gebrekkige bedrijfsvoering. Bosbouw en visserij zijn vooralsnog van weinig betekenis.
| 4.3 Mijnbouw en energievoorziening |
De exploitatie van de (weinige) minerale bodemschatten is nog vrij beperkt. In Baluchistan worden aardgas en koper gewonnen, in de Salt Range steenkool, kalksteen, gips en steenzout, en bij Sui en Mari eveneens aardgas. Vanuit Sui wordt dit gas per pijpleiding naar Karachi en Peshawar getransporteerd. In 1986 zijn grote mangaanvoorraden ontdekt. Pakistan bezit weinig eigen energiebronnen. De eigen aardolieproductie kan slechts 22,5% van de behoefte aan aardolie dekken, de steenkoolproductie levert 7,5% van het energiegebruik. Gestreefd wordt naar een verdere exploitatie van aardgas en waterkracht (Tarbeladam). De energiebehoefte moet echter voor bijna de helft door aardolie worden gedekt. In toenemende mate is de geproduceerde elektriciteit afkomstig uit kerncentrales. Jaarlijks stijgt de energiebehoefte met 10%.
| 4.4 Industrie |
Pakistans industrie moest in 1947 vrijwel uit het niets worden opgebouwd. Buitenlandse hulp was daarbij van grote betekenis. Het grote energietekort vormt echter een belangrijk obstakel voor de industriële ontwikkeling. De industrie biedt werk aan 20% van de beroepsbevolking en levert 24% van het jaarlijkse bnp. Vooral kleine bedrijfjes, zoals in de textiel- en voedselindustrie, zijn altijd zeer succesvol geweest en bieden aan 80% van de industrie-arbeiders werk. De belangrijkste producten zijn katoen (textiel en garens), cement, suiker, sigaretten, kunstmest, staal en papierwaren. In Karachi en Rawalpindi staan aardolieraffinaderijen.
| 4.5 Handel en dienstensector |
Deze sector brengt jaarlijks ca. 50% van het bnp op, terwijl 32% van de beroepsbevolking er werk in vindt. Pakistan heeft sedert 1947 een importoverschot. De belangrijkste import bestaat uit aardolie, medisch-farmaceutische producten, ijzer en staal, machines, gereedschappen en vrachtwagens; uitgevoerd worden vooral katoen (textiel, garens en ruwe katoen; in totaal meer dan de helft van de export), geknoopte tapijten, leer (schoenen) en vis. De leveranciers van Pakistan zijn de EU-landen (vooral Groot-Brittannië en Duitsland), Japan, de Verenigde Staten en Koeweit. De grootste afnemers zijn de EU (m.n. Duitsland, Groot-Brittannië en Italië), de Verenigde Staten en Hongkong.
| 4.6 Economische planning en ontwikkeling |
De binnenlandse politieke spanning en de buitenlandse politieke situatie (Afghanistan, Iran, de ‘islamitische kernbom’; zie § geschiedenis) belemmeren het opbouwen van stabiele ontwikkelingshulprelaties met het buitenland. Dit laatste is van zeer groot belang, omdat Pakistan een zeer grote buitenlandse schuldenlast ($ 30 miljard in 1995) en een chronisch negatief saldo op de handelsbalans heeft en omdat het ontwikkelingsbudget van de Pakistaanse overheid vrijwel geheel afhankelijk is van de buitenlandse hulp.
| 4.7 Bankwezen |
In 1974 werden de banken genationaliseerd en samengevoegd tot vijf grote banken. Daarnaast zijn er gespecialiseerde kredietinstellingen voor industrie, kleinbedrijf en landbouw. Centrale bank is de State Bank of Pakistan (Karachi); de buitenlandse banken zijn niet genationaliseerd, doch wel onderworpen aan vestigingsregels. Sedert 1985 is islamitisch (= interestvrij) bankieren verplicht, al wordt dit verlies voor de banken gecompenseerd door vastgelegde tarieven.
| 4.8 Verkeer |
De spoorwegen (overheidsbedrijf) vormen, economisch gezien, het belangrijkste vervoermiddel. Het spoorwegnet omvat ruim 12,5 duizend km spoor, bestaande uit 8775 km breedspoor en daarnaast, op de kleinere trajecten, normaalspoor en smalspoor. Het wegverkeer is van groeiende betekenis en het wegennet (64 400 km, waarvan ruim tweederde verhard) wordt sterk uitgebreid. Pakistan is met China verbonden via de ‘Karakoram Highway’, een 800 km lange weg van de stad Thabot via de Khunjerabpas (5320 m hoog) naar Kahsgan in de provincie Xinjiang. De zeescheepvaart geschiedt vrijwel geheel vanuit Karachi. Pakistan bezit internationale vliegvelden in Karachi, Lahore, Rawalpindi (Islamabad), Peshawar en Quetta. De staatsmaatschappij Pakistan International Airlines (PIA) verzorgt buitenlandse en 32 binnenlandse bestemmingen en wordt sinds 1993 door twee kleine maatschappijen beconcurreerd.
| 5. Geschiedenis |
Zie voor de geschiedenis van Pakistan vóór de onafhankelijkheid Voor-Indië.
| 5.1 De jaren 1947–1971 |
Op 14 augustus 1947 kregen Pakistan en India krachtens de India Independence Act de dominionstatus (zie ook India§ geschiedenis). Pakistans eerste gouverneur-generaal werd Mohammed Ali Jinnah (1947–1948). De dekolonisatie ging met grote moeilijkheden gepaard: ontbreken van een eigen bestuursapparaat en een eigen economie, bloedige communale botsingen in Punjab en Bengalen, massale migratie. Het feit dat Pakistan verdeeld was in twee delen, die door Indiaas gebied van elkaar werden gescheiden, heeft vanaf het begin een stempel gedrukt op de binnenlandse politiek. De enige basis van eenheid vormde in feite de islam. De Moslem-Liga, tot dan toe de dominerende partij, werd in 1954 verslagen in Oost-Pakistan, dat autonomie verlangde. De daarop uitbrekende onlusten in Oost-Pakistan werden door generaal Iskander Mirza onderdrukt. Mirza volgde in 1955 Ghulam Mohammed op als gouverneur-generaal. In 1956 werd hij president van de op 23 maart dat jaar uitgeroepen Islamitische Republiek Pakistan. De blijvende onrust leidde er in 1958 toe dat Mirza het gezag moest overdragen aan de opperbevelhebber van de strijdkrachten, Ayub Khan. Deze werd in 1960 tot president gekozen. In 1962 kwam een nieuwe grondwet tot stand, die grote bevoegdheden aan de president verleende. De in 1958 afgekondigde staat van beleg werd opgeheven en in april 1962 werden weer (indirecte) verkiezingen gehouden.
In Oost-Pakistan drong de sinds ca. 1950 optredende Awami-Liga onder Mujib ur-Rahman aan op economische scheiding van Oost- en West-Pakistan (zie Bangladesh § geschiedenis). Ayub Khan, in 1965 als president herkozen, reageerde hard op deze separatistische tendensen en in juni 1966 en begin 1969 kwam het tot uitbarstingen van geweld. In 1969 was zijn positie dermate verzwakt dat hij zijn ambt overdroeg aan de opperbevelhebber van het leger, Yahya Khan. Deze kondigde de staat van beleg af en herstelde de orde. Er vond een hervorming van de staatkundige inrichting plaats, waarbij o.m. het bestaande systeem van getrapte verkiezingen vervangen werd door directe verkiezingen. De verkiezingen in december 1970 leverden in Oost-Pakistan een overwinning op voor de Awami-Liga en in West-Pakistan voor de Volkspartij van Zulfikar Ali Khan Bhutto. In het nationale parlement kreeg de Awami-Liga 167 van de 313 zetels. Als gevolg van de verkiezingsuitslag ontstond een gespannen situatie. Langdurige besprekingen over de mate van autonomie voor Oost-Pakistan tussen Mujib ur-Rahman, Bhutto en Yahya Khan brachten geen oplossing. In februari 1971 ontbond Yahya Khan het kabinet en hij nam de uitvoerende macht in handen.
| 5.2 De jaren 1971–1977 |
In de nacht van 25 op 26 maart 1971 greep het Pakistaanse leger in Oost-Pakistan in, waarop een (burger)oorlog ontbrandde tussen het leger en ‘Bengaalse vrijheidsstrijders’. Op 17 april proclameerden de Oost-Pakistani officieel het bestaan van de soevereine democratische republiek Bangladesh. Eind april hadden de wreed optredende Pakistaanse troepen het grootste deel van Oost-Pakistan onder controle en was Mujib ur-Rahman als gevangene naar West-Pakistan overgebracht. De strijd resulteerde in een groot aantal doden (op het platteland veel hindoes) en miljoenen Oost-Pakistaanse vluchtelingen in India. Door de Oost-Pakistaanse kwestie werd de tussen Pakistan en India bestaande tegenstelling, die in het verleden o.m. tot gewapende conflicten had geleid (zie Jammu en Kashmir § geschiedenis), opnieuw aangewakkerd. India stelde zich positief op inzake een onafhankelijk Bangladesh en steunde daadwerkelijk de vrijheidsstrijders. De verhouding tussen beide landen verslechterde snel en eind november 1971 vond de eerste aanval van Indiase troepen op Pakistan plaats. Op 3 december was de oorlog tussen beide landen formeel. De Verenigde Naties stonden machteloos, daar resoluties inzake een staakt-het-vuren getroffen werden door veto's van de zijde van de Sovjet-Unie (pro-India) en de Volksrepubliek China (pro-Pakistan); de Verenigde Staten (met Pakistan verbonden in de CENTO en de SEATO) kozen de zijde van Pakistan. De strijd verliep in het voordeel van India. Nadat de Pakistaanse troepen op 16 december in Oost-Pakistan onvoorwaardelijk hadden gecapituleerd, aanvaardde Yahya Khan de dag daarop een bestand voor het West-Pakistaanse front. Als resultaat van de oorlog werd Oost-Pakistan onder de naam Bangladesh een onafhankelijke republiek.
De nederlaag van Pakistan betekende het einde van het presidentschap van Yahya Khan. Op 20 december 1971 trad hij af ten gunste van Bhutto. Pakistan verbrak naar aanleiding van de erkenning van Bangladesh de banden met het Gemenebest en de SEATO. In juli 1972 kwam te Simla een overeenkomst tot stand op grond waarvan India en Pakistan zich in december van dat jaar terugtrokken uit de door hen bezette gebieden, behalve Jammu en Kashmir, waar sinds 1971 een nieuwe controlelijn gold. In de loop van 1972 werden ook wederzijds alle krijgsgevangenen uitgewisseld, behalve de Pakistaanse militairen die aan het oostelijk front gevangen waren genomen. Na de grondwetswijziging van 1973 werd Bhutto premier. In februari 1974 ging Pakistan over tot de erkenning van Bangladesh. In 1973 en vooral in 1974 was sprake van een ware volksverhuizing: ca. 90 000 Pakistaanse krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers werden vanuit India naar Pakistan overgebracht, terwijl ca. 175 000 Bengalezen van Pakistan naar Bangladesh en ca. 80 000 niet-Bengalezen (Bihari's) van Bangladesh naar Pakistan gerepatrieerd werden.
| 5.3 De jaren 1977–1988 |
In 1977 werd als gevolg van ernstige onlusten de grondwet buiten werking gesteld en werd de macht overgenomen door generaal Zia-ul-Haq, die het land onder oorlogsrecht stelde. In april 1979 werd ex-president Bhutto ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Zia bracht verschillende wijzigingen aan in de wetgeving, die het islamitische karakter van het land verder moesten benadrukken. Algemene verkiezingen werden voor onbepaalde tijd uitgesteld. De regeringsmacht werd in feite weer gecentraliseerd en de activiteiten van politieke partijen werden verboden. Door Amnesty International werd geprotesteerd tegen schending van de mensenrechten. Nadat in 1984 generaal Zia bij referendum voor nog vijf jaar tot president was gekozen, werd in december van dat jaar de staat van beleg opgeheven, bovendien werd de gewijzigde grondwet weer in werking gesteld; politieke partijen werden weer toegestaan. Benazir Bhutto, de in 1986 uit ballingschap teruggekeerde dochter van ex-president Bhutto, werd samen met haar moeder Nusrat Bhutto tot voorzitter van de PPP gekozen. De daaropvolgende jaren werden gekenmerkt door gewelddadige antiregerings- etnische (m.n. in Sind) en religieuze demonstraties.
| 5.4 De jaren 1988–2000 |
Generaal Zia kwam op 18 augustus 1988 bij een vliegtuigongeluk om het leven. Hij werd opgevolgd door Ghulam Ishaq Khan. Benazir Bhutto werd premier en daarmee de eerste vrouwelijke leider van een islamitisch land, hetgeen op felle tegenstand stuitte van islamitische religieuze leiders. Ook zij kon echter geen einde aan de onrust maken en in augustus 1990 greep president Ishaq Khan in. Hij ontsloeg de regering, ontbond het parlement en riep de noodtoestand uit. Vervroegde verkiezingen bezorgden Bhutto's PPP een zware nederlaag. Op alle fronten won de Islamitische Democratische Alliantie (IDA) van Mian Nawaz Sjarif, die premier werd (de eerste afkomstig uit Punjab). Zijn regering zette de door Zia ingezette politiek van islamisering van Pakistan weer voort.
De ontwikkeling van India tot een nucleaire mogendheid heeft ertoe geleid dat ook Pakistan een kernmogendheid werd. Anderzijds werd het proces van normalisering tussen Pakistan en India versterkt door de Sovjet-Russische interventie in Afghanistan (1979–1989), die een intensivering van de relaties van Pakistan met China, Saoedi-Arabië en m.n. met de Verenigde Staten tot gevolg had. Afghaanse verzetsstrijders ondernamen vooral vanuit de stad Peshawar en gesteund door de Pakistaanse regering, aanvallen tegen Sovjet-Russische en Afghaanse regeringstroepen.
In 1992 braken ernstige onlusten uit in de provincie Sind, die door het leger werden onderdrukt. Daarbij werd ontdekt dat de op de stedelijke bevolking steunende Muhajir Qaumi Beweging betrokken was bij geweld- en martelpraktijken. In oktober 1993 werd Benazir Bhutto wederom premier, nadat haar partij de verkiezingen had gewonnen.
President Ishaq Khan ontsloeg in april 1993 premier Sjarif op beschuldiging van corruptie, nepotisme en wanbestuur. Bij de parlementverkiezingen van oktober won de PPP van Benazir Bhutto, die wederom premier werd. Een maand later volgde minister van Buitenlandse Zaken Leghari president Khan op.
In de provincie Sind kwamen in 1994 en 1995 bij terroristische aanslagen naar schatting 2000 mensen om het leven. In de slechte economische situatie trad geen verbetering op en hetzelfde gold voor de gespannen relatie met India. In november 1996 werd de regering-Bhutto door president Leghari aan de kant gezet op grond van talrijke aanklachten, waarbij veelvuldig de naam opdook van Bhutto's echtgenoot, Asif Ali Zardari, Mr. Ten Percent, zo genoemd naar het percentage smeergeld dat hij bij overheidstransacties zou bedingen. Wanbestuur, nepostisme, corruptie en politiek terrorisme lijken endemisch in Pakistan. De verkiezingen van februari 1997 – de vierde in acht jaar – werden gekenmerkt door een bijzonder lage opkomst. Absolute winnaar werd de Pakistaanse Moslim Liga (PML; die, anders dan haar naam suggereert, een overwegend seculier karakter heeft) van Nawaz Sjarif, die van 1990 tot 1993 weinig indruk had gemaakt als premier. Hij werd opnieuw premier. Na een conflict tussen de premier en president Leghari trad de laatste af, aangezien de legertop zich achter Sjarif had opgesteld. Nieuwe president werd op 1 januari 1998 Sjarifs bondgenoot Mohammed Rafiq Tarar, hetgeen de positie van de minister-president opnieuw aanzienlijk versterkte. Benazir Bhutto's politieke rol raakte in 1997 definitief uitgespeeld, nadat het Hooggerechtshof het gedwongen ontslag van haar regering in 1996 als terecht had bevonden. De PPP ging op zoek naar een nieuwe partijleider en vond die in de inmiddels afgetreden president Leghari. In de noordelijke provincie Punjab werden in 1997 honderden onschuldige burgers het slachtoffer van aanslagen op madrasa's (religieuze scholen) en moskeeën door soennitische of sjiitische extremisten. Etnische tegenstellingen zorgden in de jaren negentig voor veel chaos en geweld, vooral in Karachi, de Punjab en de Noord-Westprovincie. Om een halt toe te roepen aan het groeiende geweld, de criminaliteit en de corruptie kwam premier Sharif in augustus 1998 met het voorstel de islamitische wet (sjari‘a) voortaan als uitgangspunt van de rechtspraak te maken. Net als onder het regime van de Taliban in Afghanistan zouden ook in Pakistan islamitische rechters lijfstraffen mogen uitdelen voor onislamitisch gedrag. Met dit voorstel wilde de regering de oprukkende radicale islamitische krachten de pas afsnijden. Vooral na de Amerikaanse raketaanvallen op trainingskampen in Afghanistan waren radicaal-islamitische demonstraties aan de orde van de dag. In oktober werd een grondwetswijziging die de sjari‘a boven de bestaande grondwet plaatste, door het Lagerhuis met een tweederde meerderheid aangenomen. Religieuze minderheden en mensenrechtenactivisten vreesden hierdoor voor een zogenaamde ‘talibanisering’ van Pakistan.
De betrekkingen met India kwamen in 1998 zwaar onder druk te staan als gevolg van een versnelling in de kernwapenwedloop tussen beide landen. Begin april voerde Pakistan een succesvolle test uit met een middellangeafstandsraket met een bereik van 1500 kilometer. Hiermee bereikte Pakistan gelijkwaardigheid met de Indiase capaciteit. Toen Indiase kernproeven op 13 mei Pakistan weer op achterstand brachten, bracht ook Pakistan, ondanks zware westerse druk, op 28 en 30 mei in de woestijn in Baluchistan drie kernbommen tot ontploffing. Pakistan en India pakten hun onderhandelingen over vrede en veiligheid vervolgens weer op en beloofden geen kernwapens in te zullen zetten in een militair conflict. Dit nam niet weg dat eind juli het grensconflict rond Kashmir weer in alle hevigheid oplaaide; in raketaanvallen die zeker een week duurden, kwamen tientallen burgers om het leven.
Eind jaren negentig daalde de populariteit van premier Sharif in hoog tempo. Zijn persoonlijke verrijking, talrijke ontslagen van onwillige ambtenaren en het monddood maken van politieke tegenstanders droegen hieraan bij. Hij begon meer en meer terug te vallen op dictatoriale maatregelen. Betogingen en stakingen tegen de regering werden verboden. Tijdens de eerste grote demonstratie voor het aftreden van Sharif en het herstel van de democratie, die op 12 september 1999 in Karachi werd georganiseerd door de Grote Democratische Alliantie van een twintigtal politieke partijen en religieuze organisaties, werden duizenden betogers opgepakt. In het voorjaar werden de papierleveranties aan de invloedrijke en kritische Jang-mediagroep tijdelijk stopgezet en omstreeks dezelfde tijd werden achtereenvolgens de uitgevers van the Frontier Post en van Friday Times gearresteerd.
Op 12 oktober 1999 werd de regering van premier Sharif door de chefstaf van het leger, Pervez Musharraf, die daags tevoren toen hij op bezoek was in Sri Lanka door Sharif was ontslagen, naar huis gestuurd. Het leger nam de macht over en Sharif kreeg huisarrest opgelegd. Enkele dagen later werd ook het parlement op non-actief gesteld. De staatsgreep verliep opmerkelijk rustig. De westerse regeringen reageerden gematigd negatief. Het Gemenebest besloot in elk geval Pakistan te schorsen tot de democratie hersteld zou zijn. Op 26 oktober maakte Musharraf de samenstelling bekend van een Nationale Veiligheidsraad, waarin militairen en enkele burgers zitting hadden, en van een nieuw, geheel uit burgers bestaand kabinet. Tegen de militaire staatsgreep en de aanhouding van Sharif werd nauwelijks gedemonstreerd.
| 6. De 21ste eeuw |
| Binnenlandse ontwikkelingen |
De coup van generaal Pervez Musharraf werd in 2000 goedgekeurd door het Hooggerechtshof, nadat enkele rechters waren opgestapt uit protest tegen de door Musharraf ingevoerde gewijzigde grondwet. Het hof bepaalde dat er binnen drie jaar weer een civiele regering diende te komen. De afgezette premier Nawaz Sharif werd verbannen; hij vestigde zich in Saoedi-Arabië.
Musharraf nam in juni 2001 het presidentschap over van predisent Tarar, met wie hij veel wrijvingen had gehad. Na 11 september 2001 kwam de president in een benarde positie. Enerzijds onderhield zijn land als enige contacten met het Taliban-regime in Afghanistan, en waren er nauwe persoonlijke en stambanden tussen Pakistani en Afghanen. Het merendeel van de bevolking wees een Amerikaanse inval in Afghanistan af. Anderzijds oefenden de Verenigde Staten grote druk uit op Pakistan om medewerking te verlenen aan de militaire operatie tegen de Taliban, die eind 2001 begon. Als beloning voor de Pakistaanse medewerking werden de sancties opgeheven die sinds de kernproeven in 1998 golden.
In een referendum in april 2002 stemde 98% van de kiezers in met verlenging van het presidentschap van Musharraf. Zijn partij PML-Q werd bij de in oktober gehouden parlementsverkiezingen de grootste. Oppositieleiders Benazir Bhutto en Nawaz Sharif konden wegens veroordelingen en verbanning niet zelf deelnemen. Opmerkelijk waren de goede resultaten die werden behaald door de Mutahida Majlis-i-Amal, een alliantie van religieuze en sterk anti-Amerikaanse partijen. Mir Zafarullah Khan Jamali van de PML-Q werd premier.
Het Hooggerechtshof stemde in 2005 in met het aanblijven van Musharraf als legerleider, een taak die volgens de oppositie niet te verenigen was met het presidentschap. Musharraf kon nog altijd rekenen op de steun van de VS, in ruil voor zijn medewerking aan de strijd tegen de Taliban in Afghanistan. Sinds 2002 maakten Pakistaanse troepen jacht op Taliban in de provincie Waziristan.
Een zware aardbeving kostte in oktober 2005 het leven aan naar schatting 73 000 mensen in de provincies Kashmir en North West Frontier.
Musharraf werd door parlement en provinciale raden in oktober 2007 herkozen als president. In de aanloop naar de voor januari 2008 geplande parlementsverkiezingen keerden oppositieleiders Nawaz Sharif en Benazir Bhutto in 2007 terug naar Pakistan. Sharif werd aanvankelijk gearresteerd en teruggestuurd. Bhutto overleefde op de dag van haar terugkeer een aanslag. Een nieuwe aanslag, in december 2007, werd haar wel fataal, en betekende een zware klap voor de zwakke Pakistaanse democratie.
| India en Kashmir |
De omstreden regio Kashmir bleef zorgen voor spanningen tussen Pakistan en India, die beide aanspraak maken op het gebied. In 2000 was de situatie relatief rustig. President Musharraf bezocht India in 2001; het overleg met de Indiase premier Vajpayee leverde echter geen resultaten op. Na de aanslag op het Indiase parlement in december 2001 liep de spanning weer hoog op, omdat volgens India Pakistaanse extremisten achter de aanslag zaten. Beide landen brachten hun troepen naar de grens. In Pakistan werden honderden activisten opgepakt, om India te appaiseren.
India wees in 2003 een voorstel af van Musharraf tot een onmiddellijk staakt het vuren en een gezamenlijke grenscontrole. India vond dat Pakistan te weinig optrad tegen plegers van geweld in Kashmir. Niet veel later deed India echter een reeks tegenvoorstellen, die door Pakistan werden aanvaard. Trein- en busverbindingen werden hersteld en er werden culturele en sportieve uitwisselingsprogramma's opgezet. Een duurzame oplossing voor Kashmir was echter niet in zicht. Na een aanslag in Delhi in 2005 verslechterde de relatie met India opnieuw.