opera
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
opera
2. 1650–1730

Na het midden van de 17de eeuw vonden met name de hoftheaters te Wenen, München en Dresden aansluiting bij de Venetiaanse opera. Tegelijkertijd kwam vooral aan de kleinere vorstenhoven het verlangen op naar een eigen Duitse opera; meer dan elders heeft dit in de vrije Hanzestad Hamburg tot positieve resultaten geleid bij componisten als J.S. Kusser, R. Keiser en G.C. Schürmann. Een voorliefde voor bijbelse onderwerpen ging gepaard aan een neiging de melodische typen aan het danslied of het kerklied te ontlenen. Italiaanse en Franse invloeden deden zich echter steeds sterker in Duitsland gelden, totdat na 1700 de Italiaanse opera, zoals deze in Napels door toedoen van Alessandro Scarlatti en de Napolitaanse school tot nieuwe bloei werd gebracht, elk ander streven ging overheersen. Het zwaartepunt kwam geheel te liggen op het bel canto en de virtuositeit, waarin het castratendom zijn kansen kreeg; van een gedifferentieerde karakteruitbeelding was weldra geen sprake meer. De handeling werd in secco-recitatieven (d.w.z. met klavecimbelbegeleiding) afgedaan en daarna stilgezet om de solisten gelegenheid te geven tot emotionele of filosofische bespiegelingen in kunstige melismen. Werkelijke vernieuwing is alleen bereikt in de ouverture, die bij Scarlatti de driedeligheid snel-langzaam-snel heeft gekregen. Eerst toen de Weense hofdichter Pietro Metastasio in het eerste kwart van de 18de eeuw een ingrijpende hervorming van het Italiaanse operalibretto tot stand bracht, kon een in Italië geschoolde Duitser als Johann Adolf Hasse een muzikaal dramatische levendigheid ontplooien die tevoren had ontbroken.